De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

9 minuten leestijd

Over „Een ontbloot volk" schreef ds. J. J. Knap naar aanleiding van Spreuken 29 vers 18 : , .Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij die de wet bewaart", in Oude Paden de volgende beschouwing :
Een enkele blik op de wereldkaart laat ons zien, dat de volken, waarover de adem van het Christendom heengestreken is, in zoo goed als elk opzicht 't hoogst staan, terwijl de volken, in het midden waarvan Gods Woord niet opengeslagen ligt, bij alle inspanning van kracht nauwelijks enkele treden langs de cultuurtrap omhoog klimmen.
Het is geen toeval, dat de beschaving zich het breedst ontplooid heeft in de streken, waar het Ghristendom wortel geschoten heeft. Ook in de Heidensche landen bestaat een eigen cultuur. Maar zij kan nimmer op tegen die van de gekerstende volken. Men zond de meest belovende jonge menschen naar de Christelijke staten om zich op de hoogte van het verfijnde en verrijkte leven te stellen, zooals het onder de heerschappij van Gods Woord opgebloeid was, en deze cultuur-schatten dan later op Heidensch terrein over te planten en er een eigen stempel op te drukken.
Voor 'n groot deel dus geborgd goed.
Maar door den Heidenschen geest geassimileerd.
Dit geldt van de beoefening der wetenschap. Zij bestond ook elders ; wij behoeven slechts te herinneren aan de Babylonische wijsheid, en niet minder aan de Aegyptische scholen, waarin Mozes onderwezen werd, of ook aan de Grieksche wijsbegeerte, die van verdragenden invloed op de ontwikkeling der menscbheid geweest is. Maar het denken heeft toch eerst zijn grootste vlucht in de Christelijke landen genomen. Het oude Europa werd, toen het Christendom er eenmaal gevestigd was, de bakermat der hoogere wetenschappen. Daar deed men de rijkste vondsten op het gebied des geestes. Daar behaalde het natuuronderzoek de schoonste triomfen. Daar werden de machtigste genieën gekweekt en ontstond een litteratuur die onvergankelijk is.
Maar ook op staatkundig, sociaal en zedelijk gebied streefden de Christelijke natiën de andere voorbij. Het geheele leven bereikte er een hooger peil dan elders. De maatschappelijke verhoudingen ondergingen den verheffenden invloed van de beginselen, die Christus in het evangelie heeft neergelegd. Het politieke leven toonde er een verscheidenheid, waarvan men in andere werelddeelen de wedergade niet vond. En de samenleving werd door een moreele overtuiging geheiligd, zoodat men er in een betere wereld woonde. Ja, onder de macht der Christelijke moraal werden er burgerdeugden gekweekt als trouw, ijver, toewijding, waardoor ook de uitwendige welvaart zienderoogen toenam. En zoo drukte de werkelijkheid het zegel op de spreuk : „Welgelukzalig is hij, die de wet bewaart", — welgelukzalig is het volk, dat wandelt bij het licht van Gods Woord.
Tegenover deze waarheid staat de andere in het eerste lid der spreuk :
„Als er gééne profetie is, wordt het volk ontbloot." Met de profetie is de prediking van Gods Woord bedoeld. In sommige kringen leeft men in den waan, dat Bijbel en Kerk, religie en gebed, louter particuliere aangelegenheden zijn, waar mede men in het publieke leven niet moet optreden, 't Heeten zaken voor de binnenkamer. Wie er voor zichzelf behoefte aan heeft, kan er zich ongestoord aan wijden. Maar men meene niet, dat het nationale leven verarmt, indien de Bijbel verloren mocht gaan, de kerken afgebroken worden, de godsdienst verdween, en het gebed op de lippen verstomde.
Toch is deze meening zeer verbreid.
Salomo zag echter duidelijk in, dat wanneer de kracht der religie in een land gebroken wordt, de gevolgen niet te overzien zijn. 't Geheele nationale leven beloopt door dit verlies een onberekenbare schade : het volk wordt er door uitgekleed, van zijn edelst bezit ontdaan, niet alleen van zijn godsvrucht, maar van alle levensverheffing ontbloot. En waar het eerst in volle kracht, en glorie stond, ziet het alles stuk voor stuk van zich afvallen : zijn adel, zijn beschaving, zijn hooge ontwikkeling, zijn moraliteit, zijn wetenschappelijken zin, zijn energie en kracht van initiatief, ja, tot zijn uiterlijke welvaart toe het staat daar ten slotte ellendig en naakt.
Achteruitgang over de heele levenslijn.
Het volk wordt allereerst ontbloot van de ware kennis en wijsiheid ten aanzien van het Goddelijke en hemelsche. Wanneer de onzienlijke wereld in de nevelen des ongeloofs of in die van het scepticisme ondergegaan is, wordt de wereld der tastbare en zienlijke dingen het één en al. De hoogere behoeften der ziel sterven langzamerhand weg, tet leven verliest den glans van het eeuwigheids-licht, dat alles verheerlijkt, en men gaat zonder God in de wereld geheel in het materiëele op. Het wordt dan een schamper spreken over degenen, die zoeken en bedenken wat boven is zij vleien zich met hersenschimmen zonder wezenlijkheid, en droomen van een hemel, dien niemand ooit gezien heeft.
Is zoo het geloof aan het bovenzinnelijke uitgeschud, dan gaat de nationale ontblooting en verarming snel door in het verlies van alle zedelijke normen. Is er geen God, die alles regeert en aan elk eene bepaalde levensroeping opdraagt ; is er geen eeuwigheid, waartoe de aardsche loopbaan ons moet voorbereiden, opdat wie hier beneden trouw over weinig geweest is, daarboven over veel gezet worde ; is er geen oordeel, waarin wij rekenschap van het gebruik onzer talenten en jaren zullen moeten afleggen, — wat zou men zich dan nog bekommeren om de eischen van Christelijke moraliteit, leder moet liever van dit korte leven halen wat er van te halen is. Kan het niet anders, laat het dan ten koste van den broeder zijn. De sterken drukken de zwakken op zij of loopen hen onder den voet, zij worden immers bezield door de ééne gedachte, dat zij een plaats in de zon moeten hebben, en met een lach werpen zij het woord in het aangezicht der verdrukten : „Ben ik mijns broeders hoeder ? "
Het proces, der ontblooting gaat rusteloos door.
Indien de religie één groote leugen is, waarom zou men dan niet leven naar 't goeddunken des vleesches ? Reinheid van zeden ? een oudwijfsche fabel. Trouw aan het gegeven woord ? ".... dwaas, die zich door een luchttrilling als een woord is, gebonden voelt. Eerlijkheid in zaken en handel? wel neen, men komt met slimheid het verst, en daarom is het vóór alles te, doen. Zorg voor vrouw en kinderen ? ieder is zichzelf 't naast, zij moeten zich zelf maar redden. Een algemeene zedelijke verwildering treedt in. Het egoïsme vervangt de zich zelf opofferende liefde. De wereld wordt kil, de gloed der barmhartigheid verdooft, het menschenhart versterft, het leven wordt een ijzige Poolstreek.
Een algemeene zedelijke ontbinding is het einde.
Men heeft God verloren en daarmede de kracht om aan de zonde en de verleiding het hoofd te bieden. Ieder doet wat goed in zijne oogen is en viert den vrijen teugel aan zijn onheilige hartstochten. Het remblok is van voor het wiel weggeslagen. Of laat ons liever zeggen : God heeft zijn beschermende hand van zulk een volk afgetrokken om het aan zich zelf over te laten. En ja, dan wringt het zich in zijn geestelijke en zedelijke ontblooting aanvankelijk nog wanhopig om niet onder te gaan. Maar zijn innerlijke enerigie is geknakt: 't voelt niet meer de opveerende kracht des geloofs in zich, en zoo vervalt het eveneens in wetenschappelijk, economisch, stoffelijk opzicht, totdat 't naakt eij ellendig in zelfvernieling ondergaat.
In 't klein is dit het tragische lot van den enkeling.
Er zijn vele wrakke menschenlevens op de levenszee. Zij boezemen ons deernis in. Wanneer zij onderzoeken wat de diepste oorzaak van hun droef verval is, blijkt het steeds dat de eerste oorzaak in het ongeloof schuilt. Zij hebben in hun jonge jaren het woord der profetie in den wind geslagen. Deze verwaarloozing hunner geestelijke behoeften heeft hun ziel doen verstompen en den geestelijken achtergrond uit hun leven weggenomen. Toen ging het van kwaad tot erger : het losmaken van den band aan God werd gevolgd door een losmaken van den band der moraal en van den band aan den naaste ; al wat heilig, al wat hoog en voornaam, al wat edel en ideëel was verdween langzamerhand uit hun leven. En nu staan zij daar ontbloot van inzicht in hun roeping, ontbloot van innerlijke kracht, ontbloot van den lust om de gerechtigheid na te jagen, armzalige verschijningen, die ongewapend zijn tegen de duistere machten uit den afgrond.
Niemand verachte daarom de profetieën !
Gods Woord is wezenlijk niet alleen gegeven om den mensch zalig te doen sterven, maar evenzeer om hem welgetroost te doen leven en met leeuwenmoed de zorgen en nooden tegemoet te treden, om ze met Gods hulp te overwinnen.
De profetie is een sterkende macht.
De zonde ontbloot den mensch deerlijk.
De genade, die op het voertuig van Gods Woord in de mogendheid des Geestes tot hem komt, bekleedt hem met alles wat hij in het bange leven noodig heeft.
Zij bekleedt hem met sterkte : de volle wapenrusting Gods doet zij hem aan door zijn wil te stijven, zijn hart rein te maken, zijn lust tot het heilige op te wekken, zooddt hij in den boozen dag staande kan blijven.
Zij bekleedt hem met sieraad : de vrede Gods spreidt zich over zijn wezen, een hemelsche vreugde glanst in zijn oog, zijn hart is in den Heere verblijd, hij wandelt met een psalm op de lippen in de diepste valleien der smart en staat zelfs niet zonder hoop bij het graf, dat alles wat hij lief had verzwolgen heeft.
Zij bekleedt hem met ootmoed : hij weet, dat het goed is aan 's Heeren hand te wandelen en zich ons alle dingen afhankelijk van zijn gunst te gevoelen, de hoogheid der ziel te vermijden en zich tot het nederige te voegen.
Zij bekleedt hem bovenal met gerechtigheid, het blanke lijnwaad der heiligen Gods ; het is voor hem de hoogste roem, dat de Heere hem bekleed heeft met de kleederen des heils en hem den mantel der gerechtigheid van Jezus Christus heeft omgedaan!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's