Stichtelijke overdenking.
Tweeërlei blik op Jezus.
En, als Hij te Bethanië was in het huis van Simon, den melaatsche, daar hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten flesch met zalf van onvervalschte nardus van grooten prijs; en de albasten flesch gebroken hebbend goot die op zijn hoofd.
En er waren sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zichzelven en zeiden : Waartoe is dit verlies der zalf geschied ? Want dezelve had boven de driehonderd penningen verkocht, en die den armen gegeven worden ; en zij vergrimden tegen haar.
Maar Jezus zeide : Laat af van haar ; wat doet gij haar moeite aan ? Zij heeft een goed werk aan mij gewrocht. Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen ; maar mij hebt gij niet altijd
Zij heeft gedaan hetgeen zij komde ; zij is voorgekomen, om mijn lichaam te zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis.
Voorwaar zeg ik u : alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden, van hetgeen zi] gedaan heeft. Marcus 14 vers 3—9.
De verzen die aan onzen tekst voorafgaan venhalen ons dat de overpriesters en schriftgeleerden tezamen beraadslaagden om Jezus met listigheid te vangen en te dooden. Zij waren bevreesd voor den grooten invloed dien Jezus op het volk had. En daarom besloten zij te wachten tot het Paaschfeest voorbij was en de groote menigte van feestgangers weer was weggetrokken, om dan in het geheim Jezus om te brengen.
Dat waren de voorbereidingen van Jezus' vijanden en hoewel het heel anders zou gaan als zij zich voorstelden, in hun plannen lag toch een aanwijzing dat de stervensure van den Messias naderde.
Maar nu spreekt onze tekst daartegenover van een geheel andere voorbereiding voor Christus' sterven, een voorbereiding, gemaakt door een van Zijn getrouwste discipelinnen.
Wij worden verplaatst in Bethanië, het bekende dorpje van Maria en Martha en Lazarus.
In dat Bethanië was Jezus die gevierde man. Hij had immers Lazarus uit de dooden opgewekt. Hij was de groote profeet, waarmee de Heere Zijn volk bezocht. De inwoners van Bethanië waren er dan ook ten zeerste mee vereerd dat Jezus onder hen kwam vertoeven, en daarom is er ten huize van Simon, den melaatsche, blijkbaar een eeremaaltijd voor den Heere en Zijn discipelen aangericht.
En als zij dan aanzitten en de maaltijd in vollen gang is, treedt een vrouw binnen met een albasten flesch met zalf, zij breekt den hals van die flesch en giet de zalf uit over het hoofd van den Heere Jezus.
Op zichzelf is dit al een merkwaardige gebeurtenis, dat een vrouw ongenood de eetzaal binnentreedt en zoo maar naar den Heere Jezus toe gaat en zalf over Zijn hoofd uitgiet.
Maar daar komt nog bij, dat de zalf, die de vrouw mede bracht, bijzonder kostbare zalf was. Het was zalf van onvervalschten nardus, van grooten prijs. Nu had men de kostbare zalf in flesschen met nauwe halzen, zoodat daar maar druppel voor druppel uit kon loopen, omdat een paar druppels reeds voldoende waren om daardoor geheel verfrischt te worden.
Maar de vrouw in onzen tekst is niet tevreden daarmee, dat zij den Heere Jezus eenige druppelen van haar kostbare zalf toedient; zij breekt de flesch en laat den geheelen inhoud vloeien op het hoofd van den Heere Jezus, zoodat de zalf zich verspreidt over Zijn kleederen en Zijn gansche lichaam, en het geheele huis vervuld wordt met den geur der zalf.
Nu de zaak zoó staat, kunnen wij verstaan, dat er onder de aanwezigen w.aren, die haar dat niet in dank afnamen. Waartoe is dit verlies der zalf geschied ? Wat een verkwisting van die vrouw, om een heel pond zalf, waarvan men nog lang pleizier had kunnen hebben, zoo maar ineens te verknoeien. Daar heeft toch niemand iets aan ; zulk een overdaad kan toch den Heere Jezus ook niet welgevallig zijn !
De menschen, die zoo spreken hebben echter geen oog voor de bijzondere plaats die de Heere inneemt en nog veel minder voor den merkwaardigen tijd van Zijn leven. De Heere Jezus is voor hen de van God gezonden profeet, die met Zijn machtig woord de sluimerende Israëlieten tot nieuw leven zal wekken. Zij hooren gaarne Zijn woord ; het maakt indruk op hen, als Hij weer laat zien dat de wet geestelijk is en dat het niet aankomt op een onderhouden van uiterlijke geboden, maar op een veranderde gezindheid des harten. Zij gaan iets zien van den verkeerden weg waarop ze zijn ; ze willen breken met het leven der zonde, en daarbij is hun hoop gevestigd op den machtigen invloed die er van Jezus uitgaat. Hij zal hen maken tot andere menschen, tot waardige onderdanen van het Koninkrijk dat Hij stichten gaat.
Maar langs welken weg de Heere Jezus dit alleen bereiken kan, is hen nog niet duidelijk geworden. De Heere heeft wel al dikwijls gezegd, dat Hij zal moeten lijden en sterven, dat Hij Zijn leven voor de Zijnen zou zetten, maar dat wilden de discipelen niet aanvaarden. Dan was het : Heere, wees U genadig, dat zal U geenszins geschieden. En al werden ze dan bestraft en moesten ze zwijgen, het rechte licht brak toch niet door en de discipelen bleven staren op Christus als den Koing Israels, die Zijn volk zou verlosen en regeeren. Zij zagen in Hem nog niet den grooten Hoogepriester, die zichzelf zou offeren tot een verzoening voor hun zonde.
En daarom had de persoon van Jeus, bij al de aanhankelijkheid die ze Hem betoonden, toch in hun leven nog niet de allesbeheerschende plaats ingenomen. Jezus was wel veel voor hen, daar waren ze van overtuigd, maar Jeus was nog niet alles voor hen. Daarom staan ze zoo vreemd tegenover die vrouw, die het door middel van haar flesch met kostbare zalf belijdt, dat de Heere Jezus alles voor haar is. De discipelen denken er niet aan eens na te gaan of achter die daad een liefhebbend hart verborgen kan zijn ; ze komen met hun menschenwijsheid en menschenberekening aandragen. Ja, naar menschenberekening was de daad van die vrouw schandelijke verkwisting, was het duizendmaal jammer dat zooveel kostbare zalf verspild werd. Maar naar goddelijke wijsheid en goddelijke berekening was 't winst, omdat aan Jezus nooit iets verspild kan zijn, dat een arm zondaar Hem toebrengt.
Achter de daad van die vrouw lag verborgen, dat ze met haar hart den persoon van Jezus toebehoorde, dat Hij voor haar het één en het al was.
Bij de discipelen was dat nog niet zoo en daarom moeten zij door dit voorval terecht gewezen worden. De discipelen beschouwden Jezus voor een deel nog met het oog van den natuurlijken Israëliet, die alleen een Messias kon zien die op heerlijke wijze over Zijn vijanden triumpheerde. Zij droomden van een verhoogd worden met Christus en wilden niet weten van een gaan met Hem door de diepte, door de diepte van eigen zonde en schuld. En eerst in het laatste geval wordt Jezus de Zaligmaker in den vollen zin van 't woord, aan Wien de zondaar zich geheel en al overgeeft. Wie die overgave niet kent, moet altijd vreemd blijven staan tegenover zondaren, die wèl zich zelven hebben leeren verliezen. En die komt er ook zoo licht toe zich in afkeurenden zin uit te laten over het leven, dat in Christus opgaat. Dat wordt dan dweperij en onverstand genoemd. En als het daar dan nog maar bij bleef, maar dan gaan we ook nog aan onzen wereldzin en ons gebrek aan waar leven in Christus een vromen schijn geven !
De discipelen zeiden ook : Die zalf had boven de driehonderd penningen verkocht kunnen worden en die den armen gegeven worden. Zoo meenden ze hun wrevel tegenover die vrouw te rechtvaardigen. Want dat stond den discipelen niet aan, dat er een vrouw kwam die het betoonde dat zij alles voor den Heere Jezus over had. Zij wilden de ware discipelen van den Heere Jezus zijn en trachtten nu hun gebrek te verbergen achter die schijnvrome woorden.
En zoo moeten ook wij voorzichtig zijn om onze geestelijke armoede niet te willen verbergen achter schoonschijnende uitvluchten. Als we gewezen worden op onze aardschgezindheid, op onze bezorgdheid voor het tijdelijke, dan zijn we zoo spoedig klaar met te zeggen : Maar het is toch onze roeping om ook voor het aardsche, wat God ons schonk, te zorgen. En dat is op zichzelf wel een waarheid: , zooals het waar is, dat de armen met goede middelen voorzien moeten worden. Maar het moet niet voorop staan. Eerst het Koninkrijk Gods ! Zooals de vrouw in haar daden sprak : Eerst den Heere Jezus mijn leven toegewijd !
En zal dat bij ons gevonden worden, dan moet Jezus voor ons zijn de Heiland, die ging lijden om onze zonde te dragen en ons het leven te schenken. En dan zijn wij zoo geneigd te zeggen : Maar dat is zulk een groote zaak, om dat lijden van Christus ons toe te eigenen als een lijden voor onszelf ! Dat durf ik zoo maar niet, ik zou mij eens kunnen vergissen. Neen, daar moet ik eerst zekere gronden voor hebben. En 't zoeken van die gronden bestaat dan dikwijls daarin dat men bij algemeen erkende geloovigen eens gaat informeeren wat of zij toch wel ervaren hebben.
Indien één geschiedenis uit Gods Woord ons kan leeren dat dat de verkeerde weg is, dan is het wel de geschiedenis van onzen tekst. De vrouw in die geschiedenis heeft niet gevraagd: Zou dat wel goed zijn, om den Heere Jezus te gaan zalven ? Ben ik dat wel waardig om op zoo openlijke wijze mijn liefde voor den Heiland te belijden? Zou dat wel echt werk bij mij zijn, als ik Jezus zoo'n eerbewijs schenk?
Neen, ze komt niet met menschelijke redeneeringen, maar gaat tot Jezus gedreven door den liefdedrang des harten. En dat is gewoonlijk onze fout: wij praten te veel over het geestelijk leven, wij gaan het aan alle kanten ontleden, we maken er stukjes en brokjes van. Maar indien het het werk des Geestes in ons hart is, dan worden we tot den Heiland getrokken, om bij Hem ziet, naar zijn moeder vlucht, om bij haar bescherming te vinden. Het kind gaat niet eerst denken : Zou mijn moeder mij wel willen beschermen ? Het kind peinst daar niet over, het weet maar één ding : het is mijn moeder. En daar ben ik veilig, zegt zijn hart.
En zoo hebben ook wij maar één ding noodig, dat ons hart zegt : Bij mijn Heiland ben ik veilig.
Maar nu zijn de menschen, die het weten kunnen, het daar niet mee eens. Neen, dat gaat zoo maar niet! Dat kunnen we in onzen tekst zien. De discipelen, die door Jezus waren onderwezen in den weg des heils en die het dus konden weten, protesteeren tegen de daad van de vrouw.
Maar dan komt de Heere Jezus goed keuren wat Zijn discipelen afkeuren : „Laat af van haar ; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan mij gewrocht."
Wat de discipelen afkeuren, noemt Jezus dus een goed werk. De Heere ziet verder dan de oppervlakte. Hij doorschouwt de roerselen van het hart.
De Evangelist Johannes vertelt ons, dat de naam van die vrouw Maria was, de zuster van Martha en Lazarus. Ja, die Maria was 'n wonderlijke figuur voor het natuurlijk oog. Maria, die altijd aan de voeten van den Heere Jezus zat, terwijl ze haar zuster Martha maar liet werken. Maar Maria had het goede deel gekozen, zooals ook nu weer haar werk een goed wenk was.
Maar dat goed, is geen goed naar aardschen maatstaf, maar alleen goed in het licht der eeuwigheid.
De Heere Jezus wees hen terecht die een oogenblik Zijn persoon achterstelden bij de armen. Eigenlijk was dat toch een grievende beleediging voor den Heiland, dat Hij niet alles waard zou zijn. Wat een blindheid ten aanzien van den persoon van Jezus Christus en van 't geen Hij voor hen ging doen ! Daarom duidt de Heere ook in die richting : „De armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt kunt gij hun weldoen ; maar mij hebt gij niet altijd." Zoo wijst Jezus op Zijn heengaan van deze aarde. Hij zal niet altijd bij hen blijven, Hij had daar vroeger reeds meermalen van gesproken, maar de discipelen wilden het niet aanvaarden en daarom kwamen zij nog met de nooden der armen aandragen, terwijl de tijd zoo drong, om van het laatste samenzijn met Jezus zooveel mogelijk vrucht te trekken.
En zoo gaat het ons ook : als ons oog niet verlicht is door Gods Geest, zitten we vast in het tijdelijke, terwijl we de genadegaven Gods aan ons voorbij laten gaan.
Maria had een oog, verlicht door den Heiligen Geest, en daarom kon haar werk een goed werk zijn. Jezus zegt van haar : Zij heeft gedaan hetgeen zij konde, zij is voorgekomen om mijn lichaam te zalven tot een voorbereiding ter begrafenis.
De Heere Jezus wilde hiermede niet zeggen, dat Maria ten volle geweten heeft, wat er met haar Heiland zou geschieden. Maria heeft er iets van gevoeld.
Jezus Zelf had meermalen gesproken van Zijn heengaan. De discipelen wilden daar niet van weten, maar Maria had deze woorden in haar hart bewaard. Zij begon er iets van te verstaan dat haar Heiland was de lijdende Heiland, die sterven ging. En toen werd Jezus haar nog oneindig dierbaarder, omdat zij wist: wat Jezus deed, deed Hij voor de Zijnen.
En van die gezindheid des harten was haar zalving de uiting. Zij zalfde haar Heiland, die ten doode ging. En die zalving van Maria, die vrucht was van wat in haar hart leefde, heeft Christus hier verheven tot een openlijk teeken van hetgeen Hem overkomen zou : dat Zijn sterven onder zulke omstandigheden zou plaats vinden, dat er geen tijd mieer zou zijn om Hem een begrafenis te schenken, waarbij de gewone toebereidselen in acht konden worden genomen.
De discipelen hebben op dit openlijk teeken geen aoht gegeven.
En hoe zal het dan met ons zijn, waar we in gedachten weer staan aan het begin van Christus' lijden ? Zal er bij ons iets van die Maria-gestalte gevonden worden?
De Heere Jezus zeide : „Voorwaar zeg ik u, alwaar dit Evangelie zal gepredikt worden in de geheele wereld, daar zal tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft."
Groote eere voor Maria !
Maar ernstige roepstem tot ons !
Maria wordt ons zoo ook tot een voorbeeld gesteld. Maar dan tot een voorbeeld, dat ook veel vertroostends heeft. Maria verstond geenszins ten volle, wat er met Jezus ging geibeuren. Maar ze mocht zioh aan Hem overgeven, aan Hem, naar Wien haar hart uitging.
En zoo behoeven ook wij niet ten volle te verstaan de hoogte en de diepte van het lijden van Christus, om Zijn deel dan pas te kunnen worden. Beginnen wij met ons, in onze verlorenheid in zonden en misdaden, aan Hem toe te vertrouwen. „Mijn zoon, geef mij uw hart", zegt de Heere Jezus. En dat wij dan zoo, in de overgave aan Jezus, met Hem Zijn lijdensweg mogen betreden. Dan zullen de lijdensweken ons tot zegen zijn. Dan zal het worden waarlijk een sterven met Christus, om dan met Hem te verrijzen tot een nieuw, eeuwig leven !
M.
B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's