De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden.

23 minuten leestijd

Van dr. Severijn ontvingen wij onderstaand stuk, dat wij op zijn verzoek in ons blad opnemen.
„Ons Kerkelijk Standpunt".
Onder dezen titel deed het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond de beide artikelen in brochurevorm verschijnen, welke In „De Waarheidsvriend" van 28 Dec. 1923 en 4 Jan. 1924 reeds werden gepubliceerd. Aangezien geen gering deel van de brochure aan de bestrijding van het Omtwerp van de Commissie van Advies is gewijd, meenden wij, dat wij niet mochten nalaten de Redactie der Waarheidsvriend te verzoeken, om ook ons woord een plaats te geven, zoodat het euvel, eener eenzijdige inlichting en voorlichtlng, waaraan het Hoofdbestuur zich heeft schuldig gemaakt, hier door eenigermate werd hersteld.
Misschien kan dit zijn nut hebben voor hen, die in de kerkelijke vraagstukken onder de leden van den Bond en daarbuiten belangstellen, te meer, daar het ontwerp van de Commissie van Advies noch ter conferentie met die Commissie, noch in de ledenvergaderimig van den Bond of zelfs maar in het orgaan tot een onderwerp van bespreking en wederzijdsche gedachtenwisselinig werd gemaakt.
Overigens zijn wij verheugd, dat het Hoofdbestuur aanleiding vond om zijn kerkelijk standpunt uiteen te zetten, zij het ook in een vorm, die duidelijk de kenmerken draagt van de omstandigheden, waaronder deze brochure werd geboren. Want hoewel men het kerkelijk standpunt, dat het Hoofdbestuur inneemt, daaruit kan leeren kennen, wij missen in de brochure een principiëele uiteenzetting van zijn standpunt, dat onder alle omstandigheden een richtsnoer kan zijn. Het eerste deel der brochure bepaalt zich toch hoofdzakelijk tot het standpunt, dat het Hoofdbestuur heeft ingenomen tegenover het ontwerp van de Commissie van Advies, terwijl het tweede deel meer apologetisch van karakter de bedoeling verraadt om te verdedigen, dat die houding in overeenstemming is met het streven van den Gereformeerden Bond volgens zijn Statuten en geschiedenis.
Wij willen echter trachten uit hetgeen ons hier geboden wordt de argumenten bijeen te brengen, welke ons den grondslag kunnen doen kennen, waarop het Hoofdbestuur zich heeft gesteld, om vervolgens de aandacht te vestigen op de critiek, die het oefent ten aanzien van het ontwerp der Commissie van Advies, en ten slotte de verdediging vam zijn houding te beschouwen.

a. Het kerkelijk standpunt van het Hoofdbestuur.
Het lijkt ons van belang, niet alleen het kerkelijk standpunt van het Hoofdbestuur te kennen, maar ook op welk fundament het rust. Immers men kan wel een standpunt innemen en vandaar de dingen bezien, doch het is niet om het even of men op dien post vasten grond of een lossen bodem onder den voet heeft. Indien toch het standpunt van het Hoofdbestuur met recht ook voor het standpunt van den Gereformeerden Bond kan gehouden, gelijk het Hoofdbestuur meent en ook wil aantoonen en dit beteekenen zou (wat ons intusschen nog niet is gebleken), dat de leden van den Gereformeerden Bond in meerdenheid zich op hetzelfde standpunt stellen, staat en valt deze met den grond, waarop men zich heeft geplant.
Voor ons onderzoek kunnen de volgende gegevens dienen. Het Hoofdbestuur schrijft; (wij cursiveeren)
Zoo gaan we accoord met de opvatting aangaande het wezen der Kerk en met den eisch, dat de Openbaring der Kerk in het Instituut met haar wezen in overeenstemming moet „zijn."
Ook wij stemmen toe dat de organisatie voor de Kerk tot een knellenden band kan worden, gelijk dat het geval is met de Synodale Organisatie die in 1816 den Gereformeerden Kerken van Nederland werd opgelegd. Wij geloven dus ook dat deze Synodale Organisatie zoodanig behoort gewijzigd te worden, dat de plaatselijke Kerken zich weer in presbyteriaal verband kunnen organiseeren en er dus ook practisch weer een handhaven van de Gereformeerde Belijdenis zal kunnen zijn. (blz. 4 en 5).
En nu schijnt het ons toe, dat, hoe onze Kerk door de onwettige Synodale Organisatie van 1816 ook bekneld en gedrukt werd, haar belijdenis haar nooit ontnomen en zelfs nimmer aangetast is. Wij stemmen natuurlijk aanstonds toe, dat, dank zij de bestuursinrichting onzer Kerk eenerzijds en dank zij de slappe houding die de leden der Besturen ten opzichte van de Belijdenis vaak aangenomen hebben anderzijds, die Belijdenis niet gehandhaafd wordt en het tot op zekere hoogte zelfs ondoenlijk is haar te handhaven, aangezien er in de tegenwoordige inrichting onzer Kerk geen kerkelijke macht is om deze belijdenis naar haar eigen bedoeling, zoo noodig, te herzien."
Maar dat neemt het feit niet weg dat de historie het bewezen heeft, dat de bestuursinrichting onzer Kerk gelijk haar dat bij het ontstaan der Synodale Organisatie ook uitdrukkelijk was voorgeschreven, de leer der Kerk nooit gewijzigd heeft, en krachtens het bekende Artikel 11 van het Algemeen Reglement der Ned. Hervormde Kerk de handhaving der leer nog steeds mede beschouwd wordt als het hoofddoel van allen, die in onderscheldene betrekkingen met het kerkelij bestuur zijn belast." (blz. 5).
De belijdenis van het Instituut der Ned. Hervormde Kerk is dus voor ons nog altoos die ongewijzigde leer, ligt dus voor ons nog altoos in de Drie Formulieren van Eenigheid, zooals op de Synode van Dordrecht in 1618— 19 ten grondslag aan de Gereformeerde Kerken dezer landen werd gelegd. (blz. 6).
Deze beschouwing was de reden dat wij de Ned. Hervormde Kerk nooit beschouwd hebben als de valsche Kerk, waarvan wij geroepen waren ons af te scheiden.
Krachtens haar belijdenis is de Ned. Hervormde Kerk ondanks haar onwettige organisatie en ongereformeerde Bestuursinrichting voor ons nog de openbaring van het lichaam van Christus. Voor ons is dus de Ned. Hervormde Kerk als zoodanig nog de Kerk der belijdenis of wilt ge liever, niettegenstaande de vele niet belijders, die wederrechtelijk tot haar behooren, nog altijd een belijdende Kerk. (blz. 7).
Ziedaar de fundeering van het standpunt van het Hoofdbestuur : De Ned. Hervormde Kerk is een belijdende Kerk. Onze uitdrukking Kerk der belijdenis verstaat het Hoofdbestuur dus als „belijdende Kerk". Wij moeten ons tegen deze vertolking op zichzelf reeds verzetten, wijl een „belijdende Kerk" in den zin van het Hoofdbestuur nimmer kan vallen onder het begrip : Kerk der belijdenis, waarvan de Commissie van Advies uitgaat en daarom met kan gezegd worden de Ned. Hervormde Kerk is de Kerk der belijdenis, want dat is zij zeer zeker niet, gelijk dit ook uit de argumenten van het Hoofdbestuur kan worden aangetoond. Bovendien is de uitdrukking belijdende Kerk een pleonasme, want de Kerk is als zoodanig belijdend en is zij dat niet, dan is zij geen Kerk meer.
Indien het Hoofdbestuur zich rekenschap had gegeven van de uitdrukking : Kerk der belijdenis, door de Commissie van Advies op principiëelen grond gebruikt, zou het deze in zijn argumentatie van zijn kerkelijk standpunt niet hebben kunnen bezigen als thans is geschied. Juist in hetgeen de Commissie van Advies uitdrukt met Kerk der belijdenis en den zin, welken het Hoofdbestuur daarin leest, ligt het principiëel verschil van conceptie dat hier in kwestie is en het kerkelijk standpunt bepaalt. De Commissie van Advies gaat uit van de belijdenis der Gereformeerde Kerken van 1618— 19, terwijl het Hoofdbestuur niet van die belijdenis uitgaat, maar van 't feit, dat zij in 1816 in deposito werd gegeven bij de SynodaIe Organisatie, met opdracht haar ongewijzigd te bewaren en zonder bepaling van termijn van wederopzegging. Er is geen kerkelijke macht om deze belijdenis, ondanks haar eigen bedoeling, te herzien, en zoolang Artikel 11 gewaagt van de handhaving der leer is het slot op de safe van de organisatie. De Ned. Hervormde Kerk is een belijdende Kerk en mocht men het practisch niet gewaar worden, dan wordt men verwezen naar het Algemeen Reglement van een organisatie, die het Hoofdbestuur wel onwettig en ongereformeerd acht, doch eert in het getuigenis, dat de Belijdenis der Kerk nooit werd ontnomen en zelfs nimmer aangetast is.
Wanneer de Gereformeerde Kerken in haar wettige organisatie zelf over haar leer gewaakt hadden, zou er ongetwijfeld reeds lang aanleiding zijn geweest, dat een kerkelijke macht naar de bedoeling der Belijdenis zelve, ware overgegaan tot herziening en zou deze mogelijk ook wel gewijzigd of aangevuld zijn. Het Hoofdbestuur deelt mede, dat bij de tegenwoordige inrichting der Hervormde Kerk geen kerkelijke macht is om zulks te doen. Het Hoofdbestuur heeft hierbij dan toch gedacht aan gewichtige kerkelijke belangen, die ver boven het getwist van onzen tijd uitgaan en van hooge beteekenis zijn voor het leven der Kerk en niet kunnen verzorgd worden, omdat er geen kerkelijke macht is bij deze inrichting. Hier wordt dus scheiding gemaakt tusschen de kerkelijke macht en de Bestuursinrichtng, gelijk dit ook blijkt uit de zinsnede, waarmede het Hoofdbestuur zijn instemming betuigt, dat de Synodale Organisatie van 1816 den Gereformeerden Kerken van Nederland werd opgelegd. De Synodale Organisatie is dus geen kerkelijke macht in bovenbedoelden zin wettig en gereformeerd.
Hoe kan nu het Hoofdbestuur neerschrijven, dat aan de Kerk de belijdenis nooit werd ontnomen, terwijl het in hetzelfde geschrift erkent, dat er geen kerkelijke macht is om overeenkomstig de belijdenis met die belijdenis te handelen ? Een niet-kerkelijke macht heeft haar de wettige beschikking over de belijdenis onmogelijk gemaakt en moet men die ook nog bedanken, als zij niet daarenboven het pro memorie van Artikel 11 schrapt?
Ook is de belijdenis zelf nimmer aangetast volgens de meening van het Hoofdbestuur. Zeer terecht. In den tekst van de Drie Formulieren is geen letter door de Synodale Organisatie veranderd. Schoon er geen kerkelijke macht is, die dit wettig zou kunnen doen, en aan de Synodale Organisatie uitdrukkelijk was voorgeschreven zich van beslissing omtrent de leer te onthouden, gaat het Hoofdbestuur er blijkbaar niet zoo zeker op, dat het toch niet en dan door een onwettige en ongereformeerde Organisatie zou kunnen geschieden, want immers het legt er den nadruk op, dat de belijdenis zelfs nimmer werd aangetast. (Wij cursiveeren het woordje zelfs). Zoolang wij ons op het standpunt van het Hoofdbestuur stellen en den blik richten op de verborgen safe is dit in orde, doch nu keeren wij ons eens van het standpunt, dat het Hoofdbestuur inneemt naar de practijk.
Dan gelooft het Hoofdbestuur, dat deze Synodale Organisatie behoort gewijzigd te worden (omtrent den weg, welke daartoe leidt, vernemen wij bijster weinig), dat de plaatselijke Kerken zich weer in presbytertaal verband kunnen organiseeren. (Wij zouden willen vragen, moeten dan niet eerst de plaatselijke Kerken worden georganiseerd ? ) en er dus ook practisch weer een handhaven van de Gereformeerde Belijdenis zal kunnen zijn. (zie blz. 4).
Ergo het Hoofdbestuur stemt toe: practisch is er geen handhaven der Gereformeerde belijdenis. Is dat dan geen aantasten van de belijdenis ? En is het niet een voortdurend aantasten van de belijdenis, indien het Hoofdbestuur terecht opmerkt, dat het tot op zekere hoogte zelfs ondoenlijk is haar te handhaven ?
En nu zullen wij niet spreken over de Synodale wetgeving, die oi. op gewichtige dogmatische kwesties wel degelijk beslissingen heeft genomen welke zeer zeker de belijdenis raken, zooals b.v. inzake het Vrouwenstemrecht, wijl dit o.m. moet vallen onder dat deel van de beschouwing., waarin het Hoofdbestuur niet met de Commissie van Advies accoord gaat.
Ondanks alles houdt het Hoofdbestuur de Ned. Hervormde Kerk voor de (wij cursiveeren) openbaring van het lichaam van Christus. Op dat de willen wij geen zout leggen, doch men zou er uit kunnen lezen, dat het Hoofdbestuur alleen de Ned. Hervormde Kerk als openbaring van Christus' lichaam erkent, hoewel wij zulk een exclusivisme toch niet bij de leden van het Hoofdbestuur kunnen onderstellen. Het Hoofdbestuur beschouwt de Ned. Hervormde Kerk als een openbaring van Christus' lichaam krachtens haar belijdenis, d.i. krachtens de belijdenis der voormalige Gereformeerde Kerken in deze landen, die plechtig aan de hoede der Organisatie werd opgedragen en in ongeschonden staat in het archief werd bewaard. De Organisatie toch heeft geen belijdenis, wijl zij geen wettige kerkelijke Organisatie is. Wil men aan de Organisatie als rechtspersoonlijk lichaam een belijdenis toekennen,  hetgeen intussohen een ongerijmdheid zou zijn, dan moest zij als Organisatie lid van de Kerk zijn en zich aan de orde der Kerk, zijnde de openbaring van Christus' lichaam onderwerpen.
Het Hoofdbestuur kan dus niet de Organisatie Ned. Hervormde Kerk voor openbaring van Christus' lichaam houden krachtens de belijdenis der Gereformeerde Kerken, welke daar ligt in de Drie Formulieren, dus heeft een andere grootheid op 't oog. Bij deze uitdrukking werpt het Hoofdbestuur van het ingenomen standpunt weer een blik op het bekende Artikel 11 van het Algemeen Reglement.
Maar onderstelt nu, dat onverhoopt de zekerheidsstelling van Artikel 11 werd opgeheven, dan zou het Hoofdbestuur den grond onder den voet zien wegzinken en moest zijn standpunt v.c. opgeven, en wat dan ? Dan zou het wezen der Kerk geschonden zijn, immers het schrijft: „Het wezen der Kerk kan, naar het ons voorkomt, alléén geschonden worden door het ondergraven of het algeheel wegnemen van baar „belijdenis." Zoo zou het wezen der Kerk afhankelijk zijn van een reglementair artikel door menschen gemaakt en dat in kwaliteit van een kerkregeering, die door het Hoofdbestuur zelf onwettig wordt genoemd. Dit onwettig moet toch worden verstaan als in strijd met het recht der Kerk van Christus, zooals de Gereformeerde belijdenis dit recht ziet.
Wij gelooven van het Hoofdbestuur heusch betere dingen, dan het in dit kerkelijk standpunt verklaart. Wij houden het er voor, dat zij, die dit schreven, met ons het wezen der Kerk onaantastbaar en onschendbaar gelooven te zijn, gelijk de Schrift leert: „Ons leven is met Christus verborgen bij God."
Het Hoofdbestuur bedoelt wat anders, naar wij meenen. Het wil zeggen, dat een zichtbare Kerk, wanneer zij zoo diep gezonken is, dat zij haar belijdenis prijs geeft, geen recht meer kan doen gelden Om als openbaring van het lichaam van Christus erkend te worden. Doch zoodanige verwording van een kerk, dat zij het fondament des geloofs omver stoot, en daardoor het karakter verliest, dat haar tot openbaring van Christus' lichaam maakt, kan toch alleen plaats vinden, indien het waarachtige leven, der Kerk tot zulk een graad is verstorven, dat de uit de allengs gedeformeerde kerkelijke gemeenschap opkomende opzieners en als zoodanig wettige kerkelijke macht tot schending of algeheele wegneming der belijdenis vervalt.
Met de Ned. Hervormde Kerk staat het anders. Haar geschiedenis en die der Gereformeerde Kerken toont aan, dat mede onder invloed van niet-kerkelijke machten zoodanige deformatie en verachtering van kerkelijk leven plaats vond, dat de kerken in deze landen ter kwader ure zich lieten welgevallen dat een onwettige Organisatie werd opgelegd. Dit kwaad kon niet worden vergoed door de zekerheidsstelling van Artikel 11, wijl het niet gaat om een reglementaire formule, maar om een levende belijdenis.
De polsslag van het kerkelijk leven was verzwakt en daarom kon de Kerk worden ingekerkerd. Indien het leven geklopt had als in de dagen der Reformatie, ware het uitgebroken, zooals de belijdenis der vaderen getuigt: En opdat dit (n.l. het leven der Kerk), te beter mocht onderhouden worden, zoo is het ambt aller geloovigen, volgens het Woord Gods, zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen tot deze vergadering, het zij op wat plaats dat God U gesteld heeft; al ware het schoon zóó, dat de Magistraten en plakkaten der Prinsen daar tegen waren, en dat de dood of eenige lichamelijke straf daaraan hing. Daarom, al degenen, die zich van dezelve (d.i. van de Kerk, zooals de belijdenis des geloofs die voorstelt) afscheiden of niet daarbij voegen,  die doen tegen de ordinantie Gods. Deze worden dus niet gedwongen, maar aan de gerechtigheid Gods overgelaten.
Indien deze geest geleefd had bij de invoering der Organisatie van 1816, zou geen koninklijk bevel bij machte zijn geweest om in een verband te voegen, wat van de Kerk is en van de Kerk volgens haar belijdenis niet is. Doch die geest had reeds langer plaats gemaakt voor een tolerantie, welke de strengen der belijdenis had losgelaten.
Het wil ons echter voorkomen, dat 't Hoofdbestuur zich aan Artikel 11 niet zou vastklampen, ware het niet, dat er nog een belijdend volk werd gevonden. De belijdenis kon de organisatie in haar archief opleggen, doch het leven der belijdenis kon zij niet uitblusschen, noch opwekken. Dat is in hoogere Hand bewaard. De belijdenis der Kerk leeft nog ook binnen de perken der Synodale Organisatie, wijl de Kerk der belijdenis nog in het midden der Hervormde Kerk levensteekenen openbaart. Wil men dan van „belijdende Kerk" spreken, waarmede een niet-belijdende Kerk (men vergeve ons de contradictio in terminis voor een oogenblik) wordt geponeerd, dan is die er, omdat de Kerk der belijdenis nog niet ganschelijk verstorven is.
Van die Kerk der belijdenis ging de Commissie van Advies uit, als van een beginsel, dat niet door de omstandigheden wordt bepaald, maar een vasten grondslag biedt, daar wij aan haar schriftuurlijkheid in dit opzicht niet twij­felen, om van daaruit de kerkelijke kwestiën te overzien. 'Het Hoofdbestuur maakt 'den indruk van d% niet te hebben begrepen. Wanneer men spreekt van den God der Schriften, zal men dit toch niet eenvoudig omzetten in •de woorden : de schrijvende God, maar men zal daarbij verstaan : die God, dde zich in Zijn Woord bekend maakt en zooals Hij zich daarin openbaart. Op gelijke wijze leze men voor Kerk der belijdenis niet eenvoudig : belijdende Kerk, m.aar die Kerk, •welke ons door de belijdenisschriiften wordt voorgesteld en zooals zij ons daarin wordt voorgesteld.
Daar vinden wij de Kerk, zooals die in wezen en in haar openbaring door het geloof der vaderen beleden werd. Dat is het beeld, dat ons voor den geest komt, als men gewaagt van de Vaderlandsche Kerk, wat zij in de dagen van kracht was en naar welker realiseering de vaderen streefden.
Indien het Hoofdbestuur dus meent, dat het accoord gaat met onze opvatting omtrent het wezen der Kerk, zooals het schrijft, en dus met ons wil uitgaan van de belijdenis der Kerk, zal het perspectief worden verruimd en het zal zich bij de beschouwing van het kerkelijk vraagstuk niet alleen bezighouden met de Ned. Hervormde Kerk, maar den blik laten vallen op de gansche Kerk der belijdenis, waar zij zich openbaart ook buiten den tuin der Synodale Organisatie en binnen deze niet alleen practisch, maar ook theoretisch de Kerk der belijdenis onderscheiden van de niet-belijders, die tot de Kerk der belijdenis niet willen gerekend worden.
Het ware te wenschen, dat het Hoofdbestuur zijn standpunt kon inwisselen, en ziende op de zondige verbrokkeling van de Kerk der belijdenis, met allen, die hierover leed dragen, zich aangordde om naar eisch der belijdenis naar de openbaring en onderhouding van de eenigheid der Kerk te streven.

b. De critiek van het Hoofdbestuur op het Ontwerp van de Commissie van Advies.
Zooals reeds werd opgemerkt, bepaalt bet eerste deel van de brochure zich voornamelijk bij de bestrijding van het Ontwerp van de Commissie van Advies en met de gegevens omtrent zijn kerkelijk standpunt voor zich, kan 't niemand verwonderen, dat het. Hoofdbestuur schrijft, dat het zich in geenen deele daarmede vereenigen kan (blz. 8). En hoewel wij niet de critiek, welke de Commissie van Advies treft, aan nadere beschouwing zullen onderwerpen, maar ons bij die, op het Ontwerp geoefend, willen bepalen zij ons toch geoorloofd om op te merken, dat zulks wel is gebleken aan de Commissie van Advies, doch ten spijt van het getuigenis van het Hoofdbestuur, dat het in zijn leden overtuigd is van den goeden wil van de Commissie van Advies om 't kerkelijk probleem nader tot oplossing te brengen, (blz. 4), werd het Ontwerp nimmer tot punt van onderlinge bespreking tusschen Hoofdbestuur en Commissie van Advies gemaakt, zoodat de leden van de Commissie van Advies eerst thans langs den weg der brochure werden ingelicht omtrent het oordeel van het Hoofdbestuur over het Ontwerp, en vernemen, dat 't zich in geenen deele daarmede vereenigen kan. Het moge uit het voorafgaande reeds gebleken zijn, dat bespreking op zijn minst tot verheldering van begrippen had kunnen leiden.
Nog een opmerking zij ons vergund. Het Hoofdbestuur schrijft :
Het doet ons leed, dat, alvorens dit Ontwerp een punt van bespreking was geweest tusschen de Commissie van Advies en het Hoofdbestuur, (dit is het intusschen nimmer geweest), de zaak behandeld werd op het Convent van Gereformeerde Kerkeraden en vandaar uit reeds bij de Synode van het afgeloopen jaar aanhangig werd gemaakt.
Daardoor toch heeft, naar 't ons voorkomt, bedoeld ontwerp het hoofdstation bereikt. Had de Commissie in dezen den normalen weg bewandeld en het oordeel van het Hoofdbestuur eerst afgewacht, dan zou zij in ieder geval op den weg naar dat hoofdstation een wissel gevonden hebben, die op onveilig stond. (blz. 3)
Hier is men blijkbaar door de wissels het spoor bijster geraakt. Het rechte spoor van de Kerkeraden, volgens de Organisatie, waarin zij zijn gezet, loopt ongetwijfeld naar het hoofdstation, de Synode, en langs die lijn passeert men niet het station Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond, aangezien dit buiten de kerkelijke besturen ligt. Bovendien heeft het Hoofdbestuur volgens besluit der vergadering van den Gereformeerden Bond het wissel veilig gezet voor het Convent der Gereformeerde Kerkeraden, die als zoodanig het kerkelijk spoor voor zich hebben, dat leidt naar het hoofdstation. Afgezien van deze wisselgeschiedenis kan in het midden gebracht, dat de Commissie van Advies reeds den 22sten Maart 1923 het Ontwerp aan het Hoofdbestuur heeft verzonden, dat ongetwijfeld bij zoo grooten afkeer van het Ontwerp niet lang heeft noodig gehad om zijn bezwaren te overwegen en kenbaar te maken. Het doet ons leed, dat dit niet eerder is geschied.
De bezwaren van het Hoofdbestuur zijn tweeerlei : principieel en practisch. Het eerste, indien gegrond, is van het meeste gewicht, het tweede is aannemelijk. Practiscbe bezwaren zullen zich steeds ook bij de meest principiëele overeenstemming kunnen voordoen, doch principieel bezwaar op zulk een voornaam punt als hier aan de orde is, terwijl men beiderzijds de Gereformeerde beginselen wil dienen, moest allereerst nader voor de vierschaar der beginselen gebracht. Nu zou men verwachten, dat 't Hoofdbestuur aantoonde uit de belijdenis der Gereformeerde Kerken, t.w. de Drie Fomulieren van Eenigheid : Commissie van Advies, uw ontwerp is in strijd met wat ons in die belijdenis omtrent het wezen der Kerk en haar Organisatie wordt geleerd. Doch wij zagen,
dat reeds het woord : „Kerk der belijdenis" door 't Hoofdbestuur niet werd genomen in den voorgestelden zin.

(Slot volgt).

TIETJERK, 15 Maart 1924.

Geachte Redactie,
Gaarne zouden we zien, dat onderstaande regelen een plaatse vonden in het Bondsorgaan „De Waarheidsvriend. Bij voorbaat onzen hartelijken dank.
Naar aanleiding van het stuk „Uit het kerkelijk leven" en een soort agitatie tegen het Hoofdbestuur betreffende de oplossing van het kerkelijk vraagstuk, wenschen we iets in het midden te brengen.
Vooreerst spijt het ons dat we in den Gereformeerden Bond min of meer de eenheid zien verbroken, doordat men verschillend denkt over het werk dat de Gereformeerden in het midden der Ned. Hervormde Kerk hebben te verrichten. Vooral doet dit ons leed als we zien op den steeds wassenden invloed van het Gereformeerde element. Het ware zoo te wenschen, dat die groei niet tegengegaan werd. Immers: eendracht maakt macht, tweedracht breekt kracht.
Verder willen we uitspreken dat we van harte instemmen met wat het Hoofdbestuur als haar meening is toegedaan. Wij voor ons kunnen niet meegaan met de ideeën van ds. Van Schuppen en zijn aanhangers. Wij vermogen niet te begrijpen, wat zij verstaan onder Kerkherstel. Wij meenen dat het vooral gaat om de prediking der aloude Waarheid weer op alle kansels der Ned. Hervormde Kerk te doen plaats hebben. Onze gedachte is dat Kerkherstel vooral ziet op niet-Gereformeerde gemeenten ; dat Kerkherstel doelt op de verdringing van moderne, ethische en alle on-Gereformeerde predikanten. In de laatste plaats zou men kunnen denken aan een meer gezonde Kerkopenbaring, wat het organisme betreft. Dat algeheele verdrijving van onzuivere predikanten nog zeer ver af is, weten we zeer goed. Dat 't misschien nooit zoover zal komen, is ook mogelijk. Maar daarin hebben we ons niet te verdiepen. Het is ook hier de roeping : ziende op het gebod en blind voor de toekomst.
We moeten bovendien niet vergeten dat er geen mensch in staat is de Hervormde Kerk te reformeeren, maar dat zulks alleen kan geschieden door God. We bedoelen daarmee niet, dat we bloot beschouwer moeten zijn. Dat wijst de groote ijver in ons Bondsleven wel anders uit. ledere gave voor de beide fondsen getuigt van ijver, ledere spreekbeurt, iedere verdediging der Waarheid, elk nummer van „De Waarheidsvriend" wijst er op. En dat al die dingen, gezegend worden is duidelijk zichtbaar. Kerkherstel is voor ons vooral : verdringing van niet-Gereformeerde predikanten van de Hervormde kansels. En die verdringing zal vooral plaats hebben, in den middellijken weg door, de werking van Leerstoel-en Studiefonds, door 't werk dat de Bond nu in allerlei vorm verricht.
Enkele in den laatsten tijd naar voren gebrachte ideeën wijzen op splitsing, afscheiding.
Wij vragen : Waarom wil men dit ? Kan men het niet langer uithouden in de huidige openbaring der Ned. Herv. Kerk ? Wenscht men in een zuiver organisme te leven ? Meent men, dat men dan zich er persoonlijk beter thuis gevoelt of verwacht men er voor de gansche Hervormde Kerk meer heil van ?
We vragen hier, omdat we het niet kunnen begrijpen.
Onze meening is, dat het Kerkverval en de ongezonde prediking te vinden is in gemeenten waar men van zuivere prediking is verstoken. Daar verandering te brengen, zooveel we kunnen, dat zij ons streven.
Men wekt met het verkondigen van splitsingsideeën den schijn, alsof het gaat om de Gereformeerde gemeenten in de Hervormde Kerk. Al werden al die Gereformeerde gemeenten verbonden als een soort onderdeel van de Hervormde Kerk, om te leven onder de beginselen van Gereformeerd Kerkrecht, dan zou men oi. niets verder komen met wat we toch wenschen : reformatie van de geheIe Hervormde Kerk. Gereformeerde predikanten op alle kansels.
Over de practiscbe bezwaren, die een uitwerking van splitsingsideeën met zich mee zou brengen, oordeelen wij, als leeken, niet.
Wij denken bovendien dat een Kerk hier op aarde toch steeds onzuiverheden zal blijven vertoonen. Hier breken we ook nu weer niet een lans voor de lijdelijkheid. „Verbreiden en verdedigen van de Waarheid" — gansch geen lijdelijk standpunt. Die verbreiding en verdediging zal, dunkt ons, het best geschieden in den door het Hoofdbestuur steeds aangewezen weg. Niet al krakeelende, niet al forceerende. Maar langzaam doorwerkende en bovenal in 't geloof op God vertrouwende. In den ijver voor Gods Koninkrijk zijn diegenen het machtigst, die leeren op God te leunen en alles aan Hem over te geven. Hard werkende, en dat toch in 't besef, dat men zonder God niets kan doen.De Heere alleen is bij machte Christus en Belial te scheiden. In de harten der menschen ; ook in de Kerk. Wie dat in waarheid ervaart, zal niet op eigen krachten steunen.
Wie de Hervormde Kerk liefheeft, verlaat haar niet; zal ook door daden van opbouw die liefde toonen.
Wij hopen, dat de Gereform. Bond steeds meer in kracht moge toenemen, dat hij voor verscheuring bewaard moge blijven. Wij wenschen het Hoofdbestuur en in het bizonder den eminenten Voorzitter en hoogst bekwamen penningmeester, die op 't meest actieve zijn aangewezen, al het noodlge toe en hopen dat hun werk niet afgetakeld wordt, maar dat ze zich steeds in meer aanhang mogen verheugen. Hopende, dat dit ons schrijven zijn nut mag hebben, verblijven wij met hoogachting,

Uw dw. dnr
J. DE VRIES.

Van de vele „ingezonden stukken", waaruit — behalve uit één — een zéér vriendelijke toon klinkt, nemen we bovenstaand op en zouden het gaarne hierbij laten.

M. v. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's