Stichtelijke overdenking.
Zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
iMattheus 11 vers 6.
Zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Zonder eenigen ophef, met niet het minste gedruisch, zijn des Allerhoogsten gangen over deze wereld.
Geheel in tegensteiinig met wat ge hier onder de menschenkinderen ziet gebeuren.
Wanneer hier iets nieuws wordt aangekondigd, gaat al maanden van tevoren de reclame vooraf. Op alle mogelijke wijze wordt gezocht de aandacht te trekken. Men neemt geen blad ter hand of daar staat het te lezen. Men kan zich nauwelijks wenden of keeren of daar prijkt het weer voor u in tergende letteren. Onuitgedaoht is het menschelijk vernuft om zijner medeschepselen aandacht een oogenblik te boeien.
God's gangen zijn precies omgekeerd. Mogen we u het verschil eens met een enkel voorbeeld aantoonen?
We volgen eerstelijk Zijn sporen in 't rijk der natuur.
Wat ziet ge hier gebeuren ?
Elken morgenstond opnieuw treedt de zon uit hare slaapkameren geruischloos. Elken uchtendstond vluchten bij haar komst de nachtschaduwen geruischloos. Noch de vroolijike lichtglanzen, noch de schuw zich wegpakkende schaduwen wisselen bij het in 't elkander overglijden één woord, 't Gaat alles geruischloos. De dag wordt geboren en die nacht wiekt heen zonder dat iemand 't hoort.
't Is met het verglijden van den dag in den macht niet anders. De schaduwen legeren zich zonder eenigen klank.
Eén ding moet worden opgemerkt, n.l. wat verstaat daarvan de mensch toch weinig. God volbrengt Zijn arbeid in de stilte en daar is nauwelijks iemand die het opmerkt.
Voordat we nu naar het geestelijke terrein onzen blik omwenden, wil ik nog even uw aandacht vestigen op wat we zoo straks weer daar buiten hopen te beleven. Dan springt de bladknop open en het bloemken maakt zich los uit hare omwindselen, 't is weer op dezelfde wijze : geruischloos. Hier is geen ophef; geen reclame, 't is enkel majesteit; alles grootheid. Wat gevaarlijk groot is, leeft in de stilte.
Kan het u verwonderen, dat Gods gangen in het rijk der genade, in het geestelijke, niet anders zijn ?
Hier wordt alles, wat ijdel geklank in heeft, gemeden.
Als de Christus komt op de aarde, is het stil. Daar staat bij Bethlehems poort geen eerewacht. Hier is geen heraut opgesteld, die Zijn komst gaat melden. Evenals een scheute uit de aarde zonder eenigen ophef zich doortocht baant, zoo wordt ook bij de komst des Heeren geen klank vernomen.
En als Hij, de Christus, is uitgegaan en opgetreden onder Zijn volk, is het op schrift dat boven Zijn leven moet worden geplaatst niet anders dan wat geschreven stond: „Hij zal niet twisten, noch roepen en daar zal niemand Zijn stemme op de straten hooren." Dat wil zeggen, elk ijdel gebaar, iedere gedachte, waarin het zoeken van Zichzelf voort, is afwezig. De Christus Gods zocht immers de aandacht te spannen voor zichzelven. Veeleer het tegenovergestele. Elke hand, welke een kroon hield opgeheven, werd ontweken. Elke volgeling die wenkte met een palmtak, werd afgewezen, totdat de kroon, gevlochten uit een doornenstok. Hem werd voorgehouden. Toen week Hij niet meer uit. En de palmtak liet Hij pas toen gewilliglijk nederliggen aan Zijn voet, toen het pad Hem henenwees naar Golgotha.
Wat een wonderlijke weg.
Wat een heerlijk pad voor dat volk,d at zoo gaarne in de stilte beluistert het ruischen Zijner voetstappen.
Wat er niets van verstaat en er maar een oog voor heeft, is ons natuurlijk begeeren, ons aardsche zijn, ons vleesch.
Ziet, dat teekent hiertegen protest aan. Zelfs Gods liefste kinderen worden dit van zichzelven telkens gewaar. Een Christus, Die zoo alle hoogheid mijdt, Die er alles aan geeft en Die dit ook van Zijn volgelingen vraagt, Hem in den kruisweg te volgen, kan geen vleesch bekoren..... Van daar ook dit schijnbaar onverstaanbare woord: „Zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden."
Ge weet waarschijnlijk zoo dadelijk 't verband niet, waarin deze woorden voor komen. Laat het mij u duidelijk maken.
Johannes de Dooper zit in de gevangenis en vangt aldaar verschillende klanken op welke door zijn discipelen voornamelijk tot hem worden overgedragen. Hij vat die wonderlijke gangen des Heeren niet, daar hij zich een heel andere voorstelling had gevormd van den gang der dingen. Vandaar de vraag: zijt Gij degene, die komen zoude of verwachten wij een ander ?
Stel 't u eens voor : daar dringen de discipelen van Johannes door de sterk op elkaar gepakte menigte heen.
De Heere weet wie ze zijn en wat voor boodschap ze meebrengen en van wien. Hoe zou het ons nu zijn gegaan ?
Zouden wij niet gezegd hebben : maar Johannes, hoe heb ik het nu ? Weet gij het ook al niet meer ? Is wat gij gezien en gehoord hebt voor u niet voldoende geweest? Wat gij gezien hebt is aan niemand schier te beurt gevallen. Twijfelt gij ook nog ?
Wij zouden een scherpe bestraffing hebben laten hooren.
Niets hiervan in des Heeren Woord. Zegt alleen maar wat gij gezien en gehoord hebt. En legt dit eens naast wat ge vindt in de rolle der Schriften. Slaat onder meer eens op wat ge leest in Jesaja 35.
Heerlijk, dat we alles zoo klaar en duidelijk in de Schriften weer kunnen vinden. Daar is in des Heeren leven en arbeid zulk een getrouw uit-en naleven van het Getuigenis Gods. Hij heeft nooit iets gedaan, noch gepredikt, of ge vindt daarvan de grondlijn reeds in 't Woord, Onderzoekt de Schriften, zoo zegt Hij dan ook, want die zijn het, die van Mij getuigen.
Ben Ik die Christus der Schriften, ja of neen.
Velen in onze dagen hebben het wel over den Christus, maar zij weten niet of Hij Zijn afbeeldsel vindt in 't Woord. Deze is de levende Christus, de Zaligmaker van zondaren, de eenige. Die onze zielen behoudt.
De discipelen van Johannes kregen de boodschap mee naar hun Meester : zegt hem wat gij gezien en gehoord hebt en onderzoekt of dat in overeenstemiraing is met de Profetieën.
En wat hadden zij nu kunnen zien ?
Dat de blinden ziende werden en de kreupelen wandelden, de melaatschen werden gereinigd en de dooven hoorden, de dooden werden opgewekt en den armen het Evangelie werd verkondigd.
De Heere stond temidden van 't volk als de groote Geneesmeester. Als zoodanig wil Hij Zijn naam zien uitgedragen.
Boodschapt Johannes — en zou deze boodschap ook niet verder mogen worden doorgegeven aan elke twijfelende ziel — Ik, de Heere, ben uw Geneesmeester, want wat Ik doe in het natuurlijke, doe Ik evenzeer in het geestelijke.
Hoort gij het wel, die over zooveel blindheid hebt te klagen ? Hij opent uwe oogen. Hoort gij het wel. die struikelt over elken steen ? Hij leert u wandelen.
Och, zegt ge, ik gevoel mij innerlijk als een melaatsche ; ik ben geheel onrein. Nu, dan is hier voor u genezing. Hij reinigt geheel en volkomen van elke zonde.
Dit Evangelie, zoo luidt uwe innerlijke overweging, heb ik al zoo vaak beluisterd ; het is evenwel alsof het mij voorbij gaat. Ik hoor het en ik hoor toch ook weer niet. 't Is alsof ik een doove gelijk.
Nu, dan heb ik voor u een boodschap : de dooven zullen hooren.
Ge hieldt nog ééne gedachte verborgen, 't Is met mij nog veel treuriger gesteld, 't Is alsof alle leven van mijne ziele is geweken. Ik heb aan geen belofte iets ; evenmin als ik me oprecht bedroef over de zonde, 't Is hier binnen zoo dood.
Wie zal daarin nu verandering kunnen brengen ? Wie denkt gij ? Is het u een druk, waaronder gij gebogen gaat, dan boodschap ik u : daar is ook voor u nog hope ; immers dooden worden opgewekt.
Dit Evangelie laat van den hoogen mensch, die meent Goode nog in ziohzelven te kunnen behagen, niet veel over. Doch daar staat ook iets tegenover. Dien niets meer heeft, dien in geestelijken zin alles mankeert, dien niets over hield, wordt hier een Evangelie vol van de rijkste Waarheden uitgereikt. Als het bij u eens wordt:
Ik ben een arme zondaar,
En anders niemendal, zoo komt er ruimte, ook voor het volgende :
Maar Jezus is mijn Heiland, Hij is mijn één, mijn al.
Aan armen wordt het Evangelie verkondigd.
Kan het liefelijker ?
Kan het schooner?
Hier behoeft nog geen penningske te worden overgelangd ; alleen een bedeaarsklacht : Ik heb niets meer.
't Wordt u heden wel dicht genoeg voor de voeten gelegd, arme en ellendige in uzelven. Gij, die tot heden altijd nog hebt kunnen uitwijken met: dit heb ik niet, en dat moet ik eerst nog vererven. Hier wordt ieder van uwe gebreken met name genoemd : gij klaagt over blindheid, hier is genezing; over struikelen, hier is een Helper ; over innerlijke bezoedeling, hier is een Reinigmaker. Ja, klaag maar over wat ge wilt, de Heere heeft in Zijn hand voor alles heil.
Als er in het geestelijke van voorwaarden gesproken mocht worden, zoo zou ik dan willen noemen : ge wordt zalig gesproken, als ge tot de ware geestelijk armen moogt gerekend. Ge moet iets meer hebben, opdat Christus voor u alles zal wezen.
Hebt gij het verstaan ?
Verliezen is winnen.
Zalig, die hieraan niet geërgerd zal worden.
Daar zijn er wat, immers dit is de grondlijn van ons leven, die aan deze Evangelieboodschap een ergernis nemen. Wij moesten niet eenmaal hebben uitgeblonken in allerlei deugdenglans, om hiermede nu nog genoegen te nemen. Dat is onmogelijk.
Het is nog niet lang geleden, dat iemand midden uit de wereld ook onder zulk een prediking kwam : de mensch niets dan schuldig ; niets hebbende ; de Christus alles, in Hem de volheid van genade.
Weet ge wat die persoon zeide? Nooit, nooit meer waag ik me onder zulk een prediking.
Deze had zich geërgerd aan zulk een Christus. Toch was er niet meer dan één wenk des hemels voor noodig, zoodat dezelfde lippen stamelden : niets is mij liever dan te hooren van dezen Heiland, die aan armen Zijne genade verheerlijkt.
Wanneer de Christus komt te staan in het rechte licht, dan fluistert de begenadigde : Hij is schooner dan alle menschenkinderen. Hij is mijn allerliefste.
Utr.
J. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's