De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

5 minuten leestijd

Nog eens het vioekverbod.
Enkele maanden geleden maakten we een paar opmerkingen inzake het vloekverbod. Dit geschiedde naar aanleiding van de verordeningen der Friesche gemeenten Wymbritseradeel en Wonseradeel, betreffende het vloeken, welke verordeningen door de Ged. Staten van Friesland, ter vernietiging werden voorgedragen, maar waaromtrent de Minister van Binnenlandsche Zaken van oordeel was dat ze bleven binnen 't gebied van de Gemeentewet, die ze aan des Raads verordenende bevoegdheid laat. Sindsdien is de zaak in de pers aan de orde gebleven. Het was daarbij de Gereformeerde Kerk, die over 't vloekverbod met de Nederlander in discussie kwam.
Laatstgenoemd blad had verklaard, dat het zich „met kracht en klem" tegen elk vloekverbod zou verzetten. Het Chr. Historisch orgaan sprak zelfs van geestelijke tyrannie en stelde de vraag of men niet wist, hoeveel bloed in ons land de verwerving van de geestesvrijheid heeft gekost.
Bovendien, zoo betoogde de Nederlander, moet men een dergelijke zaak als het vloekverbod met „zeer groote teederheid" behandelen, want, zoo ging het verder : men kan Gods Naam ook ijdel gebruiken, door de wijze waanop men een vloekverbod verdedigt.
Terecht kwam de Gereformeerde Kerk tegen het betoog van het blad in verzet, met er op te wijzen : „dat ons wel bekend is, dat onze Vaderen gestreden hebben voor gewetensvrijheid, d.i. voor vrijheid om God te dienen naar die inspraak van het geweten, maar wij hebben nooit gehoord, dat zij hebben gestreden voor vrijheid om goddelooslijk den Naam des Heeren aan te randen. Dat zouden zij geen vrijheid, maar bandeloosheid genoemd hebben, en ze zouden zeker raar hebben opgehoord, hadden zij vernomen, dat de Nederlander hen betichtte daarvoor te hebben gestreden.
Ook zag de Gereformeerde Kerk in de argumentatie van het Christelijk Historisch orgaan een „Ethisch bedrijf, dat hierin naar voren trad, dat men den voorstanders van een vloekverbod aanwrijft, dat ze Gods grooten Naam ontheiligen, terwijl, wanneer het tegen de Dageraadsmannen gaat, die lezingen houden over : „God is het kwaad", in zulke lezingen nog wel edele motieven opmerkt.
Intusschen, wat de Nederlander leeraart, brengen de Christelijk Historischen ook in practijk.
Dit bleek die vorige week overduidelijk, toen in de gemeente Zwartsluis de Politie-verordening terzake Van een vloekverbod werd gewijizigd en in dier voege werd vastgesteld :
Het is verboden den Naam Gods vloekende in het openbaar te gebruiken. Het is verboden in het openbaar of van de openbare straten of wegen of van den open grond daaraan uitkomende, zichtbaar op welke wijze of door welk middel ook, God te hoonen of te lasteren. Overtreding van een der bepalingen van dit artikel wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of een geldboete van ten hoogste 25 gulden, de beide Christelijk Historische raadsleden met de drie Vrijzinnigen hunne stem tegen de wijziging uitbrachten. Echter met de zes Antirevolutionaire stemmen ging de wijziging er door.
Inmiddels blijft de zaak van 't vloekverbod aan de orde. Een krachtige stoot zal daartoe ongetwijfeld geven het advies, dat dezer dagen verscheen en waarvan we hieronder de conclusies laten afdrukken.

Strafbepalingen tegen Godslastering en vloeken.
Het Centraal Comité van Antirevolutionaire kiesvereenigingen noodigde bij schrijven van 24 November 1922 en 13 Maart 1923 ingevolge eener ter Deputatenvergadering gedane toezegging de heeren mr. J. P. Chardon, dr. J. Ridderbos, mr. V. H. Rutgers, P. A. Schwartz en mr. J. Wedeven uit, de Partij te willen dienen met bestudeering van een advies omtrent deze vragen :
Ie. Moet het gewenscht worden geacht, dat van Overheidswege — hetzij bij Rijkswet, hetzij bij gewestelijke of plaatselijke verordening — strafbepalingen worden gemaakt tegen Godslastering en vloeken ?
2e. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, in welken geest zijn dan deze bepialingen op te stellen ?
Dit advies is thans bij den uitgever J. H. Kok te Kampen in druk verschenen. De commissie komt tot de volgende conclusies :
1. De openlijke Godslastering, voor zoover zij het karakter draagt van een hoonen of smaden van God, behoort in de Nederlandsche Strafwet strafbaar te worden gesteld, omdat eene dergelijke ontheiiliging van Gods Naam een zoo krasse inbreuk is op de goede zeden, die ten opzichte der gedraging jegens den hoogsten Souverein onder eene Christelijke natie behooren te gelden, dat de Overheid, als zijnde voor baar deel en op hare wijze handhaafster van Gods wet, haar niet straffeloos mag gedogen.
2. Daar de Heilige Schrift (ook gezien het feit dat eene strafbepaling tegen het vloeken in de Mozaïsche wetgeving niet wordt gevonden), geen grond geeft om zonder meer te zeggen, dat eene Overheid, die het vloeken niet strafbaar stelt, schuldig staat voor God; en daar thans in Nederland een algemeen vloekverbod niet genoegzaam steun in de valksconsciëntie zou vinden en ook om andere oorzaken bezwaarlijk te handhaven zou zijn, kan, zoolang die volksconsciëntie niet ten goede is omgezet, eene algemeene strafbaarstelling van het vloeken noch als eisch van Gods Woord noch als wenschlijk worden beschouwd.
3. Zoolang eene Rijkswet (tegen Godslastering en) tegen 't vloeken niet bestaat, kan de plaatselijke Overheid (de openlijke, hoonende Godslastering en) het openlijke vloeken strafbaar stellen ; ze behoort dit te doen (wat de Godslastering betreft overal waar daartoe aanleiding bestaat en) wat het vloeken betreft in die Gemeenten, waar men op goede gronden kan verwachten dat een dergelijk verbod genoegzamen steun zal vinden in de volksconsciëntie.
4. Het behoort tot de roeping der Overheid, op die terreinen, waar zij bijzonder zeggenschap heeft en haar dientengevolge andere middelen tot wering van Godslastering en vloeken ten dienste staan dan algemeene strafbepalingen, van deze middelen een gepast gebruik te maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's