De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Huiscatechisatie.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Huiscatechisatie.

De leer der Heilige Schrift.

12 minuten leestijd

41. Vraag : Hoe staat de Gereformeerde inzake het gezag der Heilige Schrift tegenover Rome en hoe tegenover den Vriizinnige ? Antwoord: Leert Rome, dat de Kerk de draagster der waarheid is en aan de Schrift haar gezag geeft, waarbij de Kerk met traditie of overlevering aanvullend te werk gaat — en leert de Vrijizinnige, dat het eigen geweten het hoogste richtsnoer is, waarbij de Bijbel op zij geschoven wordt — de Gereformeerdie leert, dat het geschreven Woord van God 't eind van alle tegenspraak is en dat de Heilige Schriften wijs kunnen maken tot zalig­heid een iegelijk die gelooft. (2 Tim. 3 vers 15 ; Matth. 5 vers 10).
42. Vraag : Wat verstaan wij over de noodzakelijkheid der Heilige Schrift; Antwoord : De Reformatie leerde, dat de Heilige Schrift niet alleen nuttig en goed is, maar ook beslist noodzakelijk voor den mensch. Het heeft den Heere des hemels en der aarde behaagd alleer, door Zijn Woord ons den weg der zaligheid bekend te maken, zoodat buiten Zijn Woord geen bekendheid is van den weg der genade, die ten leven leidt. Rom. 10 vers 17 : „Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods."
43. Vraag : Neemt de noodzakelijkheid der Heilige Schrift toe of af in onze dagen ? Antwoord : Naarmate de menschheid grooter wordt en de leugen brutaler zich aanbiedt overal, neemt de noodzakelijkheid van de Heilige Schrift toe. Niet wat de menschen voordragen als waarheid, maar wat God Zelf in Zijn Woord heeft geopenbaard, zal tot wijsheid en tot vrede kunnen dienen in den weg des geloofs. Marc. 16, vers 15b : „Predikt het Evangelie allen creaturen."
44. Vraag : Wat stellen velen in de plaats van de H. Schrift : Antw. : Velen laten zich leiden door het z. g. n. „lumen internum", 'd.i. het inwendig licht en maken de Heilige Schrift tot hun dienstmaagd. De Ethischen nemen „de ervaring" en „het geloof der gemeente" als uitgangspunt en norm. Wat men aan eigen hart geniet, dat is waar, — zegt men. Dat subjectieve, dat spontane bekoort, maar het kan geen bron der waarheid zijn. Dat is en blijft de Heilige Schrift, welke de Heilige Geest wil gebruiken om Gods kinderen te leeren, te waarschuwen, te troosten en te sterken al de dagen des levens.
45. Vraag : Wat verstaan wij onder de duidelijkheid der Heilige Schrift ? Antwoord : Het wil niet zeggen, dat tot recht verstand van den Bijbel geen kennis noodig is van allerlei historische of oudheidkundige bizonderheden. Want zonder die kennis laat de Schrift zich in menig opzicht niet recht verstaan. Ook wil het niet zeggen, dat de Heilige Schrift zonder uitlegkundige moeilijkheden is. Want er zijn zelfs vele dingen in, die zwaar zijn om te verstaan, ook al omdat zij nog op vervulling wachten. Maar wat het wel wil zeggen is dit, dat Gods Woord klaar en helder en duidelijk is wat den weg des heils en wat den wil Gods betreft. Daar Iaat de Schrift den heilbegeerigen lezer niet in den steek, ook den eenvoudigste niet. Psalm 19 vers 8b : „De getuigenis des HEEREN is gewis, den eenvoudige wijsheid gevend." Ps. 119 vers 105 : „Uw Woord is een lamp voor mijnen voet en een licht voor mijn pad."
46. Vraag : Wat is een gevolg van Rome's loochening van de duidelijkheid van de Heilige Schrift ? Antwoord : De Roomsche Kerk loochent de duidelijklieid van de Heilige Schrift en wil daarom niet, dat de leeken den Bijbel lezen, daar dit niet anders dan groote verwarring en velerlei dwaling moet geven. De Priester (de Kerk) is de drager der waarheid en de Kerk geeft zelve in traditie of overlevering een regel voor geloof en leven. De Heilige Schrift wordt door Rome onderdrukt en leeft niet in de pauselijke Kerk.
47. Vraag : Wat zijn daar de vruchten van voor het kerkelijk en godsdienstig leven bij Rome ? Antwoord : Bij Rome wordt de ware godsdienst verstikt door Mariadienst, heiligenaanbidding, beeldendienst, reliquieënvereering, enz. Alle specifiek Roomsche leerstukken zijn uit de traditie gegroeid, terwijl de Christelijke Kerk al hare leerlingen uit de Schrift afleidt.
48. Vraag : Wat leeren de Gereformeerden ingevolge de duidelijkheid van de Heilige Schrift ? Antwoord : De Heilige Schrift heeft het vermogen haar eigen uitlegster te zijn, wat Rome ontkent. De Gereformeerde Kerk heeft dan ook altijd het woord van den Heiland overgenomen met toepassing voor jong en oud: „Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben en die zijn het die van Mij getuigen." Joh. 5 vers 39. (2 Tim. 3 vers 15 : „van kinds af in de Schriften onderwezen.") Daarbij belijdt de Gereformeerde, dat de duistere plaatsen der Schrift worden verklaard door de duidelijke. En dat de grondgedachten der Schrift dienen tot opheldering van de onderscheidene deelen. Schrift moet met Schrift worden vergeleken, waarbij de Schrift moet blijven het boek der Godsopenbaring tot zaligheid en niet een autoriteit op wetenschappelijk of historisch gebied moet worden gemaakt, dewijl zij zelve zich als zoodanig niet presenteert.
49. Vraag : Wat wil het zeggen, als wij de Heilige Schrift volledig en genoegzaam noemen ? Antwoord : Het wil niet zeggen, dat de Heilige Schrift van alle wetenschappelijke vraagstukken en alle mogelijke geschiedenissen een volledig en genoegzaam relaas geeft, want zoó doet de Schrift zich niet voor en zoo geeft zij zich niet uit. Maar het betekent wel, dat wij en alle menschen om God recht te kennen tot Zijn eer en tot zaligheid van zondaren buiten haar niets anders noodig hebben. Gal. 1 vers 8 : „Dooh al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt." (Psalm 19 vers 8).
50. Vraag : Hoe spreekt de Ned. Gel. belijdenis in art. 7 over die volkomenheid en genoegzaamheid der Heilige Schrift ? Antwoord : Art. 7 Ned. Gel. belijdenis zegt: „Wij gelooven, dat deze Heilige Schrift den wil Gods' volkomen bevat en dat al hetgeen de mensch schuldig is te gelooven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt."
51. Vraag : Waar Ioopt in deze tussohen Rome en de Reformatie het geschil over ? Antwoord : Het geschil tusschen Rome en de Reformatie loopt hier over, of er nu, nadat de Schrift voltooid is, nog een amder Woord Gods in onbeschreven vorm daarnaast moet bestaan of niet. Rome zegt: ja ; de Reformatie zegt : neen !
52. Vraag : Wat leert het Vaticaansch Concilie hieromtrent ? Antw. : Het Vaticaansch Concilie heeft in 1870 vastgelegd, dat „de Kerk de goddelijke openbaring vindt neergelegd in de Heilige Schrift en de ongeschreven traditie waarin de geopenbaarde waarheden bewaard blijven. Dit geloofspand is niet aan de willekeurige interpretatie (uitlegging of verklaring) van iederen geloovige toevertrouwd, maar aan het onfeilbaar leergezag der Moederkerk, hetwelk feilloos en met gezag den geloovige de schatten der openbaring meedeelt."
53. Vraag : Wanneer is de Kanon der boeken des Ouden Testaments vastgesteld ? Antwoord : Sedert de dagen van Ezra en Nehemia, ongeveer 432 vóór Christus, is de lijst der boeken van het Oude Testament, 39 in getal, vastgesteld. (2 Macc. 2 vers 13).
54. Vraag: Tegen welke boeken werden eerst wel bezwaren ingebracht ? Antwoord : Tegen het boek De Prediker, als te twij'felaohtig; tegen Het Hooglied ais te realistisch en te weinig godsdienstig ; tegen het boek Esther, omdat de naam God er niet in voorkomt. De Kerk heeft ten spijt van deze bezwaren ook deze boeken onder de heilige boeken opgenomen, omdat zij, van Ood gegeven, strekken tot Zijn eer en wijs kunnen maken tot zaligheid.
55. Vraag : Wanneer is de Kanon der Nieuw-Testamentische boeken vastgesteld? Antwoord : De volledige verzameling der Nieuw-Testamentisohe geschriften, 27 in getal, is door de algemeene Christelijke Kerk erkend in de tweede helft der 4de eeuw. (363 Concilie van Laodicéa ; 393 Concilie te Hippo Regius).
56. Vraag : Zijn er behalve de 66 Kanonieke boeken nog andere geschriften in de Kerk bewaard ? Antwoord : Behalve de 66 Kanonieke boeken, die door de Kerk als echt erkend zijn en samen het richtsnoer voor leer en leven, voor belijdenis en wandel uitmaken (bet Grieksche woord Kanon beteekent: maatstaf, richtsnoer, regel), zijn er ook nog de Apocriefe (verborgene) boeken, van welke geschriften wij wel ide historische waarde, maar niet het goddelijk gezag erkennen.
57. Vraag : Hoe hebben de Gereformeerde Vaderen zich tegenover die Apocriefe boeken gesteld ? Antwoord: Onze Gereformeerde Vaderen hebben ze vertaald en hebben ze achter in den Staten-Bijbel (1637) laten drukken, toegelicht door een inleidend woord, waarin betoogd wordt, dat, hoewel ze niet beschouwd worden als van Goddelijke autoriteit te zijn, ze uit een geschiedkundig oogpunt en voor de kennis van zeden, én gewoonten wel gebruikt mogen worden.
58. Vraag : Wat beteekent 't woord apocrief ? Antwoord : Apocrief beteekent : niet als echt erkend ; geen onvoorwaardelijk geloof verdienend ; verdacht. De Apocriefe boeken zijn de boeken, in onze Staten-vertaliing voorkomend, welke niet door de Kerk als echt erkend zijn. Ze zijn 13 in getal, o.a. het 3de en 4de hoek van Ezra ; het boek Tobias, de Spreuken van Jezus Sirach, aanhangsel aan het boek Esther en Daniël, het gebed van Manasse, het 1ste, 2de en 3de boek der Maccabeën,

HOOFDSTUK III.
DE LEER VAN GOD.
I. Gods wezen.
1. Vraag: Is God kenbaar? Antwoord : Van God kennen wij niets dan uit Zijn openbaring. Nu God Zich geopenbaard heeft is God dus kenbaar.
 2. Vraag : Heeft de mensch iets aan die openbaring Gods ? Antwoord : De mensch, als geschapen naar Gods beeld, kan die openbaring Gods verstaan ; hoewel het beeld Gods in den mensch geschonden en gebroken is en God bovendien in Zijn kenbaarheid altijd de Verhevene en de Onbegrijpelijke blijft.
3. Vraag : Is God te kennen hetzelfde als God te begrijpen ? Antwoord : Wij kunnen God kennen voor zooveel Hij Zich aan ons geopenbaard heeft, maar God is groot en wij kunnen Hem niet begrijpen. (Job 36 vrs. 26; Job 11 vers 7 ; Ps. 145 vers 3.) Het eindige is niet in staat het oneindige te bevatten.
4. Vraag : Wie leerde de onkenbaarheid Gods ? Antwoord : Door en sedert Immanuël Kant (hoogleeraar in de wijsbegeerte te Koningsbergen; 1770), is de leer van de onkenbaarheid Gods hoe langer hoe meer doorgedrongen in het bewustzijn van den nieuweren tijd. Des menschen denken is stoffelijk, eindig en beperkt en kan zich, zoo leert men, niet opheffen tot de wereld der onzienlijke dingen. Dit rationalisme (toepassing van de rede op alles) moet leiden tot agnosticisme (niet-weten van het wezen der dingen), want met ons verstand kunnen wij ons geen kennis van God scheppen. God is alleen te kennen in den weg der Zelf-Openbaring.
5. Vraag : Hoe is God dus te kennen ? Antwoord : De Oneindige en Verhevene God, die verre boven ónze voorstelling, gedachte en taal uitgaat en in Zichzelf onkenbaar is voor ons, heeft Zich in de wereld der schepselen hier beneden geopenbaard, zoodat wij Hem niet kunnen begrijpen, maar wel kennen.
6. Vraag : Waarop berust bij den christen de zekerheid omtrent het bestaan van God ? Antwoord : De zekerheid omtrent het bestaan van God rust bij den geloovige op de Heilige Schrift en is een zaak niet van weten, maar van gelooven ; niet van 't hoofd, maar van het hart.
7. Vraag : Kunnen wij het bestaan van God wetenschappelijk bewijzen ? Antwoord : Omdat God niet een voorwerp van ons denken is, maar van ons gelooven en Hij niet langs den weg van verstand en wetenschap door den mensch is uitgedacht, doch Zich in den weg Zijner Zelf-openbaring aan ons heeft bekend gemaakt, is het bestaan van God voor de rechtbank van het verstand nooit met wetenschappelijke redeneeringen vast te stellen of te bewijzen. Hoewel het geloof aan een God wel door redeneeringen meer of minder aannemelijk kan worden gemaakt en in zooverre zijn de argumenten voor het bestaan van God niet zonder beteekenis.
8. Vraag : Waaruit spruit het vragen naar bewijzen voor het bestaan van God voort ? Antwoord : Het vragen naar wetenschappelijke bewijzen om voor het verstand aannemelijk te maken dat er een God bestaat, spruit voort uit onkunde omtrent het Wezen Gods (zoo oneindig groot en zéér ver verheven boven alle schepselen !) ; terwijl men dan tegelijk bewijst, dat men hetgeen de Heere ons heeft geopenbaard in Zijn Woord, wantrouwt en veracht. Ook toont men dan het krachtig getuigenis aangaande God, dat van de natuur, van de geschiedenis en in ons geweten uitgaat, te veronachtzamen. Die dus zegt: „ik zal niet in God gelooven, tenzij dat bewezen wordt dat er een God is", wil niet staan op het terrein waar God van Zichzelf getuigenis geeft en trekt heel deze geloofszaak op een terrein, waar zij krachtens haar aard, niet thuis hoort.
9. Vraag : Moeten de bewijsredenen voor het bestaan van God nu geheel als van geen kracht en zonder beteekenis worden geacht ? Antwoord : Hoewel 't bestaan van God niet van wetenschappelijke bewijzen afhangt en het geloof bij degenen, die het niet bezitten, niet door logisch redeneeren kan gewerkt worden, zoo kan het Godsbesef, dat in elk menschenkind leeft, wel door de zoogenaamde bewijzen (argumenten) voor het bestaan van God opgeklaard en versterkt worden.
10. Vraag : Wat nut kunnen die zoogenaamde bewijzen voor het bestaan van God voor de geloovigen hebben in het midden van een ongeloovige wereld ? Antwoord : Voor degenen, die met hun hart gelooven en met hun mond belijden, dat er een God is, zijn de zoogenaamde bewijzen (argumenten) voor het bestaan van God in zooverre van beteekenis, dat zij kunnen aantoonen hoe redelijk het christelijk geloof is ; om daardoor dan méér overtuigd te worden, dat de wereld, de mensch, de geschiedenis, ja alle dingen beter te verklaren zijn op het standpunt des geloofs, dan op het standpunt van het ongeloof.
11. Vraag : Welke zes bewijzen (argumenten) voor het bestaan van God worden gewoonlijk genoemd? Antw. : Twee, die verband houden met den oorsprong en het doel van de geschapen wereld; het kosmologisoh en het teleologisch bewijs. Twee die verband houden met het verstand en de zedelijke natuur des menschen ; het ontologisch en moreel bewijs. Twee die genomen zijn uit de geschiedenis der menschheid ; het „bewijs uit de overeenstemming der volken (in religie en cultus) en het bewijs, ontleend aan den gang der historie, waarin een hooger (Goddelijk) plan wordt gerealiseerd, 't welk 't „historisch-theologisch bewijs" wordt genoemd.
12. Vraag : Welk is het bewijs voor het bestaan van God 't welk men ontleent aan den oorsprong van de geschapen wereld of kosmos ? Antwoord: Het-kosmologisch bewijs redeneert aldus: Er is niets of het moet een oorzaak hebben. Dit geldt dus zeer zeker voor het gansche, schoon gevormde heelal (kosmos). Derhalve moet er een buiten en boven de wereld staande oorzaak van het heelal zijn. En dus moet er een God als Schepper zijn.
(Vervolg komt)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Huiscatechisatie.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's