De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG

13 minuten leestijd

VAN DE 19de JAARVERGADERING VAN DEN GEREFORM. BOND OP DONDERDAG 3 APRIL 1924, IN HE GEBOUW VOOR KUNSTEN EN WE­TENSCHAPPEN TE UTRECHT.

Onze jaarvergadering stond ditmaal in het teeken een gewichtige te zullen zijn.
Allerwege werd verwacht dat op deze vergadering belangrijke beslissingen genomen zouden worden.
Wat de Voorzitter in zijn inleidend woord deed uitkomen, waren inderdaad de oogen van heel kerkelijk Nederland op onze samenkomst gericht. In sommige kringen vreesde men voor, in andere kringen verheugde men zich reeds heimelijk in het resultaat dat ons samenzijn opleveren zou.
Gelukkig is zoowel de vreeze eenerzijds als de hope anderzijds beschaamd geworden. Wij gelooven, dat alleen de vrienden van onzen Bond reden hebben om zich over den afloop onzer 19de jaarvergadering te verblijden en dat degenen die zich reeds verheugden in een nieuwe scheuring tusschen de belijders der Gereformeerde Waarheid in onze Kerk, beschaamd zullen staan.
Dank zij de gespannen verwachting, verheugde onze vergadering zich in een buitengewone belangstelling.
De zaal waarin wij saamkwamen, — niet onze gewone vergaderzaal, maar dezelfde zaal waarin onze Bond in 1906 was opgericht — was tot in de boeken gevuld en kon de saamgekomen. Bondsleden en afgevaardigden van niet minder dan 17 afdelingen nauwelijks bevatten.
De Voorzitter opende om half elf — dus een half uur vroeger dan gewoonlijk —de vergadering met het doen zingen van Ps. 68 vers 10, het voorlezen van Psalm 80 en gebed.
De Voorzitter spreekt nu in een kort openingswoord aldus :
Geachte Vergadering,
Geroepen deze 19de Bondsvergadering te openen en te leiden, vermenigvuldigen de gedachten zich bij ons en de overleggingen van hoofd en hart zijn vele.
Waar een ernstige krankheid mijn leven kwam bedreigen, had de dood voor mij aan al deze dingen, die mij lief geworden zijn, 'n eind kunnen maken. Of ook had mijn gezondheidstoestand zóó kunnen wezen, dat mij deze dingen hadden moeten verboden worden.
Maar noch het een, noch het ander is het geval.
De Heere, die wonderen doet, heeft 't liefderijk besteld, dat de levensdraad niet is afgesneden en dat ik met nieuwe krachten, ook met lust en opgewektheid, weer mijn werk mag doen, al mijn werk, ook dit werk, 't welk mee behoort tot hetgeen de Heere naar Zijn Raad ons indertijd op de handen heeft gelegd, met de vertroostende belofte : „Mijne genade is u genoeg. Mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht."
Dat die gedachten mijns harten vele zijn in dezen oogenblik, zult gij kunnen verstaan.
Ook om andere oorzaken.
Want wij hebben vandaag een allerbelangrijkste vergadering. Een Bondsdag, waarop zoovéél gebeuren kan voor onzen Gereformeerden Bond en voor onze Hervormde Kerk ten goede óf ten kwade.
Die geen vreemdeling is in het kerkelijk Jeruzalem zal het dan ook wel met ons ééns zijn : indien wij zeggen, dat héél kerkelijk Nederland nu het oog op ons heeft. Men staat te wachten om te vernemen hoe deze vergadering is verloopen, wat deze Bondsdag tot resultaat heeft gehad. In de kringen, waar men kerkelijk van ons gescheiden leeft staat men op den uitkijktoren om op te vangen wat boodschap straks naar buiten zal worden gebraoht en niet 't minst in de kringen, die tot onze Hervormde Kerk behooren, houdt men den luisterhoorn aan 't oor, om te weten te komen wat klanken uit onze vergadering uitgaan. En niet weinigen zullen zich verblijden indien er aan onzen Gereformeerden Bond, zijn actie en zijn betekenis, meer of minder schade wordt toegebracht door rumoer in onze tente, door verwijdering onder de broederen óf door afbraak van 't geen met zooveel moeite en onder zooveel zegen is opgebouwd.
Broeders en Zusters, laat ons gevoelen de hooge verantwoordelijkheid die op ons rust vandaag, om saam te bidden en te waken en er naar te handelen dat onze Bondsactie geen schade lijde, maar dat wij gesterkt en bemoedigd mogen worden vandaag.
Ieder werke mee om alle klein gedoe uit te bannen.
Ieder werke mee, dat alle kwade geesten onderdrukt en uitgeworpen worden.
En de Heere geve uit genade dat het ons allen te doen mag zijn om de groote, heerlijke zaak, die ons allen lief is : de verbreiding en verdediging van de Waarheid in het midden van onze al­oude Gereformeerde Kerk, ons Patrimonium, ons Vaderlijk erfgoed — waar bij de bekentenis bij vernieuwing gehoord worde: „wij en onze Vaderen hebben gezondigd", doch waarbij óók opnieuw worde vernomen : „God van den hemel zal het ons doen gelukken en wij zijne knechten zullen ons opmaken en bouwen."
Dat ook in onze Bondsactie het profetisch woord mag gelden : gij zult genaamd worden : die de bressen toemuurt; die de paden weder opmaakt om te bouwen ; die de oude verwoeste plaatsen bouwt; die de fundamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, oprichten zult." (Jes. 58).
Wij weten het, dat velen in den lande zoó voelen, zoó handelen willen — zoó oók gebeden hebben.
En ons harte heeft zich in den Heere mogen sterken, om verkwikt te worden met Zijne belofte : Ik zal het maken !
Zij het een goede dag voor onzen Gereformeerden Bond !
Zij het een goede dag voor ons allen. Zij het een dag tot eere Gods. Zij het een dag tot blijdschap en bemoediging voor de vrienden.
Zij het een dag van bittere teleurstelling voor allen die op een scheur in den Bond en een breuk in onzen arbeid hopen.
Zij het een dag, waarop de Heere kennelijk in ons midden mag wonen en een dag tot zegen voor de Kerk onzer Vaderen, door ons aller vernieuwde actie tot verbreiding en verdediging der Waarheid, in die Kerk, waar de Heere Zijn rechten handhaaft en de verwarring zoo groot is, de zonden zoo vele zijn, de zonden van onze Vaderen en van ons.
Den Heere zij deze vergadering: dan bevolen en Zijn Geest zij met uwen en mijnen geest.
Het einde van dezen dag zij : Soli Deo Gloria!
ik heb gezegd.

Na dit ernstige woord vraagt ds. de Bruin van Rotterdam 't woord om zich geheel aan te sluiten — en hij meent als zoodanig te kunnen spreken namens al de leden van de afgetreden Commissie van Advies — bij hetgeen de Voorzitter heeft gezegd. Het is dezerzijds de bedoeling geweest om de aan de orde zijnde kwestie broederlijk te bespreken. Ds. de Bruin weet, dat het dan ook in 't geheel niet te doen is om de aftredende Bestuursleden van hun plaats te dringen, zooals dat in het laatste financieel verslag van De Waarheidsvriend door den Penningmeester was voorgesteld. Het spijt hem, dat deze voorstelling aldus gegeven was.
De Voorzitter neemt met waardeering nota van de woorden door ds. de Bruin gesproken terwijl de Penningmeester, de mededeelingen van ds. de Bruin vernomen hebbende, gaarne terugneemt, wat hij dienaangaanide geschreven heeft. Hierop geeft de Voorzitter het woord aan den Secretaris tot het houden van zijn referaat, na er nog op gewezen te hebben dat wat de Secretaris zal zeggen over "Het Kerkelijk vraagstuk" hij dat zal zeggen namens 't Hoofdbestuur, De Secretaris, het woord nemend, spreekt zijn referaat uit, dat reeds gedrukt ter vergadering was en dat dan ook aanstonds, nadat het was voorgedragen, onder de aanwezigen verspreid kon worden, terwijl het aan de niet aanwezige leden van den Gereformeerden Bond alsnog zal toegezonden worden. Om die reden mogen wij ons dan ook zeker ontslagen rekenen om er in ons blad een verslag van te geven.
Na het uitspreken van het referaat geeft de Voorzitter gelegenheid tot gedachtenwisseling. Hiervoor melden zich aan prof. dr. Van Leeuwen, dr. Severijn, ds. Van Sehuppen, ds. Bruyn, en ds. Remme.
Prof. dr. Van Leeuwen begint met te zeggen dat het hem niet mogelijk is om alles wat door den referent in vijf kwartier ongeveer gezegd is, te volgen. Toch zou hij het jammer vinden als de kwestie met het referaat als afgedaan werd beschouwd. Hij constateert dat er, wat de Commissie van Advies betreft, een eigenaardige kringloop van gedachten is. Toen die Commissie ontstond, werd haar opgedragen de kerkelijke vragen, die aan de orde kwamen, te onderzoeken en het kerkelijk vraagstuk in studie te nemen. Heel veel succes heeft de Commissie van Advies niet gehad. Haar voorstellen hebben bij het Hoofdbestuur niet veel bijval gevonden. Toch is dit succes te boeken, dat op deze vergadering het kerkelijk vraagstuk aan de orde is gesteld. Na het gehoorde zou spr; echter wel willen vragen : is er wel een kerkelijk vraagstuk ? Daar is een Hervormde Kerk, waarin alle mogelijke dingen gebeuren kunnen. Daar zijn in die Kerk allerlei moeilijkheden, die hoe langer hoe grooter worden. De Synodale Organisatie tast de rechten aan der plaatselijke Kerken, getuige het Reglement op de Predikantstractementen en het Vrouwenkiesrecht.-Spreker vraagt verder : wat bedoelt men met de Hervormde Kerk? Bedoelt men daarmede de Hervormde Kerk ? Hoe aoht referent het dan mogelijk dat deze tot een presbyteriale organisatie zal kunnen komen? Heeft referent voor de Hervormde Kerk als zoodanig op grond van Gods Woord een belofte, dat zij zich in een zoodanige organisatie zal kunnen schikken ? Wat bedoelt referent met het wezen van de zichtbare Kerk, waarvan hij zegt dat het door de Synodale Organisatie niet geschonden is en wat, beteekent het dat wij de Ned. Hervormde Kerk als zoodanig niet mogen prijs geven ?
Dr. Severijn begint met te zeggen dat prof. Van Leeuwen al veel van wat hij had willen spreken naar voren heeft gebracht. Hij releveert hoe de Commissie van Advies zich de oplossing van het kerkelijk vraagstuk had gedacht, dat n.l. de Kerk zich zelf zou oprichten, op dat zij weer als Kerk zou kunnen spreken en zich als Kerk zou openbaren. Als de Kerk, zooals referent heeft toegestemd, in een kerker zit, dan moet zij toch zich zelve vrijmaken. Volgens spr. is referent bij zijn beschouwingen terecht uitgegaan van de onzichtbare Kerk, maar wat verstaat spreker onder het wezen van de zichtbare Kerk in haar plaatselijke openbaring ? Hier had spreker telkens een vraagteeken gezet. Wat het mioederschap der geloovigen betreft, zou spreker wel willen vragen of dat alleen raakt de onzichtbare of ook de zichtbare zijde der Kerk ? Heeft referent wel genoegzaam onderscheiden tusschen het geloof in God en het artikel der Apostolische geloofsbelijidenis : „ik geloof ééne heilige algemeene Christelijke Kerk" ?
Spreker geeft toe, dat ook in de dagen onzer vaderen de Kerk dezer landen, ook toen zij presbyteriaal georganiseerd was, niet was wat zij behoorde te zijn, maar hij vraagt of inderdaad de geschiedenis van de Kerken dezer landen als zoodanig ten voorbeeld kan gesteld worden ? Ook vraagt hij of het niet een loordeel Gods is, dat de Kerk zich niet alleen de Synodale Organisajtie heeft laten opleggen, maar ook, dat zij er zich gewillig in schikt en of wij daar lijdelijk in berusten moeten.
Ds. van Schuppen begint met te zeggen dat hij het een vraag van het grootste belang acht: hoe zien wij de Hervormde Kerk ? Het is niet zijn bedoeling daar breed op in te gaan, maar uit het referaat is z.i. duidelijk gebleken dat referent de Hervormde Kerk nog beschouwt als Kerk. Spreker meent, dat de Hervormde Kerk als zoodanig niet anders is dan een genootschap waar de Kerk in is. De Kerk is een groote vereeniging geworden onder een Bestuur, en zij is geen Huis des Heeren meer. Spr. meent uit verschillende aanhalingen van een rede die in 1909 door hem gehouden werd, te kunnen aantoonen, dat dit vroeger ook was het standpunt van den voorzitter, ds. Van Grieken, waarvan deze, echter later is afgeweken. Spreker gelooft mede naar aanleiding van wat de voorzitter toen gezegd heeft, dat wij niet zoo bang voor scheuring moeten zijn. Een zekere scheuring zal er toch moeten komen en waar de Commissie van Advies in dezen stond aan de zijde van Groen van Prinsterer, daar meent hij, dat het Hoofdbestuur de rechte lijn heeft prijsgegeven.
De voorzitter zegt, dat hij ds. Van Schuppen heeft laten uitspreken, maar dat hij, nu deze gesproken heeft, toch even wil opmerken dat een dergelijke wijze van debatteeren eigenlijk niet toelaatbaar is. Over wat hij toen in de aangehaalde rede gezegd heeft, zal hij zich nu verder niet uitlaten, hoewel hij de opmerking zou kunnen maken dat precies dezelfde onjuiste gevolgtrekkingen, die ds. Van Schuppen nu gemaakt heeft, indertijd aanstonds al getrokken zijn door ds. Fernhout, destijds Gereform. predikant te Utrecht. De voorz. wenscht alleen te protesteeren tegen de wijze van optreden van ds. Van Schuppen. die immers de gelegenheid had niet om te constateeren wat hij vóór ongeveer 15 jaar geschreven heeft, maar wèl om te weerleggen wat in het referaat door ds. Jongebreur was gezegd.
Ds. Bruyn, van Oene, aan wien de voorzitter nu het woord wil verleenen, ziet van het gevraagde woord af. De reden waarom ds. Bruyn eerst 't woord had gevraagd, en er nu van af zag, begrepen wij niet.
Ds. Remme begint met te zeggen dat hij met verlangen naar dezen jaardag van den Gereformeerden Bond heeft uitgezien. De Gereformeerde Bond is voor hem de band, die de Gereformeerden onzer Kerk aan elkander verbindt. Daarom doet het hem goed, hier het aangezicht der broederen te zien en met hen te komen samenspreken over de dierbare Waarheden van Gods eeuwig getuigenis. Hij meent echter dat die Waarheden volstrekt niet alleen betrekking hebben op het stuk van Gods Kerk, maar dat er in den hof des Heeren ook nog zooveel andere bloemen zijn die geur verspreiden. Daarom kan hij het met prof. Van Leeuwen geen voordeel vinden dat ook nu het kerkelijk vraagstuk hier weer aan de orde werd gesteld. De vraag : wat dunkt u van den Christus, is voor velen in onze dagen geworden tot een : wat dunkt u van de Kerk? Spreker betreurt dit, en vanuit dat oogpunt bezien zou hij het veeleer een nadeel dan een voordeel achten dat er altoos weer over de Kerk gesproken moet worden en dat men in dat opzicht altoos weer tracht te grijpen naar dingen, waarvan we tevoren weten dat niemand ze grijpen kan en die dus voor de practijk van het leven slechts academische waarde hebben. Spr. dringt aan op eenheid en op het bewaren van den band .des vredes tusschen hen, die, zij het ook dat er in het stuk der Kerk verschillende opvattingen zijn, toch in diepste levensovertuiging bij elkander behooren en dus één weg moeten gaan.
De Voorzitter deelt nu mede, dat eerst gepauzeerd zal worden en dat dan na de pauze de referent de sprekers, die met hem van gedachten gewisseld hebben, beantwoorden zal. Hij geeft nog gelegenheid tot het inzamelen van de stembiljetten, die met het oog op de wegens periodieke aftreding te houden bestuursverkiezing reeds uitgedeeld zijn Inmiddels wordt nog gezongen Psalm 89 vers 8, waarna op verzoek van den Voorzitter de morgenvergadering door den Secretaris met dankzegging gesloten wordt.

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VERSLAG

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's