Stichtelijke overdenking.
„Ziet, de mensch !" Johannes XIX : 5b.
Ecce Homo!
Vervolg en slot.
II.
„Ziet, de mensch !"
Dat woord werd gesproken door Pilatus.
Blijkbaar had hij medelijden, toen hij Jezus daar zag staan.
„Zie, lk breng Hem tot ulieden uit, opdat gij weet, dat ik in Hem gansch geen schuld vind. (vers 4).
Dan : „Ziet, de mensch !"
Daarom doet hij een beroep op de ontferming der schare en wil hij het medelijden opwekken, dat blijkbaar bi] hemzelf aanwezig is.
Dat medelijden willen wij in Pilatus waardeeren, waar hij een man is, die toch reeds (en terecht) met zulk een zwarte kool in de wereldgeschiedenis staat aangeteekend.
Maar tevens zien wij in dat medelijden van Pilatus het karakter openbaar komen van den zwakken, oppervlakkigen wereldling. Hij leeft bij de eerste, oppervlakkige opwelling des harten, denkt niet door, peinst liefst niet diep, maakt er zich gaarne met een groot woord af.
Als Jezus bij het begin van het verhoor spreekt van Zijn Koningschap en Koninkrijk der Waarheid, dan doet Pilatus geen navraag daarnaar, maar hij maakt er zich af met een schouderophalend zeggen : „Wat is waarheid ? "
Twijfelen aan het bestaan der waarheid is gemakkelijker dan te zoeken en te jagen naar waarheid.
En is dat karakterbeeld thans verloren ?
Wat een oppervlakkigheid veelal op godsdienstig gebied in onzen tijd. Men doet en belijdt, wat vader en moeder deed en beleed, maar zonder contact met zijn diepste levensbestaan.
Het zieleleven gelijk 't dorre doodsbeenderendal uit Ezechiëls profetieën,
Of anders : men gaat met zijn tijd mee en werpt eenvoudig het geloof der vaderen over boord. Bij zulken geen onderzoeken en doordringen in de diepten Gods, omdat in hun eigen ziel geen diepte is. Als zij als Pilatus tegenover den lijdenden Verlosser komen te staan, welt op zijn hoogst eenig medelijden in hun hart op. Zij zien niet, dat in Hem hun eigen ellende en doemwaardigheid wordt getoond.
Hebt ook gij misschien slechts medelijiden voor Jezus ?
Dan geldt voor u Zijn Woord, gesproken tot de vrouwen op de via dolorosa : „Gij dochteren van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over u zelven en over uwe kinderen."
Pilatus is niet alleen een zwakke oppervlakkige wereldling, maar ook een dubbelhartige zwakkeling.
Daar staat hij, wijzend op Jezus. Hij is de Romeinsche landvoogd, een man van Jhoogon rang, een keizerlijke vertegenwoordiger, van de machtigste natie op aarde, waar men er prat op gaat, recht, billijkheid en waarheid voor te staan. Maar hij dobbert tusschen twee meeningen: Hij weet, wat recht is, maar is bevreesd er naar te handelen. Hij is overtuigd van Jezus' onschuld, maar wil de beschuldigers niet mishagen. Hij wil voor het recht opkomen, maar durft niet, uit lage vrees voor menschen. Hij bekrachtigt ten slotte een misdaad door louter lafheid. Hij handhaaft den moord van een onschuldige, uit liefde voor de gunst der massa.
Wee de staatslieden, die met Pilatus, om de volksgunst het recht verkrachten. Wee ook de predikers, die de gemeente meer dan Ood vreezen, de geboden en waarheden des Heeren stellen onder de meeningen van menschen, die niet vragen naar Gods Woord, maar naar de volksopinie. Wee over allen, die den Heere, Zijn dienst en Koninkrijk prijsgeven, laten honen en bespotten uit eigenliefde en menschenvrees.
Of zijn deze woorden overbodig ?
Waar zijn de kloeke getuigenissen dan, als de wereld God en Zijn Gezalfde hoont en lastert?
Als de Heiland nog Zijn verzoeningswerk moest volbrengen, zouden dan ook nu de discipelen niet vluchten, de naam-christenen met medelijden zich er afmaken en de groote menigte roepen : Kruist Hem ! ?
Wat zouden gij en ik doen ?
III.
Pilatus : zegt : „Ziet, de mensch !"
Hij wil medelijden wekken. Hij wil Jezus niet door recht te doen gelden, maar door teergevoeligheid en zoetsappigheid vrijgesproken krijgen.
En de schare ?
Hun hart is vervuld met haat tegen Gods Gezalfde.
Daar staan ze, de Overpriesters, de Schriftgeleerden en de opgezweepte fanatieke Joden.
Drie lange uren weigeren zij hardnekkig Jezus los te laten, zij vorderen fel Zijn kruisiging, zij eischen woest Zijn veroordeeling ter dood, zij weigeren stijfhoofdig Hem de Koning te erkennen en verklaren geen koning te hebben dien den keizer alleen, zij roepen het uit : „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen !"
En dat waren de kinderen Israels, die beleden uit te zien naar een profeet gelijk Mozes, en een Zone Davids verwachtten, die als Messias een koninkrijk zou oprichten.
Hoe vreeselijk gevaar brengt een aanhoudend verwerpen van licht en kennis! Het brengt verblindheid als een oordeel Gods. Wie als Farao en Achab dikwijls wordt vermaand, maar tevergeefs, openbaart ten slotte een hart zoo hard als een molensteen en een geweten als met een brandijzer toegeschroeid.
Zoo het Joodsche volk in Jezus' dagen.
Er is geen erger oordeel van God, dan aan onszelven overgelaten te worden, en overgegeven te zijn aan ons eigen booze hart en aan den duivel.
De weg tot dat oordeel is, te blijven afwijzen de waarschuwingen en roepstemmen en steeds te zondigen tegen het licht van Gods Woord en leiding.
De woorden uit Spreuken 1 vers 24 tot 26 zijn zoo vreeselijk : „Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; mijne hand uitgestrekt heb en er niemand was, die opmerkte ; en gij al mijn raad verworpen en mijn bestraffing niet gewild hebt: Zoo zal Ik ook in ulieder verderf lachen ; Ik zal spotten, wanneer uwe vreeze komt."
Hoelang is Christus ons al niet gepredikt en ons toegeroepen: „Ziet, de mensch !" Wee ons, .zoo wij niet tot geloof en bekeering komen.
Daarom nog eens naar Gabbatha en dat woord : „Ziet, de mensch !" beluisterd met toepassing op onszelf.
Hoe ziet gij tot Hem op ? Wat is Hij voor u en gij voor Hem ?
Is Hij uw Heiland, uw Goël en Middelaar ?
En zijt gij een zondaar of zondares, die met smart over de zonde u buigt in het stof ? Maar moogt ge ook in verrukking der ziel, in geloof zeggen : „Door Zijne striemen is ons genezing geworden ? "
Nog telkens weerklinkt het : „Ziet, de mensch !"
En dan daarbij verschillende groepen als bij den rechterstoel van Pilatus : Spottende soldaten, wankelende Pilatussen, een woedende schare, rondom een zwijigenden, iijdenden Heiland. Waar hoont gij bij.
Neutraal tegenover Jezus kunt gij niet zijn. Hij heeft Zelf gezegd : „Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij."
Ook geldt in deze Zijn Woord : „Niet die zegt Heere, Heere, zal ingaan, maar die daar doet den wil Mijns hemelschen Vaders."
Behoort gij bij den dubbelhartigen, zwakken Pilatus ?
Dan hebt ge het misschien het gemakkelijkst in het leven, maar hoe zal het u zijn bij het sterven ? Wat zal het voor Pilatus geweest zijn, toen aan hem vervuld werd : "Het is den mensch gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel" ?
Gelukkig, wie met zwak of sterk geloof tot Jezus mag opzien, als zijn of haar Heiland.
Die zal het niet gemakkelijk hebben in de wereld. Men krijgt deel aan Zijn lijden, smaad en kruis. Maar de vloek is er uit
weggenomen. Dat heeft Jezus Christus gedaan door Zijn zoendood en hemelsche zegen daalt van Hem neer in het hart.
Het woord „Ziet, de mensch!" biedt zulk een troost en sterkte, als zij wankelen of vallen, als de zonde lokt en de wereld vleit, als de lust trekt, eigen vleesch en eer den voorrang wenschen boven Gods Koninkrijk.
„Ziet, de mensch !"
Dat woord wekke u op, als het leed u treft, de tranen uw spijze zijn, de vijanden u aanvallen en u smadelijk bejegenen. Want bedenkt : Een dienstknecht is niet meerder dan zijn Heere. Maar ook : „Hij geeft den moeden kracht."
Wie gij ook zijt, hebt gij behoefte aan een Zaligmakeer, een Verzoener met God?
God? „Ziet, de mensch !" Geen zondares blijft bij Hem ledig staan, geen Kananeesche vrouw bidt tevergeefs, zelfs de moordenaar aan het kruis ontving een verlossingswoord.
Laat ons dan tot Hem opzien, uit onze ellende onze oogen opheffen ten hemel ! Daar is Hij met eer en heerlijkheid gekroond ! Hij verlangt naar die stonde, dat wij, arme zondaren, genezen door Zijn striemen. Hem ziende in heerlijkheid, mede zullen instemmen met het nieuwe lied :
„Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, de rijkdom en wijsheid en eere en heerlijkheid en dankzegging. Hem, die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging en de eére en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid." Zeist.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's