Uit de Afdeelingen
LEIDEN. We hadden deze week weer een onvergetelijk samenzijn in gebouw „Prediker." 't Was onze Propaganda-Commissie gelukt, ds. W. Bieshaar, van Den Haag, op Donderdag 3 April naar hier te krijgen, om de laatste openbare samenkomst te leiden. Velen hadden zich opgemaakt om dezen bekenden prediker, die ook in Leiden geen onbekende is, te gaan hooren. De zaal was dan ook geheel bezet, zodat de Prop.-Commissie, die in het geheel dezen winter een drietal sprekers voor hare rekening liet optreden, haar werk in ruime mate zag bekroond. Bij iedere spreekbeurt die werd uitgeschreven mochten wij steeds bogen op grootere opkomst en steeds meer sympathie ; steeds meer steun en medewerking ondervinden. We mogen dan ook met dankbaarheid terugzien op deze wintercampagne, die niet zonder vruchten, zoowel persoonlijk als voor onze afdeeling, is geweest. Ook in Leiden begint de doorwerking van het zuurdeeg zichtbaar te worden.
Wij brengen den sprekers, zoowel voor het Leerstoel-als Studiefonds, waarvoor ditmaal ook drie spreekbeurten werden gehouden, als voor onze Pr.-Comm., onzen vriendelijken dank en spreken den wensch uit dat wij D.V. een volgend seizoen niet tevergeefs bij hen mogen aankloppen om nog eens voor onze afdeeling op te treden.
Door het houden van spreekbeurten wekken wij steeds meer belangstellin.g voor onze beginselen. Dat bewees de opkomst (zooals
we zeiden) op Donderdag 3 April.
Na een inleidend woord, bepaalde ds. Bieshaar zijn gehoor bij de woorden van den 40en Psalm, waar David zegt: Gij hebt mij de ooren doorboord."
In een viertal punten n.l. : 1. Een vrijwillige keus ; 2. een teeken van geestelijke smart ; 3. een teeken van goddelijke gunst, en 4. een blijvende band, zette Z.Ew. deze woorden in een schoone rede uiteen.
Nadat Z.Ew. ons éérst het slavenleven met al zijn afschuw geteekend had, 't welk ook een Jozef reeds aan den lijve gevoeld had, doch ook de gunst van den heer, tegenover een slaaf, trok spreker een parallel tusschen den mensch van nature en den herboren mensch met het doorboorde oor ; een teeken van bijzondere gunst, voorafgegaan aan geestelijke smart. Deze gunst ligt echter buiten den mensch. De Heere doet een afgesnedene zaak op de aarde. Wordt de mensch echter het voorwerp van Zijn liefde, dan zingt hij met David : „Gij hebt mij de ooren doorboord !" Dan is er een blijvende band tusschen God en Zijn volk.
Met een persoonlij.ke toepassing eindigde Z. Berw. .deze keurige rede,.die ons lang bij zal blijven.
Dat de Heere er de na-prediker van mocht zijn door het toepassende werk des Heiligen Geestes, en nog vele ooren mochten worden doorboord, tot verheerlijking van Zijn nooit genoeg volprezen Naam.
De Secretaris,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's