VERSLAG
VAN DE 19de JAARVERGADERING VAN DEN GEREFORM. BOND OP DONDERDAG 3 APRIL 1924, IN HET GEBOUW VOOR KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN TE UTRECHT.
II.
De middagvergadering wordt te ongeveer 2.15 uur geopend met het zingen van Psalm 103 : 6, waarna op verzoek van den voorzitter Ds. Goslinga voorgaat in gebed.
De voorzitter zegt dat hij, alvorens referent de sprekers zal beantwoorden, nogmaals de gelegenheid wil geven om over het referaat van vanmorgen zijn meening uit te spreken.
Ds. Lans van Ouderkerk a.d. IJsel meent dat er gelegenheid moet zijn niet alleen om over het gesprokene in debat te treden maar ook om er zijn instemming mee te betuigen. Hij gelooft dat er wel in de vergadering zullen zijn die dat wenschen te doen.
De heer Asmus van Capelle a.d. IJsel heeft nog geen stem uit de gemeente gehoord. Hij wil zulk een stem laten hooren en zou willen vragen of er niet vele gezinnen, Gereformeerde gezinnen zijn die we gaarne voor onze Kerk zouden willen behouden en die we bij haar tegenwoordige, inrichting niet bereiken kunnen. Ook zou hij de vraag willen doen of het niet mogelijk is om de twee stroomingen die er in onze Bondsactie betreffende de wijze van kerkherstel zijn, weer te doen samenvloeien.
Ds. Timmer van Ermelo wenscht hier uit te spreken dat er aanvankelijk vooral op de Veluwe vele gemeenten met het Convent van Gereformeerde Kerkeraden meegingen, maar die zich nu zij weten wat het Convent met zijn concept-regeling tot reformatie van de Kerk der belijdenis beoogt, reeds hebben teruggetrokken. Namens die vele gemeenten spreekt hij zijn vertrouwen uit in het Hoofdbestuur en meent dat de lijn in het referaat aangegeven, gevolgd moet worden.
Ds. Lans meent dat het plan van de Commissie van Advies wel niet met een breed gebaar ter zijde geschoven kan worden, maar dat we daarnaast toch ook een oog moeten hebben voor het feit dat men in onze Gereformeerde kringen vasthoudt aan en strijdt voor de Hervormde Kerk. Het is z.i, dan ook duidelijk dat de Heere Zijn weg gaat en juist uit de vraag die er zelfs in vele moderne gemeenten ontstaat naar de Gereformeerde Waarheid ziet hij een bewijs dat de Heere regeert.
De heer Neerings van Dordrecht wil de vraag stellen of het doel dat de Gereformeerde Bond zich volgens het referaat gesteld heeft wel voor verwezenlijking vatbaar is. Hij gelooft dat het tot een geloofsdaad zal moeten komen om ons uit de Synodale Organisatie uit te werken en zou wel willen vragen wat de Bond anders doen moet in die gemeenten waar de Gereformeerde Waarheid reeds verkondigd wordt.
Prof. Dr. van Leeuwen wil even een opmerking maken naar aanleiding van wat Ds. Remme heeft gezegd over de Kerk en over het aan de orde stellen van het kerkelijk vraagstuk. Hij wijst op de breede plaats en op de groote beteekenis die de Kerk, zooals dit z.i. ook door den referent van vanmorgen terecht was betoogd, in het leven inneemt en op de noodzakelijkheid om in het belang van Gods Koninkrijk de kerkelijke vragen ook gedurig weer aan de orde te stellen.
Ds. Remme zegt dat zijn bedoeling volstrekt niet geweest is een zekere kleinachting van de Kerk. Integendeel, in dat opzicht is hij het geheel eens met wat Prof. van Leeuwen heeït gezegd. Hij heeit er alleen op willen wijzen hoe de kerkelijke vraagstukken ook ontijdig aan de orde gesteld kunnen worden en herinnert in dit verband er aan hoe juist de actie van het Convent, die niet anders dan negatieve resultaten kan hebben, b.v. de Gereformeerden in Amsterdam een stok tusschen de benen heeft gestoken. Dit nu blijft hij betreuren. Hij meent dat als van geloofsdaden gesproken wordt, het dan veel meer een daad des geloofs is dat wij op onzen post staande op de muren van Zion verkondigers der Waarheid zijn dan dat we aansturen op een conflict waardoor juist het omgekeerde van wat we willen bereiken, verkregen zal worden.
Ds. Binsbergen van Mastenbroek, zijn instemming met het referaat betuigend, zou wel even willen wijzen op het onderscheid dat er is tusschen organisatie en kerkverband wat z.i. door de mannen van het Convent, evenals indertijd door de doleerenden uit het oog wordt verloren.
Als niemand verder meer het woord wenscht verkrijgt eindelijk de secretaris gelegenheid de sprekers te beantwoorden. Hij spreekt ongeveer aldus :
Laat ik mogen beginnen om de heeren die over mijn stuk van hedenmorgen hun gedachten hebben uitgesproken, te danken voor den welwillenden en broederlijken toon waarop dit in 't algemeen is geschied. Laat ik mijn bijzonderen dank mogen betuigen voor het sympathieke woord van Ds. Remme. Als predikant van een groote stad heeft hij blijkbaar niet het minst gevoeld de practische moeilijkheden die er aan een eventueele uitvoering van de voorgestelde concept-regeling verbonden, zouden zijn en in de kringen waarin hij verkeert is het zoo volkomen te begrijpen dat hij allen nadruk legt op den invloed die er van de Kerk als banierdraagster der Waarheid niet slechts naar binnen maar ook naar buiten moet uitgaan.
Wat de beantwoording van de h.h. Prof. van Leeuwen en Dr. Severijn betreft wil ik beginnen met de erkenning dat ik in de wetenschappelijke beschouwing en in de philosophische visie der dingen, verre hun mindere ben. Als ik bedenk hoe breed een man als Prof. van Leeuwen de dingen van ons kerkelijk leven overziet en hoe gemakkelijk een Doctor Theologiae van de kwaliteiten van Dr. Severijn deze dingen theologisch en philiosophisch beheerscht, dan ontzinkt mij schier de moed om tegen hen den strijd aan te binden. Toch zal ik in alle bescheidenheid trachten te antwoorden op de vragen die mij gesteld zijn geworden. En dan geloof ik dat ik v.n.l. op één punt even den nadruk moet leggen. Het wil nu toch voorkomen dat juist dat punt het gansche geschil van meening tusschen Prof. van Leeuwen, Dr. Severijn en ook Ds. van Schuppen eènerzijds en het Hoofdbestuur anderzijds beheerscht.
Dat punt in kwestie is dit : of ik in een plaatselijke gemeente die thans Synodaal georganiseerd is nog een Kerk moet zien of dat ik de personen die tot die gemeente behooren eenvoudig als leden der Algemeene Chr, Kerk moet beschouwen, waarvan het Gereformeerde deel dat daartoe een levensdrang voelt, tot Kerk, en wel tot Kerk der belijdenis geformeerd moet worden. Ik geloof te kunnen constateeren dat er in de beschouwing van het wezen der Kerk in den diepsten grond tusschen ons geen onderscheid is. Dat het wezen der onzichtbare Kerk, m.a.w. het leven der Kerk dat met Christus verborgen is in God, onaantastbaar en onschendbaar is, gelooven wij natuurlijk evenzeer als Dr. Severijn dat gelooft. Dat echter een zichtbare Kerk zoo diep kan zinken dat zij het fundament des geloofs omver stoot en dat zij door het prijs geven harer belijdenis geen recht meer heeft om als openbaring van Christus' lichaam erkend te worden, en dat alsdan het wezen van zulk een zichtbare Kerk is aangetast, gelooft Dr. Severijn evengoed als wij dat gelooven.
Hierover loopt het geschil dus niet.
Dat geschil loopt ook niet over de vraag of men bij de beschouwing der Kerk moet uitgaan van de plaatselijke gemeenten of van de algemeene Kerk.
Immers als iets uit het referaat dat van morgen door ons werd gehouden duidelijk is geworden, dan is 't zeker wel dit dat het Hoofdbestuur van onzen Bond niet uitgaat van de idee der Algemeene Kerk, zooals Dr. Severijn het in zijn antwoord op ,,Ons Kerkelijk Standpunt", in de Waarheidsvriend heeft trachten voor te stellen — maar wel ter dege, evengoed als Dr. Severijn c.s. van de plaatselijke gemeente.
Alléén dit is de vraag — en ik kan niet anders zien of daar ligt het punt in kwestie — zijn er in het Synodaal Verband van de Ned. Herv. Kerk nog plaatselijke gemeenten, zijn er dus nog plaatselijke Kerken ; is er dus te A, te B of te C nog een plaatselijke openbaring van het lichaam van Christus of is die er niet meer ? Is er dus in sommige gemeenten alléén nog maar een Gereformeerd volk dat tot Kerk geformeerd en dat daarna in presbyteriaal verband tot de Kerk der belijdenis georganiseerd moet worden ? Ik kan niet anders inzien of het laatste is het gevoelen van Dr. Severijn en het eerste is het gevoelen van het Hoofdbestuur. Het Hoofdbestuur zegt : de Hervormde Kerk van A, B of C is, krachtens de historie, krachtens haar belijdenis die haar nooit ontnomen is, die in het algemeen Reglement niet als in een safe verborgen is, maar daar nog als in den voorgevel staat en die in de eerste plaats in haar midden nog telkens weer een levende belijdenis blijkt te wezen — de Hervormde Kerk van A, B of C is dus in haar wezen nog een Kerk, die wel diep verdorven is, maar die, als zijnde nog geen valsche Kerk door ons niet gescheurd of gedeeld mag worden. Op de vraag door Prof. van Leeuwen en Dr. Severijn gesteld naar het wezen der plaatselijke Kerk in haar zichtbare openbaring geven we dus dit antwoord : dat wezen ligt niet in de belijders — dit te leeren is in den grond der zaak ethisch en niet Gereformeerd —maar in de b e I ij d e n i s. En als Prof. van Leeuwen zegt : die belijdenis is dood, dan ineenen we dat met de feiten, zooals ze ook nu weer door Ds. Lans naar voren zijn gebracht, te kunnen ontkennen en dan zeggen we : die belijdenis is in onze Hervormde Kerk niet dood. Zij mag dood schijnen, maar als de vonk die onder de asah ligt maar even wordt aangeblazen, dan blijkt er overal nog een vonk te zijn van waarachtig levend geloof die zich in de belijdenis openbaart. Het spijt ons dat dit door de heeren die zich bepaalden tot het stellen van enkele vragen niet bestreden is. Daarvoor waren we toch hier saamgekomen om in broederlijken zin, zooals dit door de motie Alphen bedoeld was, met elkander hierover van gedachten te wisselen. En waar ik in mijn referaat de gedachte waarvan de Commissie van Advies in haar conceptregeling uitging aangevallen en bestreden heb, daar hadden wij mogen verwachten dat de regeling die zij zich voorgesteld ihadden, door de heeren verdedigd en dus ons gevoelen door 'hen bestreden zou zijn. Immers uit de gestelde vragen is opnieuw gebleken dat hier het geschil ligt : wij zeggen : de plaatselijke gemeenten der Ned. Herv. Kerk hebben krachtens haar belijdenis niet opgehouden Kerken, dus gemeenten van Christus te zijn.
Dr. Severijn c.s. zeggen : de Ned. Herv. Gemeente te A, B of C heeft geen belijdenis, ja nog wel een die in safe wordt bewaard, maar feitelijk is het een Kerk zonder belijdenis, waarin alleen nog maar een Gereformeerd volk is dat uit en met en bij die belijdenis leven wil. Laat-nu dat Gereformeerde volk tot Kerk der belijdenis worden en laat er dan alléén een administratieve band tusschen de Herv. Kerk en de Kerk der belijdenis zijn.
Nu begrijpen we niet waarvoor die administratieve band alsdan nog noodig blijft. Als de geestelijke band met de Ned. Herv. Kerk wordt doorgeknipt, waarom zou dan die administratieve band nog bestendigd worden ? Waarom dan niet aanstonds een radicale scheiding tusschen de Kerk der belijdenis en een onkerkelijke organisatie die door haar administratie dan toch niet anders dan belemmerend op den bloei van het leven der Kerk werken zou ? En als dat slechts om de goederen is, waarom kan dan dienaangaande evengoed als een tijdelijke niet aanstonds een definitieve regeling worden getroffen ? Maar wat we bovenal niet begrijpen is dit dat als wij de plaatselijke gemeenten der Ned. Herv. Kerk niet beschouwen als Kerken, maar eenvoudig als een corporatie van menschen, die vroeger wel openbaringen van Christus' lichaam waren, maar die dat recht sinds zij zich de Synodale Organisatie lieten opleggen, hebben ingeboet, hoe het dan te rijmen is dat wij dan in zulk een Kerk, die o.i. geen Kerk is, nog in eenige ambtelijke bediening werkzaam kunnen zijn.
Dr. Severijn en de zijnen houden het ons ten goede dat wij niet inzien hoe iemand in een gemeente die hij niet beschouwt als openbaring van het lichaam van Christus, een ambt bekleeden kan.
Wij zeggen dit niet om iemand te oordeelen, — want een ieder heeft in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd te zijn — maar we zouden toch wel willen vragen : is het dan niet consequenter om zulk een schijn-Kerk den scheidsbrief te geven, evenals zooveel anderen dat hebben gedaan ?
Op de practische moeilijkheden, om niet te zeggen onmogelijkheden, waarmee een eventueele doorvoering van de bekende concept-regeling te worstelen zou hebben, gaan we thans niet nader in.
Verschillende moeilijkheden zijn in de discussie reeds naar voren gekomen, en in plaats van oplossen zouden we de vragen slechts kunnen vermeerderen. Alléén zou ik deze vraag al den leden van onzen Bond wel op het hart willen binden of zij werkelijk gelooven dat afgezien nog van de principieele bezwaren, de formatie van een Kerk der belijdenis, zooals het Convent van Gereformeerde Kerkeraden zich in den geest van Dr. Severijn gedacht heeft, in hun gemeente mogelijk en uitvoerbaar zou zijn ?
Wij moeten toch nuchteren zijn en ons indenken, waar vooralsnog niet veel kans op is, maar wat toch in de toekomst mogelijk zou zijn, dat de Synode der Herv. Kerk harerzijds de gelegenheid voor het formeeren van zulk een Kerk der belijdenis openen zou. Wij moeten dus niet zeggen : van dat plan komt toch niets terecht en daarom kan door ons gerust een poging gewaagd worden. Wij gevoelen allen dat zulke taal mannen en inzonderheid mannen die het met de oplossing van het kerkelijk vraagstuk ernstig meenen, onwaardig zou zijn. Neen, we moeten ons indenken dat het plan dat we nu kortheidshalve maar het plan-Severijn zullen noemen, straks verwezenlijkt zou worden. Gelooven de vrienden die b.v. uit Rotterdam hier zijn dan werkelijk dat er op de 170.000 leden van de Rotterdamsche Hervormde Gemeente 1000 zouden zijn die zelfs zonder daartoe uitgenoodigd te wezen hun bedankje zouden inzenden bij de Ned. Herv. Kerk om zich te voegen bij de Kerk der belijdenis ? En zou het in Amsterdam, Den Haag, Utrecht en zelfs in Dordrecht wel anders zijn ?
En wat de dorpen betreft, ik heb zelf het genoegen bijna 20 jaar gearbeid te hebben in een gemeente die onder de Gereformeerde dorpsgemeenten onzer Kerk, — met alle bescheidenheid zij het gezegd — geenszins de slechtste is, maar ik geef u de verzekering dat als het er op aankwam nog geen 20e deel bereid zou zijn zich los te maken van de Hervormde Kerk en dat, als nog een Kerk der belijdenis geformeerd kon worden, deze al zeer miniem in aantal zou zijn.
En nu zou ik den leden van onzen Bond deze vraag wel willen meegeven : hoe denkt ge dat dat in de gemeente ter uwer plaatse zou
zijn ?
En als het nog gelukte hoe denkt ge dan dat het met een eventueele vereeniging met andere Gereformeerde Kerken ter uwer plaatse zou zijn ?
Het komt mij voor dat dat practisdhe vragen zijn, waarvoor niemand onzer de oogen sluiten mag. Immers in theorie kunnen allerlei plannen spoedig genoeg worden samengesteld, maar zulke plannen dienen toch ook eenigermate in de practijk van het leven gegrond te zijn. En nu kunnen we niet anders zien dan dat het plan van Dr. Severijn, mede om de geestelijke mentaliteit van het Gereformeerde volk dat men kerkelijk organiseeren wil, practisch onuitvoerbaar zou blijken. Daarom kunnen we niet anders dan betreuren — en dat zeggen we in antwoord op de vraag door den heer Asmus gedaan — dat Dr. Severijn met de machtige gaven van verstand en hart hem door den Heere geschonken dezen weg heeft ingeslagen; en we zouden hem wel willen toeroepen : broeder keer terug op uw pad en laat er tusschen u en ons weer de zoo gewenschte saamwerking zijn. Laten wïj samen trachten om in den weg van het zuurdeeg, in het uitdragen van Gods getuigenis overeenkomstig de belijdenis onzer vaderen onze Kerk, neen de plaatselijke gemeenten onzer Kerk, terug te roepen tot de Wet en tot de Getuigenis opdat in onze Kerk de levensdrang gewekt worde om ook kerkelijk weer te gaan leven op een wijze die in overeenstemming 'met de beginselen der H. Schrift en van onze Geref. belijdenis is.
Zeker, ik weet wel dat we dan telkens met allerlei moeilijkheden te worstelen hebben en hiermee ben ik genaderd aan vragen die gesteld zijn door de heeren Asmus en Neerings. Wat de ééne vraag van den heer Neering's betreft zou ik willen antwoorden dat gemeenten waar de Gereformeerde Waarheid verkondigd wordt toch ook zeker nog wel een roeping hebben tegenover die gemeenten waar dat niet geschiedt. Als wij niet staan op het standpunt van Kaïn ; ben ik mijns broeders hoeder ? heeft de Bond dus ook in zulke gemeenten nog wel een roeping en een taak.
En wat de andere vraag van den heer Neerings betreft staan wij volkomen op het standpunt van Ds. Remme dat wij in het prediken van de Waarheid meer een geloofsdaad zien dan in het uitlokken van een conflict.
En wat de andere vragen die de practijk van ons kerkelijk leven raken, betreft, deze zouden met tal van anderen te vermeerderen zijn.
Immers als we predikant zijn niet het minst, dan weten we dat er in het onschriftuurlijk verband dat onze Kerk saamsnoert schier dagelijks kwesties zijn vooral die betrekking hebben op Doop en belijdenis, die dus de geestelijke zijde der Kerk raken, waar eigenlijk niemand raad mee weet. En in. dit opzicht blijken er dan maar twee wegen te zijn öf, zij Ihet onder protest, ons onderwerpen aan de desbetreffende artikelen van onze Synodaal-kerkelijke wetgeving of, als werkelijk onze conscientie het verbiedt, die gehoorzaamheid weigeren en dan als onvermijdelijk gevolg daarvan of zelf uitgaan of door de Besturen uitgeworpen worden. Eischt nu onze consciëntie het laatste, welnu dan mogen we niet langer blijven in het Synodaal verband, dan moeten we uitgaan, en als we dan niet op ons zelf willen blijven, dan zijn er Kerken te over, waar we een plaats vinden kunnen.
Maar voelen we ons in onze consciëntie daartoe niet verplicht, dan hebben we ons ook, zij het onder protest en zij het vaak met weemoed in onze ziel, te onderwerpen aan de bepalingen die in den weg der orde tot stand zijn gekomen. Zeker, we hebben alles te doen wat in ons vermogen is om te voorkomen dat dergelijke bepalingen waarvan wij meenen dat zij in strijd zijn met Gods Woord, gemaakt worden en als zij er eenmaal zijn dan mogen en moeten we als er eenige kans is, ze ook weer zien gewijzigd te krijgen, maar nooit mogen, evenmin in de Kerk als in den Staat, revolutionaire wegen door ons bewandeld worden.
Ik herhaal, dat hier allerlei aan de practijk ontleende moeilijke vragen gesteld kunnen worden, vragen waarmee ge heel gemakkelijk vooral eenvoudige gemeenteleden tegen dergelijke bepalingen van het kerkelijk leven in 't harnas jaagt. En dan kunt ge daarbij rekenen op den steun van allen die onze Kerk den scheidsbrief gaven ; dan wordt ge in die kringen getrouw bevonden omdat nu eindelijk ook uw oogen opengaan voor de goddeloosheden waarvoor hun oog al voor zooveel jaren geopend werd. In hun gedachten zien zij u dan ook al tot zich komen — zooals onlangs nog een predikant der Gereformeerde Kerken tot mij zeide dat het nu wel niet lang meer duren zou of wij zouden bij hen zijn.
Maar practisch komen zulke vragen in den regel hierop neer dat gij, omdat zoovelen de kerkelijke lijn niet onderscheiden en het kerkelijk verband waarin die bepalingen staan, niet zien, de verwarring er slechts grooter mee maakt. O, het is zoo gemakkelijk om op een vergadering groote woorden te spreken, woorden als deze, die ook vroeger hier wel eens gebezigd zijn, dat wij God meer gehoorzamen moeten dan de menschen, maar wie iets van de practijk van het kerkelijk leven kent weet dat het kerkelijk niet zoo gemakkelijk is om te zeggen : dat wil God en dat willen de reglementen en nu moet, ik dat wel doen en nu mag ik dat niet doen. Juist in deze dingen hebben wij zelfs met onze consciëntie zoo voorzichtig te zijn. Immers hoe vaak kwam het niet voor dat men eerst meende zijn consciëntie tegen te hebben, terwijl toch straks diezelfde consciëntie blijkbaar gebood om aan de bepalingen van onze kerkelijke reglementen onderworpen te zijn. Laten we toch bedenken dat we ook onze consciëntie nooit genoeg kunnen stellen onder de tucht van Gods Woord.
En dan zeg ik nog ééns, als dan werkelijk onze consciëntie verbiedt de kerkelijke bepalingen te gehoorzamen dan mogen we dat niet doen, dan moeten we dat niet doen, en dan zullen we dat niet doen. Maar dan moeten we ook aanvaarden de gevolgen die daaraan verbonden zijn. En dan kan ik niet anders inzien of een Kerk die mijn consciëntie geweld aandoet heeft voor mij opgehouden openbaring van het lichaam van Christus te zijn. Met haar kan ik dus niet langer gemeenschap hebben. Ik meen dat dat ook de grond was waarop indertijd de Hervormers met Rome gebroken hebben, dat dat de reden was waarom de Roomsche Kerk door hen als de valsché Kerk werd beschouwd en waarmee dus geen gemeenschap meer geoefend mocht worden.
Wie dat nu ook ziet in de plaatselijke gemeenten die Synodaal tot de Hervormde Kerk georganiseerd zijn, die ga van haar uit, die ga zoo spoedig mogelijk van haar uit. Die mag, al zou het hem niet alleen zijn geld en zijn goed, maar ook als in de dagen onzer vaderen, zijn bloed en zijn leven kosten, niet langer in haar blijven. Maar wie dat ook niet ziet, die ga niet uit en die late zich niet uitwerpen maar die blijve op de puinhoopen van de stad der vaderen roepen tot de Wet en tot de Getuigenis, geloovende dat God machtig en getrouw is om Zijn Woord te bevestigen : de bergen zullen wijken en de heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het Verbond van Mijn vrede zal niet wankelen in eeuwigheid.
Nadat de secretaris op deze wijze de sprekers en vragers beantwoord Iheeft, brengt de voorzitter hem een woord van hartelijken dank zoowel voor de repliek als voor het referaat waarin z.i. op duidelijke en uitnemende wijze het kerkelijk vraagstuk behandeld is. De voorzitter spreekt den wensch uit dat een en ander er toe zal bijdragen dat het inzicht in dit inderdaad moeilijke vraagstuk meer en meer verhelderd zal worden en dat het referaat dat reeds in druk verscheen en dat aan al de leden van den Bond zal toegezonden worden onder den zegen des Heeren zijn uitwerking niet missen zal.
Over het verdere verloop der vergadering hopen we in een volgend nummer van ons blad nog een en ander mede te deelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's