Stichtelijke overdenking.
Bij het Kruis. *)
De Kerk des Heeren is hier op aarde een Kruiskerk. Niet ten onrechte wordt zij vaak de gemeente onder het kruis genoemd.
Die naam kruis-gemeente blijkt in tweeledigen zin op haar van toepassing te zijn. Zij kan dien naam dragen om het kruis, dat zij zelve hier niet zelden te torsen heeft. Immers we weten dat haar vanwege de zonde gewoonlijk velerhande tegenspoed en kruis toekomt. En zeker, dat kruis is voor den éen van Gods kinderen soms heel wat zwaarder dan voor den ander, maar dat neemt niet weg, dat er niemand onder Gods gunstgenooten zal wezen die niet kan spreken van een kruis, dat God hem op den schouder heeft gelegd. De Heiland zegt dan ook Zelf: zoo wie zijn kruis niet opneemt en mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.
Maar behalve om dat eigen kruis is er nóg een reden waarom de Kerk des Heeren hier een gemeente onder het kruis geheeten kan worden. De Kerk leeft hier immers onder het kruis van haar Hoofd, onder het kruis van haren Koning, zij leeft hier onder het kruis, dat eenmaal geplant stond op Golgotha's hemeltop. Neem dat kruis van boven haar weg en zij heeft opgehouden een Kerk, zij heeft opgehouden de levende gemeente des Heeren, het lichaam van Christus te zijn. Ook al hebben wij dus het kruis uit onze kerkgebouwen geweerd, de Kerk zélf kan buiten het kruis niet gedacht worden. Het is juist het kruis van Christus, waaraan de gemeente Gods haar ontstaan en haar bestaan te danken heeft.
Daarom moet zij bij dat kruis leven, daarom moet zij op dat kruis zien, daarom moet zij in dat kruis roemen, daarom moet zij van dat kruis zingen, en daarom is het ook dat ik in deze ure, waarin zoovelen gereed staan om door haar belijdenis mondige leden van Gods Kruiskerk te worden, voor dat kruis uw aandacht vraag.
Ons tekstwoord vindt gij in Johannes 19 vers 25 :
„En bij het kruis van Jezus stonden zijne moeder en zijn moeders zuster, Maria, de vrouw van Klopas en Maria Magdalena."
De vrouwen bij het kruis. Dat is het onderwerp dat boven ons tekstwoord geschreven kan worden. Sommige uitleggers meenen dat die vrouwen drie in getal zijn geweest, dat dus zijn moeders zuster nader aangeduid wordt door Maria, de vrouw van Klopas. Anderen daarentegen, en dit komt ons waarschijnlijker voor, en ook meer in overeenstemming met wat Mattheus ons verhaalt, oordeelen dat hier sprake is van vier vrouwen, dat wij dus lezen moeten : „zijn moeder — dat is dan natuurlijk Maria geweest — zijn moeders zuster, dat zou dan Salome, de moeder van Jacobus en Johannes zijn geweest, — Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena.
Tusschen deze vier vrouwen was natuurlijk nog al eenig verschil. De meest bekende is natuurlijik Maria, de moeder des Heeren geweest, de vrouw die den gekruisten Zaligmaker naar Zijn menschheid eenmaal onder het hart had gedragen. O, hoe zullen haar gedachten vermenigvuldigd zijn toen zij haar eerstgeboren Zoon daar aan het vloekhout der schande zag hangen. Hem, van wien zij steeds zulke schoone en heerlijke verwachtingen had. Hoe zal er in die oogenblikken, zooals Simeon het voorspeld had, een zwaard door haar ziel zijn gegaan, toen zij haar Kind daar zag lijden, zonder dat zij ook maar iets tot verzachting van Zijn lijden kon doen. Naast haar stond haar zuster Salome, de vrouw, die onder de vier zeker wel de meest eerzuchtige was. Of was zij het niet geweest, die voor haar zonen de eereplaats aan de rechter-en linkerhand des Heeren had begeerd? O, nu zag zij wat de drinkbeker inhield, dien zij gemeend had dat ook haar zonen wel drinken konden, nu ondervond zij, dat de weg naar de kroon, dien zij voor haar zonen gezocht had, liep langs het kruis.
Naast haar heeft Maria, de vrouw van Klopas gestaan. Zij is van de vier zeker wel de meest onbekende geweest. We lezen niets van haar, dan. dat zij de vrouw van Klopas was. En deze Klopas is waarschijnlijk Alfeüs geweest, zoodat ook deze Maria de moeder van een van 's Heilands discipelen was. Maar verder schijnt zij een vrouw geweest te zijn, die weinig op den voorgrond is getreden. Hoewel misschien niemand het van haar wist, bleek zij echter, nu het er op aankwam, toch ook wel een discipelin des Heeren te zijn.
En naast haar wordt dan eindelijk Maria Magdalena genoemd. Zij is weer meer bekend en wel omdat zij van allen de diepst gezonkene was geweest. Of wordt van haar niet vermeld, dat zij van zeven duivelen bezeten was geweest en zij door den gekruisten Zaligmaker uit het geweld des Boozen was verlost? Was 't dus wonder dat zij, gelijk straks ook in den opstandingshof blijken zou, zich met zulk een innige liefde aan den Man van Smarten verbonden gevoelde ?
Man van Smarten verbonden gevoelde ? Deze vier vrouwen, de rijkst gezegende, de hoogst begaafde, de minst bekende en de diepst gevallene, hebben daar op eenigen afstand van het kruis verwijderd gestaan. Wonderlijk toch, dat waar we van de discipelen alléén van Johannes lezen dat hij op Golgotha tegenwoordig was, deze vier vrouwen de mannen hebben beschaamd.
En zeker, nu was er tusschen deze vier vrouwen een machtig verschil, maar hoe ook in menig opzicht onderscheiden, bleek er tusschen haar toch ook een punt van groote overeenkomst te zijn. Dat punt van overeenkomst lag in de drijfveer die haar naar het kruis had heengedreven. Neen, die drijfveer was niet, zooals bij zoovele anderen een ijdele nieuwsgierigheid, veel minder natuurlijk een satanische blijdschap dat de verachte Nazarener nu eindelijk aan het vloekhout genageld was. Integendeel die drijfveer — en daarin stemden deze vrouwen niet slechts overeen met elkander, maar ook met alle levende leden van Gods Kruiskerk, die nog steeds in den geest bij het kruis van Jezus staan — was een waarachtig geloof, een vaste hoop en een vurige liefde.
O, mochten wij allen met iets van dat zelfde geloof, van diezelfde hoop en van diezelfde liefde bij het kruis van Jezus staan.
Dan zullen wij in dat kruis zien een symbool,
Ie. van de meest diepe ellende; 2e. van de meest rijke verlossing; 3e. van de meest ondempbare klove ; 4e. van den meest onbreekbaren band.
Het kruis, waaraan de Heiland op Golgotha geklonken was en waarbij we in ons tekstwoord de vrouwen zien staan, heeft vier armen gehad. Als wij ons den Zaligmaker voorstellen, zooals Hij hangende aan 't vloekhout door menig teekenaar op 't doek werd gebracht, dan is er één arm van Zijn kruis, die naar beneden gaat; het is dat gedeelte van het kruis, dat in de aarde stond ; dan is er echter ook één arm van Zijn kruis die naar boven gaat, het is dat gedeelte van het kruis dat naar den hemel wees; en dan zijn er twee armen van Zijn kruis, die links en rechts uitgaan, het zijn die gedeelten waaraan de gezegende en zegenende handen van den Heiland gespijkerd waren.
Eén arm wees dus recht afdalend naar o omlaag, en wat dunkt u, zou die arm geen symbool zijn van de diepe ellende waarin dat kruis was geplant ? Wat een onbeschrijfelijke ellende immers werd daar geleden op die Hoofdschedelplaats, waar de grond reeds zoo vaak bevlekt was met bloed en die thans met het bloed van den Zoon des menschen werd gedrenkt. Wat een ellende, die dobbelende soldaten, die spottende priesters, die benauwende duisternis, die klachten der stervenden, die weenende vrouwen. Is er één plaats op deze aarde, waar de gevolgen der zonde in al hun ontzetting zijn gekend, waar bleek dat de aarde om der zonde wil van God vervloekt was geworden, dan is het zeker Golgotha geweest. Ja, het kruis herinnerde de vrouwen die er bij stonden aan de diepe ellende waarin deze gansche aarde verzonken lag en waarin dus ook zij zelve met de gansche wereld voor God verdoemelijk lagen. Immers dat het kruis daar stond was niet slechts omdat de heidensche soldaten het hadden geplant, was niet slechts omdat de Joodsche overpriesters het hadden gewild. Neen, dat het kruis daar stond was ook, was meer nog de schuld van deze vrouwen, die zich met zulk een innige liefde aan den Gekruiste verbonden gevoelden.
Dat het kruis daar stond was mede om de diepe ellende waarin de zeven duivelen Maria Magdalena hadden gebracht, was mede om de diepe ellende waarin ook Maria, de vrouw van Klopas, van nature had verzonken gelegen, was mede om de diepe ellende waaraan van nature ook Salome onderworpen was, en was mede om de diepe ellende waaraan zelfs Maria, de moeder des Heeren, zich zelf niet ontworstelen kon. De afdalende arm van het kruis wees deze vrouwen dus op de nameloos diepe ellende waarin de zonde niet alleen anderen, maar ook haar, die er weenend bij stonden, had gebracht. Dat die arm in de met bloed gedrenkte aarde verdween, was haar als het ware een herinnering hoe straks ook voor haar de kuil gedolven , zou worden en hoe er dan ook voor haar niet meer boven, maar slechts onder die aarde een plaats zou zijn. Het kruis van Jezus zagen de vrouwen dus staan in de diepe ellende waarin onder den doem des Heeren de gansche wereld en dus van nature ook de Kerke Gods, verzonken lag.
En wat dunkt u, zou dat niet de eerste blik zijn, die ook door ons op dat kruis geslagen mioet worden ? Is de heuvel Golgotha in dat opzicht niet een zinnebeeld van gansch deze wereld, die, onder den vloek des Heeren liggende, zoo veel doornen en distelen draagt ? Wat een ellende op Golgotha, maar wat een diepe ellende waarin heel deze aarde om der zonde wil onderworpen ligt. Immers niet slechts op Golgotha, maar grond die met bloed gedrenkt is, is er overal ; dobbelende soldaten zijn er overal ; spottende ieidslieden des volks zijn er overal; klachten van stervenden zijn er overal; benauwende duisternis is er overal ; weenende vrouwen en mannen en kinderen zijn er overal. Of hebt gij nooit iets van de ellende dezer wereld gezien ? Hebt gij nooit iets van de droeve weeklachten, die hier geslaakt worden, gehoord ? Hebt gij in uw eigen leven nooit iets van de smarten des levens gevoeld ? Is het voor u hier op aarde, ook al was het midden op den dag, nooit duister, nooit stikdonker geweest ? En o, gelukkig als gij er nu, bij Geesteslicht iets van verstaan hebt, dat die dikke duisternis er niet slechts om anderer, maar ook om uwe zonden was ; dat het kruis van'Christus dus niet alleen in de ellende van anderen, maar ook in uwe ellende werd geplant; als gij met de vier vrouwen die bij het kruis stonden — de een meer, de ander minder, — dus iets gepeild hebt van de diepe ellende waaraan ook Gods Kruiskerk, waaraan dus ook gij van nature onderworpen zijt. Dat immers, de kennis van onze ellende, het zien op dien arm van het kruis die nederwaarts afdaalde, is de weg om kennis te krijgen aan de rijke verlossing, waarvan de opwaarts gaande arm van het kruis ons een zinnebeeld is.
De vrouwen die bij 't kruis van Jezus stonden zagen een arm van het kruis nederwaarts gaan en in de aarde wegzinken. Maar diezelfde vrouwen zagen ook boven het hoofd van den lijdenden Verlosser een stuk van het kruis opwaarts gaan, hemelwaarts wijzen, en dat opwaartsche stuk van het kruis boven dat Hoofd vol bloed en wonden was voor deze vrouwen een herinnering aan de eeuwige verlossingsgedachten, die daar bij God in de stilte der eeuwigheid gerezen waren ; dat opwaartsche stuk van het kruis herinnerde haar aan de stem der hemelsche legerscharen, die in den Kerstnacht hadden gezongen hun „Eere zij God in de hoogste
hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen."
Dat opwaartsche stuk van het kruis herinnerde Maria, de moeder des Heeren, aan de groote dingen die God aan haar gedaan had, aan het krachtige werk dat door de overschaduwing des Heiligen Geestes aan haar was verricht.
Dat opwaartsche stuk van het kruis bepaalde Salome bij dat Koninkrijk, waarin zij voor haar beide zonen een eereplaats had begeerd.
Dat opwaartsche stuk van het kruis riep het Maria, de vrouw van Klopas, toe, dat zij zich nooit zoo innig aan dien gesmaden en gevloekten Kruiseling verkleefd zou gevoeld hebben als het niet was dat die behoefte aan en die begeerte naar Hem van bovenaf in haar hart was gewerkt.
Dat opwaartsche stuk van het kruis was voor Maria Magdalena een bewijs dat de Satan, van wien zij verlost was, als een bliksem uit den hemel was gevallen en dat hij nu met vermorzelden kop aan de vastgespijkerde voeten van dien Gehangene lag.
Ja, dat opwaartsche stuk van 't kruis was voor al deze vrouwen een zinnebeeld van de vergeving harer zonden, van de uitdelging harer schuld, van de verlossing uit de diepte harer ellende en van het ingaan in heerlijikheid, dat straks, als hier op aarde voor haar lichaam de groeve gedolven zou worden, aan hare zielen bereid zou zijn.
En wat dunkt u, als wij waarlijk net als deze vrouwen lichamelijk, in den geest bij het kruis van Jezus staan, zou dat opwaartsche stuk van het kruis voor ons dan geen herinnering aan diezelfde verlossing zijn ?
Neen, het kruis van den Zaligmaker wijst ons niet alléén naar beneden. Zeker het wijst ons wel eerst naar beneden en bepaalt ons wel eerst bij de diepe ellende waarin de zonde ons bracht, maar daarna wijst datzelfde kruis de gemeente des Heeren ook naar boven. Daarna bepaalt dat kruis ons bij de gedachten des Vredes, die de eeuwige God van vóór de grondlegging der wereld in zichzelven had ; daarna herinnert dat kruis ons hoe de Zaligmaker van den hemel naar de aarde is gekomen en hoe in Hem de eeuwige Vredesgedachten Gods werkelijkheid zijn geworden; daarna roept dat kruis het ons toe, hoe er nu in dien Gekruiste weer een weg is om in den hemel te komen, hoe er nu door Hem voor al Zijn volk plaats bereid is in het huis des Vaders, waar vele woningen zijn, en waar Hij al de Zijnen eens tot zich nemen zal.
Gelukkig als ons geloofsoog dus niet slechts op het nederwaartsche, maar ook op het opwaartsche stuk van het kruis gevestigd mag zijn; als we met Maria, de moeder des Heeren, ook kunnen spreken van een krachtig werk dat van boven aan ons verricht is geworden ; als wij met Salome een oog hebben voor het rijk der heerlijkheid, waar in de diep vernederde Koning straks gezeten, zal zijn als we met Maria, de vrouw van Klopas, verstaan dat wij nooit naar den gekruisten Jezus gezocht zouden hebben, als het ons niet van boven gegeven was ; als we met Maria Magdalena leerden beseffen dat alléén de hemel ons kon verlossen van de banden des doods, waarin de duivel ons had gebonden, en van de angsten der bel, waarin Satan ons had bekneld. Ja, gelukkig als we met de vrouwen staan bij het kruis van Jezus en als we dan niet alleen met het oog naar beneden iets zien van de diepe ellende, waar in wij met de wereld verzonken liggen, maar als we dan ook met het oog naar boven iets mogen zien van de rijke verlossing, waarin we ons met gansch de kruisgemeente mogen verblijden en het mag dan met den dichter van Psalm 73 onze belijdenis zijn :
Wien heb ik nevens U omhoog. Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog. Op aarde nevens U noch lusten Niets is er waar ik in kan rusten.
Als de vrouwen bij het kruis omlaag zagen, dan zagen zij in het kruis een zinnebeeld van diepe ellende. Als zij omhoog zagen dan zagen zij in het kruis een toonbeeld van rijke verlossing.
Maar het kruis had ook nog twee armen, die terzijde uitgingen en die beide zijarmen van het kruis zijn eerst het symbool van een ondempbare klove. Immers wat een verschil tusschen den man, dien de vrouwen ter eener zijde zagen hangen, en den man, dien zij gekruist zagen aan den anderen kant.
O zeker, daar bleek tusschen die beide mannen ook groote overeenkomst te zijn. Beiden immers waren zij menschen menschen van gelijke beweging als de vrouwen, menschen van gelijke beweging als wij. Beiden waren zij gevallen, diep gevallen zondaren, misdadigers, wier handen bevlekt waren met menschenbloed. Beiden waren zij doodslagers, die nu zelf hingen voor de poort van den dood. Beiden stonden zij op den drempel der eeuwigheid, Nog enkele uren en dan zou voor beider lichaam de groeve gedolven worden en dan zou beider ziel worden betrokken in het gerichte Gods.
Maar bij alle overeenkomst, wat een machtig verschil. Wat groef het kruis tusschen die beide mannen een ondempbare klove. Immers de éen bleek aan 't kruis nog een vloeker te wezen, de ander daarentegen was door genade een bidder geworden.
De een werd met het kruis voor oogen verhard, de ander werd met het kruis voor oogen ontfermd. De een bleek een verachter, een hater, de ander bleek een aanbidder, een liefhebber van den Gekruiste te zijn. De een zonk vlak naast het kruis weg in de hel, de ander kreeg van het kruis de belofte dat hij met den Koning nog heden in den hemel zou zijn. O, wat een diepen indruk moet deze door het kruis getrokken klove ook op de vrouwen gemaakt hebben. Nu zagen zij immers : die armen van het kruis liepen uiteen, liepen hoe langer hoe verder uiteen, liepen zoo ver uiteen, dat er geen ontmoeting meer mogelijk was. Het kruis maakte een scheiding, een scheiding tusschen vloekers en bidders, een scheiding tusschen haters en liefhebbers, een scheiding tusschen vloek en zegen, tusschen dood en leven, tusschen duisternis en licht, tusschen hel en hemel, tusschen eeuwige rampzaligheid eenerzijds en eeuwige heerlijkheid anderzijds.
En niet slechts dat dat kruis dat letterlijk deed tusschen die twee misdadigers, die met Jezus gekruisigd waren. Maar o, de vrouwen zullen het wel gevoeld hebben, dat kruis trok de klove tusschen allen die er op Golgotha meer of minder ver van verwijderd waren. Dat kruis trok hier de klove tusschen hen voor wie het eenerzijds een ergernis en een dwaasheid was, en hen voor wien het anderzijds zou worden een kracht Gods tot zaligheid.
En ach, als deze vrouwen nu in zichzelf stonden en op zichzelf zagen, dan konden ook zij zelfs een gevoel van ergernis niet onderdrukken, dat hun Heiland en Meester daar aan het vloekhout der schande hing, dan was er dus zelfs overeenkomst tusschen haar en den vloekenden moordenaar, maar door het geloof dat God door Zijn Geest in de harten dezer vrouwen gewrocht had, was daar een hope op en een liefde tot den Gekruiste, die door vele wateren niet gebluscht kon worden en waarvan zij voor de gansche wereld geen afstand hadden willen doen.
Het kruis heeft op Golgotha door zijn twee uiteengaande armen een ondempbare klove getrokken, maar het kruis deed dat niet alleen op Golgotha ; het kruis deed en doet dat nog steeds overal waar de kruisbanier werd geplant. Door zijn uitslaande armen maakt dat kruis nog steeds scheiding tusschen menschen èn menschen, tusschen menschen die als de beide moordenaars tot de poorten des doods zijn gekomen, maar ook tusschen menschen voor wie het nog geen tijd van sterven, maar van leven is. Het kruis maakt niet zelden scheiding tusschen broeders en zusters, tusschen ouders en kinderen, tusschen mannen en vrouwen, tusschen degenen die door allerlei natuurlijke banden aan elkander verbonden zijn. Dat kruis maakt scheiding tusschen de sterfbedden, maar dat kruis maakt ook scheiding op ieder terrein van ons veelzijdig menschenleven. Dat kruis maakt scheiding tusschen wereld en Kerk, tusschen goddeloos en rechtvaardig, tusschen wat vloekt en wat bidt, tusschen wat verloren gaat en wat behouden zal worden, tusschen degenen die eenmaal zullen wegzinken in de diepte der hel en degenen die eenmaal zullen ingaan in de heerlijkheid des hemels.
Het is dus wel een hoe langer hoe verder getrokken, ten slotte een ondempbaar geworden klove, die door het kruis van Jezus in leven en in sterven gegraven wordt.
En als wij nu bij dat kruis staan, evenals de vrouwen er bij stonden en als wij het dan met een natuurlijk oog bezien, ach dan blijkt dat kruis net als voor de Jo'den en de heidenen, die er omheen stonden, ook voor ons niet anders dan een ergernis en een dwaasheid te zijn. Van nature immers dan willen we niet langs den weg van het kruis, door het werk van het kruis gered en gezaligd worden. Dan gaan wij liever verloren, dan dat we door het kruis behouden worden. Wanneer wij echter net als de vrouwen het kruis zien in het licht des Geestes, met het oog des geloofs, dan is het juist andersom. Dan beseffen we dat er geen andere weg voor ons is om zalig te worden dan de weg van het kruis ; dat geen ander werk de grond onzer hope kan wezen dan het werk, dat aan het kruis werd volbracht. Dan zouden wij voor niets ter wereld den Gekruisten Verlosser willen missen; dan verstaan we iets van het bekende lied :
Mijn Verlosser hangt aan 't kruis En Hij hangt er mijnentwege ; Mij ten zegen. Van den vloek maakt Hij mij vrij in Zijn sterven zaligt mij.
De uitgaande armen van het kruis blijken echter niet slechts een symbool van een ondempbare klove tusschen twee soorten van menschen te zijn, zij blijken niet minder ook het zinnebeeld van een onbreekbaren band.
De Heiland heeft ook aan het kruis de handen uitgebreid tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk en door die uitgebreide armen heeft Hij het als 't ware allen die om het kruis geschaard stonden, toegeroepen : „Komt herwaarts tot Mij, gij allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven." Door die uitgebreide armen heeft Hij als 't ware allen die daar op Golgotha waren willen omvangen, en Hij heeft ze willen vereenigen. Hij heeft ze willen verbinden aan zich, en door zichzelf aan den Vader en zoo heeft Hij ze willen doen verstaan dat Zijn kruis ook de band moest vormen, waardoor zij aan elkander verbonden zouden zijn.
En o zeker, nu zijn er daar op Golgotha velen geweest, die de stem van die uitgebreide armen niet hebben verstaan ; daar zijn er velen geweest, die zich door een gevloekten Kruiseliriig niet wilden laten binden, die in het kruis geen band zagen waardoor zij weer met God vereend, met den Heere verzoend konden worden, die dus ook dat kruis niet beschouwd hebben als het vereenigingspunt dat hen aan elkander verbinden en met elkander vereenigen moest. Integendeel, daar zijn er velen geweest wier oordeel straks door hun staan bij het kruis van Jezus verzwaard is geworden, en inplaats van met elkander vereenigd, zijn Jood en heiden steeds elkanders onverzoenlijke vijanden geweest.
Maar daar waren ook anderen, die zich door de uitgebreide kruisarmen lieten vangen ; die zich door de uitgebreide armen van den Heiland lieten omhelzen, die door dat kruis niet alleen des te inniger en des te nauwer zich aan Hem verbonden gevoelden, maar die straks in dat kruis ook den weg zagen die hen weer met God vereenigen zou; ja, die door dat kruis ook onverbreekbaar aan elkaar verbonden werden.
En dan denken we aan den moordenaar, voor wien het kruis van Christus de poort des hemels werd ; dan denken we aan Johannes, die het straks zou uitroepen : en Hij is een verzoening voor onze zonden ; en dan denken we niet het minst aan de vrouwen, aan de Maria's en aan Salome, die juist nu Hij aan het kruis hing, zich met een onweerstaanbaren drang des harten tot Jezus voelden aangetrokken, en die, zonder dat zij er zich nog ten volle van bewust waren, door het geloof er toch iets van verstonden, dat dat kruis de eenige weg was om weer met haar God verzoend te worden. Ja, dat er bij het kruis iets gevoeld werd van den band die de discipelen en discipelinnen des Heeren ook onderling aan elkander verbond, dat blijkt wel als de Heiland Johannes wees op Zijn moeder en Zijn moeder wees op Johannes en als we dan lezen : en van die ure nam haar de discipel in zijn huis. Wonderlijke band dus, die door 't kruis van Christus gelegd werd. Immers het Is ten slotte de eenige band die alles, die ook de eeuwen verduurt, die zelfs door dood en door graf in tijd en eeuwigheid niet verbroken kan worden. O, we weten dat er anders geen enkele band is die niet te verbreken is. Zelfs de hechtste band van vriendschap en liefde tusschen de menschen blijkt voor verbreking vatbaar te wezen. En als de dood komt, dan breekt iedere band die ons hier op aarde aan wien dan ook, verbonden had. Maar de band dien het kruis gelegd had tusschen de vrouwen en Jezus, de band dien het kruis gelegd heeft tusschen alle discipelen en discipelinnen des Heeren, kon niet geslaakt en kan niet gebroken. Die band blijkt inderdaad onbreekbaar te zijn. Maar niet slechts op Golgotha, nog steeds blijkt die onverbreekbare band des geloofs en der liefde een vrucht van 't kruis van Christus te zijn.
Ja, die uitgaande armen van het kruis die uitgebreide armen van den Gekruiste, zij roepen het nog steeds uit, zij roepen het ook ons nog steeds toe : Wendt u naar Mij toe, o alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer. Naar Oost en West, naar Noord en Zuid strekken die gekruiste armen van den Heiland zich uit om zondaren tot Zich te roepen. En o zeker, evenals op Golgotha, zoo zijn er ook nu, zoo zijn er ook onder ons nog velen, wier ooren niet zijn doorboord en wier harten niet zijn ontsloten, zoodat zij geen oor hebben voor die stem en zoodat zij geen oog hebben voor de armen waarmee de gekruiste Zaligmaker ze omvangen en omhelzen wil. Zij gaan voort om het met het kruis voor oogen uit te roepen : Wij willen niet dat een gekruiste Jezus Koning over onze zielen zal zijn. Schrikkelijk als misschien ook gij nog tot dezulken behoort. Bedenkt dan dat door uw staan bij het kruis Uw gericht en uw verdoemenis eenmaal des te zwaarder zal zijn.
Maar gelukkig dat er ook anderen zijn, menschen, vrouwen en mannen, jongelingen en jongedochters, grooten en kleinen, grijsaards en kinderen, wier hart door den Heere werd geopend, zoodat zij acht leerden geven op het woord dat door die uitgebreide kruisarmen tot hen kwam. Door Gods Geest aan zichzelve ontdekt, leerden zij verstaan dat er zonder het kruis voor hen geen weg was om zalig te worden, dat er zonder het kruis hier op aarde geen enkele band onerbrekelijk is.
Maar toen door genade hun geloofsoog ook voor het kruis ontsloten mocht worden en zij iets leerden verstaan van de rijke beteekenis die er ook in de uitgaande armen van dat kruis besloten ligt, toen hebben zij het met de vrouwen bij het kruis ervaren : dat kruis bond ze eerst aan Jezus, van Wien te scheiden hun niet meer mogelijk was ; dat kruis bond ze daarna aan God, met Wien zij door het kruis immers verzoend en verenlgd werden ; maar dat kruis bindt ze nu ook aan elkander en aan allen die een even dierbaar geloof met hen zijn deelachtig geworden. Dat kruis maakt, dat hoe ook uitwendig soms gescheurd en gedeeld, de gansche Kerk des Heeen toch maar heeft één Heere, één geoof één Doop, één God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen en in allen. Dat kruis is de band tusschen Jezus en Zijn gemeente ; dat kruis is de band tusschen God en Zijn volk ; dat kruis is de band tusschen allen die een waarachtig geloof, een vaste hoop en een vurige liefde zijn deelachtig geworden.
Hoe dichter dus bij 't kruis, hoe dicher bij Jezus ; hoe dichter bij het kruis, hoe dichter bij God ; hoe dichter bij het kruis, hoe dichter bij elkander.
En daarom gelukkig ais ons geloofsleven met dat van de vrouwen maar een staan dicht bij het kruis van Jezus mag zijn, en als wij met het oog op dat kruis dan mogen stamelen wat de dichter eens zong :
Welzalig dien Gij hebt verkoren. Dien G' uit al 't aardsch gedruisch Doet nad'ren en Uw heilstem hooren, Ja wonen in Uw huis.
V.
J.
*) BelijdenispreÜicatie. uitgesprolcen te Veenendaal op Zomdag 13 April 1924 bij de Oipenbare geloofsbelijdenis van vrouwelijke lidmaten. g d
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's