Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
Nu — och Paul, jongen ! je weet zelf wel, hoe 't hier gaat : de zonde woont in ons vleesch. En we vechten en strijden tegen de zonde ; maar de kroon der overwinning wordt ons maar daar op 't hoofd gezet, en zoodra zal ze ons hoofd niet tooien, of we nemen ze weer af en leggen ze voor Zijn voeten neer : want ze zijn de Zijne. O, ik verlang soms zoo ! En ik heb alles bereid : alle zaken zijn in orde. Maar Marie — daar wilde ik met je over spreken. Als ik er niet meer ben, is Marie alleen, dat lieve schepseltje, zoo teergevoelig van hart ! — Zie deze vraag wilde 'k je nu meegeven, dan kan je daarover eens denken, en mij antwoorden, als je terugkomt. Als ik er niet meer ben, wie zal dan voor Marie zorgen ? "
Even een doodsche stilte. Paul zag bleek en staarde in 't niet. Totdat zijn blik rustte in 't gelaat der andere.
„Zou ik het kunnen, freule ? " vroeg hij. „Jij alleen onder de aardbewoners, Paul!" „Dan beloof ik u, met Gods hulp voor haar te zorgen, freule !"
Zij glimlachte.
„Je begrijpt me toch wel, Paul ? Jullie hebt immers elkander lief? "
„Ja, freule ! God weet het !" „En ben je nog geheel vrij ? " „Ja, freule !" „Mag ik 't haar zeggen ? "
„U zoudt mij daarmee een eenigen dienst bewijzen !"
„Zou uw vader 't goed vinden ? En die lieve menschen, die je als een eigen kind in huis namen ? "
„Freule! zij verwachten niets anders en hopen niets anders !"
Hij zag haar blijde aandoening, en voelde haar moederlijke zorg voor Marie en ook moederlijke liefde jegens hem zelf. 't Was zoo plechtig stil nu, en hij voelde zich als in een wondere wereld overgedragen.
De freule verbrak de stilte :
„Och Paul ! druk even op dat knopje !" Hij deed het en een oogenblik later kwam Marie met een tuil Kerstrozen (anemonen) binnen : die moest Paul meenemen voor vrouw Betje. Reeds vóór drieën stond het rijtuig vóór en stapte Paul in.
Toen hij thuis kwam, bleek het, dat men daar werkelijk Marie had mee verwacht.
„Och ! — zei Paul — je wist immers, dat Marie geen oogenblik de freule alleen laat."
Wat waren 't genoeglijke, liefelijke dagen, die Paul in den kring der zijnen doorbracht. En de Kerst-en Zondagen, wanneer ieder en alles op zijn mooist, zijn rustigst was, waren voor allen even kostelijk. De oude Dilleman was, omdat alles nog onder de sneeuw zat — van den middag tot den avond in den kring en genoot in stilte 't meest van allen. Want de zoo geliefde en vereerde was zijn eenig kind !
Bij een korte afwezigheid van Paul zeiden moeder en de meisjes, dat hij somberder was na zijn bezoek bij de freule ! Hillebrand zou daar nu ook eens op letten. En hij moest haar gelijk geven : er was iets sombers over Paul gekomen. Hij zocht gelegenheid om eens met hem alleen te zijn, en vroeg hem, of hij misschien met de freule of met Marie iets zeer bijzonders had besproken.
Paul was met Hillebrand veel intiemer dan met zijn eigen vader, intiemer misschien dan ooit een zoon met zijn vader kan zijn. Hij deelde 't aan Hillebrand mee, wat hem zoo in zich zelf gekeerd deed zijn ; somberheid was 't eigenlijk niet.
„De freule denkt, dat zij niet lang meer zal leven ; ze heeft mij gevraagd, wie er voor Marie zou., zorgen, als zijzelf niet meer hier zal zijn. Zij weet nu, en is daar zeer blij mee, dat ik, als de Heere het wil, met Marie zal trouwen. En nu voel ik, wat een slag het vooral voor Marie, maar toch ook voor mij zal zijn, als de Heere de freule wegneemt. Dat is het : de dag, die anders voor Marie de blijdste van haar leven zou zijn voor mij zelf is 't, of die dag nooit komen zal — wacht op den zwaarsten slag, die haar kan treffen. Ik ben niet somber ! — ik weet eigenlijk zelf niet, hoe ik ben ; maar als ik wist, dat de Heere de freule en Marie en mij alle drie gelijk tot Zich zou nemen, zou 'k dat het ideaalste van alles vinden."
Hillebrand wilde gaarne iets weten, wat hij bijna niet durfde vragen. En dat zei hij tot Paul.
„Je mag mij alles vragen, baas !"
„Ja, dat dacht ik ook wel, jongen ! Zeg dan 's : heb je misschien ook te veel liefde voor de freule ? "
„Ik weet het niet "
„Heb je soms wel eens gedacht, om met haar te trouwen ? "
„Nooit ! nooit ! Ik zou 't niet willen en ik zou 't niet kunnen, maar 'k zou altijd bij haar willen zijn. 't Is iets wonderlijks. De freule trekt mij altijd naar den hemel. Marie houdt mij op de aarde. De freule is voor mij de hooge torenspits, die naar boven wijst, die naar boven dringt Marie is voor mij meer een stuk van 't fondament, of een stut, dragend en steunend : zij boeit mij aan de aarde, zonder mij van den hemel af te trekken."
„Ja — zei de kuiper — een menschenhart is een wonder ding. En ieder hart is weer anders."
HOOFDSTUK XX, VIII.
Daar stond eindelijk het rijtuig stil voor 't kuipershuis en Paul was al een half uur gereed, om er zóó in te stappen.
„Nu, we zullen wel zien, wanneer ik terug kom I"
Hij had nog een volle week vrij, en de huisgenooten verzekerden elkander, dat ze thuis niet veelmeer aan hem zouden hebben.
Toen ze een half uurtje gereden hadden, schoof de koetsier een raampje neer, kwam met het gelaat voor de opening, en zeide : „Mijnheer Dilleman !"
Paul kwam naderbij met zijn oor.
„U weet zeker niet dat vrouw Kooijker slecht ligt? "
„Neen, dat wist ik niet."
„Och, ze sukkelde vroeger bijna altijd. Nu ging het nog al goed met haar in den laatsten tijd, maar ze schijnt het nu op eens erg te pakken gekregen te hebben."
„Is Marie soms naar haar moeder toe ? "
„Ik heb juffrouw Kooijker van morgen naar Delberg gebracht. Ik had juist ingespannen om u te halen, toen een jongen op 't slot de boodschap bracht. De freule wilde toen, dat ik naar Delberg om zou rijden en; de juffrouw daar brengen."
„Je hebt toen zeker meteen gevraagd„ hoe 't met vrouw Kooijker was ? "
„'t Was 'n beetje afgezakt, zeiden ze ; maar ze moet een slechten nacht hebben gehad."
„Was Marie niet erg geschrokken ? "
„De juffrouw geschrokken ? Zij is altijd even kalm. En hoe grooter de nood is, hoe verstandiger ze aanpakt om te helpen. Zoo 'n mensch heb je nu nog nooit gezien, mijnheer ! Als de menschen in 't slot, in den tuin, of bij de buren, met de handen in 't haar zitten, dan roepen ze om juffrouw Kooijker. En ze weet altijd raad niet alleen, maar is ook immer de eerste, die de handen uit de mouw steekt. Daar kan ik zóó veel staaltjes van vertellen, dat ik in een dag niet uitgepraat kom."
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's