„Effatha".
Men meldt ons van de 35e algemeene vergadering van „Effatha" te Dordrecht het volgende :
In het Instituutsgebouw alhier opende ds. C. Lindeboom, van Amsterdam, heden (Donderdagmorgen) half elf de 35e algemeene vergadering van „Effatha", na het voorlezen van Psalm 103. Uit het voorgelezen Schriftgedeelte ontwikkelt hij een drietal gedachten. De dichter begint met op te wekken tot den lof des Heeren wegens Zijn trouw en weldadigheid. „Effatha" kan ook niet anders dan getuigen, dat het 't aan niets ontbroken heeft dan aan een altijd dankbaar hart om den Naam Gods te loven en te prijzen.
In de tweede plaats herinnert de dichter aan de kortstondigheid van het menschelijk leven. Die boodschap kwam ook tot „Effatha", dat een ledige plaats in zijn bestuur kreeg door het overlijden van den heer O. Vetten, te Dordrecht. Zijn plaats is nu in het Heilige der Heiligen voor Gods troon. Geve God, dat wij zijn voorbeeld van trouw navolgen.
in de derde plaats wordt ons door dezen Psalm een hart onder den riem gestoken met het oog op de groote dingen, die wachtende zijn. Tegenover de bergen van bezwaren, waarvoor we staan, heffen we hier de belofte, dat Gods goedertierenheid is over al degenen, die Zijn verbond houden en aan Zijn bevelen denken.
Het Woord Gods en de ervaring leeren ons, dat we dan niet beschaamd zullen uitkomen.
Ds. Lindeboom deelt dan mede, dat de penningmeester, de hee W. L. B. den Blaauwen, Ant. Duyckstraat 49, Den Haag, wegens ongesteldheid niet aanwezig kan zijn. Hij spreekt den wensch uit dat hij spoedig hersteld zij.
Den aanwezigen heette bij allen welkom, in het bijzonder dr. A. van Voorthuijzen, inspecteur van het B. L. O. en den heer Donner, bestuurslid en afgevaardigde van het blindeninstituut „Bartimeus".
Ds. Prins brengt vervolgens als secretaris zijn jaarverslag uit, waarin hij allereerst memoreert het overleden bestuurslid, den heer G. Vetten, van Dordrecht, voor wat hij voor .„Effatha" en zijn ondersteuningskas deed. Verder geeft hij een overzicht van de bestuurswerkzaamheden en een verslag van het examen der onderwijzers Roseboom, Verrij en Timmer. De eerste slaagde voor het tweede gedeelte van het diploma B ; de beide anderen behaalden het diploma A.
In de vacature in de damescommissie van toezicht op de huishouding, ontstaan door het vertrek van mevr. Kramer, werd voorzien door de benoeming van mevr. Verdoes-Klein.
Ten slotte moest de secretaris nog tot zijn leedwezen meedeelen, dat „Effatha" den huisvader en - moeder, den heer en mevr. v. d. Heuvel, eerlang zal moeten missen.
De heer J. Schaap, van Leiden, leest het jaarverslag van den penningmeester voor. Velen hebben gevolg gegeven aan het verzoek, te helpen om het tekort over 1922 te dekken. In het geheel werd daarvoor ƒ8215.44 ontvangen.
Op ƒ 738.44 na is dat tekort nu gedekt. Hij dankt allen, die daartoe geholpen hebben.
Het boekjaar 1923 sluit met een tekort van ƒ 4376.85. Opnieuw verzoekt hij hulp te verleenen bij het dekken daarvan. Wel is nu de wettelijke regeling gekomen, maar een belangrijk bedrag van de kosten der school en de geheele exploitatiekosten van 't internaat blijven voor rekening van „Effatha", zoodat nog ruim ƒ 5900.— ongedekt blijft. Daarom, èn omdat de noodzakelijke verplaatsing en uitbreiding van het instituut de exploitatiekosten spoedig belangrijk zal verhoogen, moet men zijn steun niet inhouden ; integendeel, meerdere steun is dringend noodig. Ieder, die wat missen kan, zende NU reeds een gift per postwissel aan den Penningmeester.
In aansluiting met dit verslag verzoekt het hoofd der school, de heer A. A. van Holten, Mij. Dordrechtstraat 29 te Dordrecht den correspondenten om opgave van adressen van doofstommen, die voor plaatsing in „Effatha" in aanmerking komen. De heer Donner geeft den raad, dit verzoek cursief in het gedrukte jaarverslag op te nemen.
Na het gunstig rapport der commissie tot het nazien van het financieel beheer over '23 en de benoeming van 'n nieuwe commissie voor 1924 werd verslag uitgebracht over de Algemeene Ondersteuningskas. De inkomsten stegen, maar de uitgaven nog meer, zoodat het kassaldo van ruim ƒ 200.— werd omgezet in een kastekort van ruim ƒ 100.—, hetgeen echter gedekt is door de ingekomen giften in het begin van 1924.
Het hoofd der school sprak in zijn onderwijsverslag zijn dankbaarheid uit over de eindelijk verschenen wettelijke regeling van het doofstommenonderwijs, maar betreurde, dat geen uitvoering werd gegeven aan art. 127 der L.O.-wet 1920, waardoor „Effatha" geen vergoeding krijgt voor een nieuwe school, waar aan zoo dringend behoefte is. Ook vreesde hij, dat de lagere marge mutatie in de hand zou werken en het verkrijgen van goede leerkrachten onmogelijk of hoogst moeilijk maken. Het aantal leerlingen steeg van 71 tot 76, waaronder 9 externen.
Het aftredend bestuurslid mr. Terpstra, van 's Gravenhage, werd herkozen en in plaats van den overleden heer G. Vetten werd gekozen jhr. mr. H. A. M. Van Asch van Wijck, van Doorn.
Vervolgens kwam aan de orde het toestuursvoorstel, tot verplaatsing van school en internaat naar het midden des lands, aankoop van bouwterrein en het sluiten van een leening voor dat doel. Het bestuurslid, de heer J. Schaap, van Leiden, lichtte dit voorstel toe. Het instituut van thans is in 1903 betrokken, ! toen er 24 leerlingen waren. Dit aantal is geleidelijk tot 76 geklommen en als de stijging blijft als in de laatste 5 jaar, hebben we over enkele jaren tusschen de 100 en 120 kinderen. Alle beschikbare ruimte is reeds ingenomen, uitbreiding is hier niet mogelijk en daarom het voorstel tot nieuwbouw. Het bestuur wil het nieuwe instituut dan liefst in 't midden des lands hebben, in hoofdzaak omdat er nu wegens den grooten afstand zoo weinig kinderen uit het Noorden komen. Mocht de financiëele stok niet lang genoeg zijn, om zoo ver te springen als voorgesteld wordt, dan zou men naar een oud gebouw moeten omzien, dat voor het doel zoo goed mogelijk gebruikt kon worden. Maar aan nieuwbouw wordt de voorkeur gegeven in verband ook met de eischen, die het doofstommenonderwijs stelt. Om tot een begrooting te komen, heeft een architect reeds een schets-ontwerp gemaakt.
Het moeilijkste is het financieel gedeelte. Als er geen bijzondere giften komen, zijn de exploitatiekosten in verband met rente en aflossing niet te dragen. Het bestuur stelt zich voor, dit jaar ijverig propaganda te voeren, om die giften te verkrijgen. Hoe hooger die zijn, hoe minder er geleend behoeft te worden en hoe lager het bedrag wordt noodig voor rente en aflossing.
De heer Donner vraagt, of het met 't oog op de financiëele moeilijkheden niet gewenscht is, school en internaat te scheiden en voor een van beide een huis te huren. De inspecteur, dr. A. v. Voorthuyzen, spreekt zijne blijdschap uit over den optimistischen geest, die hier heerscht. Nu het Rijk niets doet, gaat men niet bij de pakken neerzitten. Bij zijn schoolbezoek heeft hij gezien wat een buitengewoon goed werk hier verricht wordt. Voor een doofstommeninstituut deugt dit gebouw echter absoluut niet. Hij hoopt het daarom spoedig te beleven dat er een nieuw instituut komt.
Het hoofd der school zet kort uiteen het verschil tusschen blinden-en doofstommenonderwijs, om te betoogen dat hetgeen voor blinden kan, voor doofstommen nog niet mogelijk is. In het kort zet hij uiteen, waarom voor onze doofstommen een nieuw instituut en geen oud bestaand gebouw dringend noodig is.
Ds. Vonk, voorzitter van „Effatha", sluit zich hierbij aan. Een oud gebouw vindt hij lapwerk. Het geld voor een nieuw instituut kan er komen, als onze menschen maar het voorbeeld volgen van een hem bekend Gereformeerd predikant, die al zijn geld heeft belegd in kerken èn scholen en nog nooit een cent is tekort gekomen, terwijl zij, die hun geld staken in Russen en dergelijke stukken, het meeste kwijt zijn. Met Gods hulp zal het geld er ook komen.
Ook ds. Lindeboom is optimist, wat het plaatsen van een leening betreft.
De heer Bakker stelt voor, dat elke correspondent zorgt binnen een jaar voor ƒ 100.— aan giften.
De inleider beantwoordt dan de sprekers, in het bijzonder den heer Donner. In de richting, door hem aangegeven, heeft het bestuur reeds drie jaren gezocht, maar zonder resultaat. Overigens is ook hij optimist inzake het bijeenbrengen van 't noodige geld. „Effatha" heeft steeds gedeeld in de gunst Gods en die der menschen.
Liefst zag hij eerst nog een zoo groot mogelijk bedrag bijeengebracht door vrijwillige giften.
Waar een vroegere algemeene vergadering reeds machtiging verleende tot verplaatsing van school en internaat naar 't midden des lands, is nu slechts machtiging noodig voor het sluiten van een leening, zooals voorgesteld is. Gaarne was het bestuur vrij in het vaststellen van het rentetype.
De gevraagde machtiging wordt met geen enkele stem tegen verleend.
Na een hartelijk opwekkend slotwoord van ds. Vonk, van Maassluis, sluit deze de vergadering met gebed.
Na afloop werd een openbare les gegeven, die door velen met groote belangstelling werd gevolgd.
Wij willen gaarne de zaak van „Effatha" hartelijk aanbevelen. Laten alle Hervormde Kerkeraden b.v. ééns per jaar voor deze nuttige en goede inrichting, die onze hulp zoo zéér van noode heeft, een Kerkcollecte houden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's