De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG

12 minuten leestijd

VAN DE 19de JAARVERGADERING VAN DEN GEREFORM. BOND OP DONDERDAG 3 APRIL 1924, IN HET GEBOUW VOOR KUNSTEN EN WE­TENSCHAPPEN TE UTRECHT.
III. (Slot).
Als de besprekingen over het referaat ten einde zijn, moeten volgens de agenda de notulen der vorige vergadering gelezen worden. Met het oog op den beperkten tijd echter wordt besloten, omdat zij toch ook goeddeels reeds In het verslag van de vorige jaarvergadering in ons blad verschenen waren, ze ongelezen te arresteeren. Hierna is aan de orde het jaarverslag van den secretaris dat wij hier in zijn geheel laten volgen.

Met het oog op den korten tijd die er, naar het er bij stond, op deze vergadering voor verslagen beschikbaar zou wezen, meenden wij goed te doen ons jaarverslag ditmaal in telegramstijl saam te stellen. We volstaan dus met de volgende mededeelingen.
Het Hoofdbestuur vergaderde niet minder dan 9 maal. De meeste van deze vergaderingen waren gewijd aan de kwestie die op onze vorige jaarvergadering de geesten verdeelde. Op onze eerste vergadering (4 Juni) reeds werd besloten tot een conferentie met de Commissie van Advies te houden op 18 Juni d.a.v. Aangezien echter van deze Commissie telegrafisch bericht inkwam dat op dien datum aan ons verzoek niet kon voldaan worden, omdat onderscheidene leden niet aanwezig zouden kunnen zijn, werd op onze vergadering van 2 Juli naar een anderen datum gezocht. Aangezien toen echter vóór de vacantie geen datum meer gevonden kon worden waarop alle leden van het Hoofdbestuur aanwezig zouden kunnen zijn, werd besloten de Commissie van Advies eerst na de vacantie n.l. op 10 September tot een conferentie uit te noodigen, temeer waar over de zaak van ihet vrouwenkiesrecht de conferentie vrijwel overbodig was geworden, aangezien deze zaak èn door de Commissie van Advies èn door het Hoofdbestuur ieder afzonderlijk bij de Synode van de N. H. Kerk aanhangig was gemaakt. Bleef dus niet anders over dan te confereeren over de concept-regeling tot, reformatie van de Kerk der belijdenis, door de Commissie van Advies in het laatst van Maart 1923 bij het Hoofdbestuur ingediend.
Over deze aangelegenheid heeft toen op 10 September de bedoelde conferentie plaats gehad. Aangezien de leden van de Commissie van Advies als Moderamen van het Convent van Geref. Kerkeraden hetzelfde ontwerp intusschen aanhangig gemaakt hadden op de vergadering van het Convent en de concept-regeling vandaar uit reeds bij de Synode der Ned. Herv. Kerk was ingediend, zag het Hoofdbestuur daarin een formeele fout en wenschte dat deze door de Commissie van Advies op de conferentie van 10 September eerst erkend zou worden. Hierover bleken de meeningen dermate verdeeld dat het Hoofdbestuur ten slotte voorstelde de benoeming van een Commissie van arbitrage, waaraan beide partijen zich zouden hebben te onderwerpen, zullende als daarover uitspraak gedaan was, de materieele zijde van de concept-regeling behandeld worden. De Commissie van Advies die eerst het voorstel tot de benoeming van een Commissie van arbitrage, schriftelijk onder de oogen wenschte, heeft, toen aan dat verlangen voldaan was, na enkele weken bericht dat het op verschillende gronden meende op dat voorstel niet te moeten ingaan. In dat schrijven meende de Commissie tevens dat zij goed deed met haar mandaat, dat zij met de indiening van het bekende „ontwerp" als afgedaan beschouwde, in de handen van het Hoofdbestuur te leggen.
Het Hoofdbestuur in zijn vergadering van 22 October van dit schrijven kennis genomen hebbende, nu mede de taak van de Commissie van Advies als afgedaan beschouwende, heeft toen overwogen op welke wijze de behandeling van het bekende „ontwerp" nu verder zou geschieden. Van die overwegingen is de benoeming van de Commissie van 3 leden het gevolg geweest die de zaak eerst commissoriaal heeft behandeld en daarna haar beschouwingen op de Bestuursvergadering van 17 December aan het Bestuur heeft voorgedragen. Deze beschouwingen zijn toen namens het Hoofdbestuur in 2 achtereenvolgende nommers van „De Waarheidsvriend" geplaatst en daarna als „Ons Kerkelijk Standpunt" in brochurevorm verschenen, welke thans in de beide laatste nommers van „De Waarheidsvriend" namens de leden die zitting hadden, door Dr. Severijn bestreden zijn.
Op deze wijze meenen we de feiten in deze kwestie objectief te hebben weergegeven. Ieder voelt dat aan een en ander heel wat besprekingen op onze Bestuursvergaderingen gewijd zijn geweest, besprekingen die het Hoofdbestuur steeds gevoerd heeft in het diepe besef van de groote belangen die er op 't spel stonden, maar waar in het Hoofdbestuur voor het aangezicht des Heeren niet anders meende te kunnen handelen dan het heeft gedaan.
Temidden van al die overwegingen werd ons Bestuur bovendien bedreigd door een zware wolk. Het was de ernstige krankheid van onzen Voorzitter die voor een oogenblik ten doode scheen opgeschreven. Gelukkig dat de Heere bij het naderen van den dood, hem en zijn huis, hem en zijn gemeente en ook onzen Bond uitkomst gegeven heeft, dat hij weer met vernieuwde kracht zijn arbeid mocht hervatten en dat hij met de van God hem geschonken gaven nog steeds onze leider mag zijn. Hopen we dat God hem genade en wijsheid geve om ook verder in de wegen des Heeren het goede te zoeken voor de Kerk der Vaderen op welks muren hij reeds zoovele jaren een trouwe wachter mocht zijn.
Laten we van de andere lotgevallen van ons Bondsleven alléén nog mogen vermelden dat het ledental toenam, dat zelfs weer nieuwe afdeelingen (Haarlem, Hazerswoude, Vreeswijk) mochten opgericht worden, dat de winteravondspreekbeurten voor zoover wij weten in ongeveer 70 gemeenten gehouden werden, en dat de meeste sprekers die daartoe uitgenoodigd werden, zich bereid toonden om aan het verzoek te voldoen. Ook ging „De Waarheidsvriend" voort om week aan week in enkele duizende gezinnen van ons volk onze beginselen uit te dragen. Laten we hopen en laten we God bidden dat het uitgestrooide zaad niet zal nalaten nederwaarts wortelen te schieten en opwaarts vruchten te dragen. De Gereformeerde beweging in onze Herv. Kerk bloeit niettegenstaande den twistappel dien Satan tusschen ons wierp. Gelooven we echter dat de gemeente des Heeren ook door de poorten der hel niet overweldigd zal worden, dan gelooven we ook dat de arbeid van onzen Bond ook in het afgeloopen jaar niet ijdel is geweest.

Intusschen is de uitslag van de Bestuursverkiezing bekend geworden. De Voorzitter deelt mede dat uitgebracht zijn 396 stemmen. Hiervan verkregen de aftredende leden Ds. Batelaan 278, Ds. Goslinga 240 en Ds. Jongebreur 261 stemmen, zoodat allen weer herkozen zijn en zij zich ook aanstonds hun benoeming weer laten welgevallen.
Verder bleken uitgebracht op Ds. Kijftenbelt 16, Ds. Lans 16, Ds. Remme 34, Dr. Severijn 26, Ds. Kievit 22, Ds. Bartlema 43, Ds. Woelderink 19, Ds. van Schuppen 9, prof. van Leeuwen 3 stemmen en op Ds. van den Berg 1 en Ds. de Bruin 1 stem. Na het bekend worden van den uitslag der Bestuursverkiezing verkrijgt de Penningmeester het woord. Uit hetgeen hij op zijn gewone smakelijke manier ter tafel brengt blijkt dat de ontvangsten voor onze Fondsen in 1923 bedragen hebben de som van f 18692.43, dus nog f 1835.47 meer dan die van het vorig jaar, dat aan studeerenden uit het Studiefonds werd betaald een bedrag van f7400, dat „De Waarheidsvriend" aan netto winst voor onze Fondsen heeft opgeleverd een bedrag van f 2320, dat de kas van den Gereformeerden Bond een tekort heeft van f 427, en dat thans een kapitaal bijeen is van f 100.000. Het „Soli Deo Gloria" leefde zeker in aller hart bij het vernemen van deze blijde mededeelingen door den Penningmeester gedaan, en de voorzitter was zeker de tolk der gansche vergadering toen hij niet slechts den Secretaris maar ook den Penningmeester dank bracht voor de voortreffelijke wijze waarop deze ten allen tijde de belangen van onze Fondsen behartigde. De vergadering bleek zich ook uitnemend te kunnen vereenigen met de gedachten die door Ds. van Ingen van Harderwijk naar aanleiding van het verslag van den Penningmeester werden uitgesproken, dat n.l. zij die bij hun studiën uit het Studiefonds gesteund werden, zich verplicht zouden gevoelen om niet alleen als het hun mogelijk was, later zooveel mogelijk te restitueeren, maar ook hun zedelijken steun aan het Fonds te blijven verleenen. Natuurlijk beseffen wij wel dat restitutie van de verstrekte gelden niet altoos even gemakkelijk is. Die restitutie mag alleen dan als plicht beschouwd worden wanneer de omstandigheden later zoo worden dat zij mogelijk is. Maar wat den zedelijken steun betreft, deze kan en moet naar het ook ons voorkomt door allen geboden worden. Daar om is het zeer zeker te betreuren dat, al heeft het Hoofdbestuur te dien opzichte over liet algemeen over degenen die tot hiertoe gesteund werden niet te klagen, het toch wel voorkwam dat men het woord der Schrift „uw bescheidenheid zij allen menschen bekend" zóó opvatte dat men blijkbaar onder die „alle menschen" de beheerders van het Studiefonds niet betrok, en dat men een enkele maal zelfs deed en doet alsof men niet weet dat er zoo iets als een Studiefonds bestaat. Wij sluiten ons dus gaarne aan bij den wensch door Ds. van Ingen geuit dat allen die nu gesteund worden, straks wederkeerig, in ieder geval zedelijk, ons Fonds steunen zullen.
Voor de behandeling der ingediende voor stellen was nu uit den aard der zaak niet zoo heel veel tijd meer overgebleven. Een voorstel van de afdeeling „Rotterdam" door den heer van der Dussen verdedigd tot het uitgeven van brochures en vlugschriften waarin op begrijpelijke en verstaanbare wij ze onze beginselen besproken zullen worden, zal door het Hoofdbestuur nader overwogen worden. Betreffende een voorstel van dezelfde afdeeling door den Voorzitter nader toegelicht tot het doen van stappen om te komen tot de financieele scheiding tusschen Kerk en Staat, de verbreking van de z.g.n. zilveren koorde, wordt door het Hoofdbestuur de toezegging gedaan om hierover, zoo mogelijk met den Minister van Financiën in nader overleg te treden. Een voorstel van de afdeeling „Dordrecht" om een Commissie te benoemen voor het al of niet opnemen van ingezonden stukken in „De Waarheidsvriend" wordt door den afgevaardigde uit Dordrecht, den heer Neerings verdedigd, en door den heer Duymaer van Twist, die oordeelde dat er vaak toch al te veel ingezonden stukken in het blad staan, krachtig bestreden. Nadat ook de heer van Eek van Middelharnis hierover het woord heeft gevoerd en over een door hem ingezonden stuk door den Voorzitter afdoende beantwoord is, en de heeren Kraan van Veenendaal en Ds. Lans ook nog het hunne hierover gezegd hebben, wordt op verzoek van den afgevaardigde uit Dordrecht het voorstel in stemming gebracht en met algemeene stemmen op hoogstens een 15-tal na, verworpen.
De afgevaardigde uit Dordrecht, de heer Neerings, brengt hierna ter sprake de kwestie van het vrouwenkiesrecht in de Kerk en zou wenschen dat de vergadering zich uitsprak tegen dat kiesrecht en dat men de vrouwen zou adviseeren van haar stemrecht geen gebruik te maken. De Voorzitter merkt op dat de vergadering zich het vorig jaar reeds heeft uitgesproken in dien zin dat zij in beginsel tegen het vrouwenkiesrecht in onze Kerk is, en gelooft niet dat er iemand zal zijn die op die uitspraak zou willen terugkeeren. Wat echter, nu het eenmaal ingevoerd is, het al of niet gebruik maken van het stembiljet door de vrouw betreft meent hij dat eveneens de vergadering van het vorig jaar zich uitsprak dit aan de conscientie der vrouwen over te laten en hij ziet niet in dat hierin wijziging moet gebracht worden. Als de meening van den Voorzitter door enkele stemmen uit de vergadering gesteund wordt, wordt dienovereenkomstig besloten.
Wat de kwestie van het stemrecht van afdeelingen en leden van afdeelingen op de jaarvergadering betreft wordt door den afgevaardigde uit Dordrecht der vergadering in overweging gegeven dat voortaan aan de afdeelingen van tevoren zooveel stembiljetten als waarop zij recht hebben zullen worden toegezonden. Algemeen gevoelt men de groote moeilijkheid die er aan het stemmen op de jaarvergadering, zooals dat ook nu weer gebleken is, verbonden is. Maar liever dan hierin een overhaast besluit te nemen dat straks wellicht weer herzien zou moeten worden, wil de vergadering aan het Hoofdbestuur in overweging geven een weg te zoeken waarlangs de telkens terugkeerende moeilijkheden zooveel mogelijk zullen worden weggeruimd.
Alsnu is de rondvraag aan de orde. De afgevaardigde van de afdeeling „Hoogeveen", de heer Pater, vraagt namens zijn afdeeling of het Hoofdbestuur stappen wil doen bij de Synode tot Kerkherstel. De leden der vergadering die nog waren gebleven keken elkander eens aan en dachten blijkbaar aan het woord des apostels : „niet als in de lucht slaande", alléén met dit verschil dat Hoogeveen wél in de lucht wou slaan. De Voorzitter merkt dan ook als antwoord op die vraag terecht op dat dat nu juist de zaak is waar we den heelen dag over bezig zijn geweest : welke stappen tot kerkherstel door ons gedaan moeten worden en zou dus de afdeeling „Hoogeveen" in overweging willen geven de gestelde vraag nog eens nader onder de oogen te zien en dan deze voorzien van een toelichting op een volgende vergadering nader in te dienen. De vergadering blijkt met die gedachte van den Voorzitter accoord te gaan.
De heer Smits van Goudriaan betoogt nog even de noodzakelijkheid dat de Bond zich ook aan de zaken die het Christelijk Onderwijs raken meer gelegen zal laten liggen. De Voorzitter betwist hem dit niet en betreurt nog dat de zaak van de oprichting van een Kweekschool tot opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen indertijd is spaak geloopen. Hij wijst echter op de ongenoegzame hulp die hiervoor uit de Gereformeerde gemeenten gekomen is.
Door den heer van Twist wordt den heer Smits in overweging gegeven zijn wenschen dienaangaande schriftelijk in te dienen, zullende alsdan het Hoofdbestuur deze zaak nader onderde oogen-zien.
En hiermee blijkt de vergadering haar einde genaderd te zijn. De Voorzitter spreekt nog een kort slotwoord, waarin hij wijst op den goeden toon en op den uitnemenden afloop dezer vergadering. De Voorzitter is biddend naar deze vergadering opgegaan en verheugt er zich over dat wij dankend uiteen kunnen gaan.
Na nog een woord van dank gebracht te hebben aan de bestuursleden van de afd. Utrecht voor de bereidwilligheid voor en tijdens de vergadering betoond verzoekt hij den aanwezigen nog te zingen Psalm 72 : 11 waarna op zijn verzoek de 19de jaarvergadering van onzen Bond door Ds. Batelaan met dankzegging aan den Heere gesloten wordt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VERSLAG

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's