De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

16 minuten leestijd

De oplossing van het kerkelijk vraagstuk.
IV.
Het Concept van het Moderamen van het Convent houdt in een : ascheidingsmodus-vivendi. Het blijkt toch de bedoeling te zijn de Hervormde Kerk als zoodanig los te laten en een groep gereformeerde belijders afzonderlijk te organiseeren tot een afzonderlijk kerkelijk leven. Naast de Ned. Herv. Kerk wil men scheppen de Nederduitsch Gereformeerde Kerken. Waarom men niet rechtstreeks uit de Hervormde Kerk — die men als geen-Kerk zijnde wil loslaten — overstapt naar de Gereformeerde Kerken, die uit de afscheiding in 1834 en uit de doleantie in 1886 ontstaan zijn en sinds 1892 zijn vereenigd, zegt men niet. Wat ons toch eigenlijk verwonderen moet. Want immers daar in die Gereformeerde Kerken, heeft men wat men vanwege het Moderamen van het Convent zoekt, n.l. een belijdeniskerk, los van de Ned. Hervormde Kerk.
Nu heeft de Gereform. Bond steeds iets anders gewild. De Ned. Herv. (Gerf.) Kerk heeft men daar willen vasthouden, omdat men haar, hoe ook gedeformeerd en hoe ook in verval zijnde, wilde blijven beschouwen als de voortzetting van de aloude Gereformeerde kerk, welke de Heere Zelf in dezen lande heeft geplant.
Ons vaderlijk-erfgoed is het voor ons gebleven. En hoe men ook geprobeerd heeft om haar te deformeeren, het is en blijft als Kerk voor ons èn in belijdenis èn in prediking, èn in sacramentsbediening, èn in het lied, èn in de liturgie in het algemeen, een belijdende Kerk. De Hervormde gemeenten als zoodanig zijn voor ons belijdende gemeenten gebleven ; hebbende een belijdenis in positieven zin : hebbende een belijdenis, die in aard en wezen niet anders mag zijn dan de aloude belijdenisschriften vertolken. Want immers, wat er ook gebeurd is. maar de Hervormde Kerk heeft sinds 1816 geen andere belijdenis dan in 1618: dezelfde, als die is te vinden in de Nederlandsche geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten, de actestukken van het Nederlandsch-gereformeerd protestantsch geloof.
Het symbool der eenigheid, het symbool van het geloof der Kerk, ook van de misvormde Hervormde Kerk na 1816, ligt van gemeente tot gemeente en voor de Kerk in haar geheel in de aloude belijdenis ; in de orthodoxe of rechtzinnige leer der Kerk, die historisch geworden en gebleven is de grondslag van het kerkelijk samenwonen.
Eigenlijk heeft ieder dat altijd en telkens weer erkend, dat de Hervormde Kerk een belijdende Kerk is.
Prof. A. M. Gooszen schreef in de Kerkel. Courant van 19 Juni 1914 : ..De waarheid is ongetwijfeld deze dat noch voor, noch in, noch na 1816 officieel de leervrijheid is ingevoerd; dat zeker in naam en naar de letter de Hervormde Kerk Confessioneel bleef in I816."
Dat is de confessioneele continuïteit, welke heel ons kerkelijk leven geldt : èn de Besturen èn de gemeenten èn de Kerk in haar geheel èn de predikanten en verdere ambtsdragers èn de lidmaten. Ieder weet of moet weten in alle plaatselijke gemeenten, dat de Nederl. Herv. (Geref.) Kerk in wezen confessioneel, belijdend is, met een belijdenis die in wezen niet verschilt van de belijdenis onzer aloude Gereformeerde, Vaderlandsche Kerk.
In de Synodale Acta van 1912, blz. 390, lezen wij: „Uwe Commissie kan zich vereenigen met de bewering in de toelichting van den Gereformeerden Bond ter verbreiding en verdediging der Waarheid, dat noch in 1816 noch in latere jaren de Synode ooit heeft toegegeven, dat er geen kerkelijke leer of kerkelijke belijdenis zou bestaan en dat de hoofdwaarheden dier leer zouden mogen worden geloochend."
Prof. dr. J. I. Doedes spreekt in zijn bekend werk over de Ned. Geloofsbelijdenis en den Heid. Catechismus van „de belijdenisschriften der Ned. Hervormde Kerk als zoodanig nog altijd. ook in de 19de eeuw, wettig erkend en te gebruiken." (Voorrede pag. VllI). En in Kerkel. Bijdragen 1870, blz. 60— 65 spreekt diezelfde hoogleeraar uitvoerig over dezelfde kwestie en we lezen daar o.a.: bedoelt men met leervrijheid in de Ned. Hervormde Kerk het recht, dat ieder heeft om te leeren wat hij goed vindt ? Maar dan moet ten stelligste ontkend worden dat er in de Nederlandsche Hervormde Kerk leervrijheid bestaat. Bedoelt men alleen het feit, dat ieder thans in de Ned. Hervormde Kerk leert wat hem goed dunkt, dan blijft er niet veel anders over, dan de realiteit van dit feit toe te stemmen. Maar dat de realiteit van dit feit zich niet laat ontkennen, bewijst, dat de anarchie in de Nederlandsche Hervormde Kerk aan het roer zit : bewijst dus, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk, uit een kerkrechtelijk oogpunt beschouwd gedemoraliseerd is. De leervrijheid mag in de Nederlandsche Hervormde Kerk niet bestaan, niet geduld worden. Haar reglementen verbieden dit. Leest men de reglementen der Nederlandsche Her­vormde Kerk, die thans kracht van wet hebben, nauwkeurig, men bemerkt, dat nergens de leervrijheid in den zin van : het recht om te leeren en te belijden wat men goed vindt, erkend of ondersteld wordt. De leervrijheidd is buitengesloten. De onbeperkte leervrijheid - en welke leervrijheid kan men anders bedoelen - heeft in de Nederlandsche Hervormde Kerk geen recht van bestaan. Zij is niet haar levensbeginsel, maar haar ondermijning, haar verwoesting."
En ten slotte zegt prof. Doedes : „Tegen de leervrijheid in de Nederlandsche Hervormde Kerk blijven wij op grond van onze reglementen, om nu niets anders te noemen, protesteeren."
Als wij nu van dezen kant het kerkelijk vraagstuk, dat zich rondom de Hervormde Kerk saamtrekt eens saam wilden benaderen, zouden wij dan ten opzichte van de oplossing van dit probleem de lijnen niet kunnen uitstippelen ?
In kerkrechtelijken zin hebben wij — om met prof. Doedes te spreken — met een absurditeit te doen ; met anarchie ; de Kerk is gedemoraliseerd.
Zoo kunnen wij dus zeggen, dat wij te doen hebben met een Kerk, die zich als een vereeniging van elk wat wils presenteert ; met feitelijke leervrijheid : dus een huis dat tegen zichzelf verdeeld is.
Het is dus een Kerk in deformatie, in verval. Een Kerk, die ernstig krank is. En van buiten en van binnen wil men haar om hals helpen.
Maar wat is het wezen der Nederlandsche Hervormde Kerk ?
Is zij in wezen niet een belijdende Kerk : is zij in wezen niet de voortzetting van de aloude Gereformeerde Kerk, welke de Heere in dezen lande plantte ?
Hebben wij hier niet aan Psalm 80 te denken ? en wel in tweeërlei zin, om het wondere te zien van haar planting in den Nederlandschen bodem, om het heerlijke te zien van haar groei in dezen lande — om óók te zien haar verval.
Een Kerk: de oude Vaderlandsche, Gereformeerde Kerk ; maar in verval; in deformatie : krank zijnde.
Wat is nu haar kwaal ?
Dat zij niet is, wat zij zijn moet, krachtens haar weezen.
Dat zij met haar historische belijdenis en haar aloude geschiedenis, zich niet openbaart als de Protestantsthe Kerk tegenover de Roomsche : als de Gereformeerde Kerk tegenover de Luthersche, de Remonstrantsche Kerk.
Of met de woorden "geest en hoofdzaak" het eigenlijke wezen der belijdenis en het eigenlijke karakter van de leer der Kerk niet is weggenomen ?
Wij zeggen : neen !
En wij weten, dat wij hierin niet alleen staan.
Ja — dr. Niemeyer, van Bolsward, mag in het Weekblad voor de Vrijzinnig Hervormden (11 Febr. 1909) niet weinig brutaal uitroepen : "onze Kerk een belijdenis ? Zonderlinge vraag, want onze Kerk heeft immers geen belijdenis !" — maar omdat men zulks wel gaarne zou willen, is het daarom nog geen feit geworden.
Nooit is de belijdenis, de leer der Kerk, afgeschaft : in 1816 niet en na 1816 niet. In den voorgevel van ons kerkelijk huis is het ingegraveerd. dat de Ned. Hervormde Kerk een belijdende Kerk is en overal ontmoet men het, dat de Ned. Hervormde Kerk een eigen leer en confessie heeft.
Zeker! Men heeft al zoo lang onwaarachtig geschipperd en men heeft nu langer dan een eeuw verfoeilijk geknoeid in deze. Maar wat dr. Vos in zijn "Kerkrecht", blz. 26 zegt, is waar: "den Kerkbestuurder gold art. 9 thans 11, Algem. Regl., hetwelk met ronde woorden van hen vorderde : de handhaving van de leer der Hervormde Kerk — natuurlijk gelijk zij uit de aangenomen Formulieren van Eenigheid gekend wordt."
Die leer, die kerkelijke belijdenis ligt er. Waarbij prof. dr. J. H. Scholten eenmaal schreef in zijn „Leer der Herv. Kerk" blz. 39 : „Het was de bedoeling der Synode (van 1841) niet, om met de woorden aard en geest, wezen en hoofdzaak de deur voor subjectieve willekeur te openen, zoodat het aan ieder zou vrij staan voor wezen en hoofdzaak te doen gelden wat hèm goed dacht — maar wel degelijk om hetgeen naar den geest en de beginselen der opstellers als het wezen en de hoofdzaak der Formulieren behoort aangemerkt te worden."
Met recht kan dus gezegd, dat hoe zeer de Hervormde Kerk zich vertoont in de practijk als een Vereeniging van elk wat wils en de leervrijheid in de practijk hoogtij viert, de Ned. Hervormde Kerk als Kerk, in wezen, een belijdende Kerk is, hebbende een eigen leer, welke leer der Kerk, volgens haar eigen reglementen, moet worden voorgestaan, gehandhaafd en bewaard. En zóó is de Hervormde Kerk als Kerk, in wezen, de Gereformeerde Kerk, zij het dan ook in deformatie.
(iWordit voortgezet).

Onze Drie Formulieren van Eenigheid.
Onze 3 belijdenisschriften, de Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 37artikelen de Heidelbergsche Catechismus in 52 Zondagsafdeelingen en de Vijf Leerregels (Canones) van Dordt tegen de Remonstranten geven uitdrukking aan hetgeen de Gereformeerde Kerk hier te lande, op grond van Gods Woord en dus dat Woord nasprekend, gelooft. Daarin ligt dus niet de meeninig der Kerk — dat zou Roomsch wezen — maar hetgeen de Kerk uit Gods Woord heeft geput, onder kennelijke leiding des Heiligen Geestes.
De Kerk onderwerpt zich dan ook met hare belijdenisschriften aan het Woord der waarheid, dat met gezag of autoriteit is bekleed. In dat Woord heeft de Heere ons genoegzaam en duidelijk geopenbaard, wat wij hebben te gelooven met het hart en te belijden met den mond, aan Zijn Kerk daarin gevend waarbij zij heeft te leven, waarin zij de eenigheid onder elkander heeft te bewaren, en wat zij tegenover de vijanden heeft te verdedigen, wat zij heeft te bewaren tot op de komst van Christus !
De belijdenisschriften staan voor de Gereformeerde Kerk dus niet boven Gods Woord ; zelfs niet naast Gods Woord, maar onder Gods Woord. Want de Kerk heeft zich met haar belijdenisschriften telkens aan het Woord te onderwerpen en mocht het blijken, dat er in de belijdenisschriften iets voorkwam, dat in strijd is met de 'Heilige Schrift, dan moet in kerkelijken weg de belijdenis worden herzien en verbeterd (ook zoo noodig aangevuld).
De Kerk heeft behoefte aan een uitdrukking van haar geloof en in en door haar belijdenisschriften heeft zij de éénheid onder haar leden te handhaven, om zich in haar éénheid naar buiten te vertoonen.
Vandaar in onze Gereformeerde Kerk de naam van „Formulieren van Eenigheid."
De welgeordende Kerk laat dan tot haar gemeenschap toe, wie met deze formulieren accoord gaan ; voedt haar leden op bij die formulieren, als zijnde de vertolking van haar allerheiligst en dierbaar geloof en eischt ook van hare leden, dat zij in overeenstemming met die Formulieren van Eenigheid hun geloof openbaren, met den inhoud er van accoord gaande.
De belijdenisschriften bepalen tegelijk de rechtzinnigheid van de leden der Kerk. Die met de belijdenisschriften zijner Kerk accoord gaat is orthodox of rechtzinnig ; die van de belijdenisschriften afwijkt is niet rechtzinnig en behoort in het huisgezin des Heeren, waar het is : één Heere, één geloof, éen doop — niet thuis.

Tweeërlei oordeel van „De Heraut"
Ook „de Heraut" heeft beschouwingen gegeven over de Convent-beweging en hetgeen de Gereformeerde Bond wil. Het is prof. Grosheide, die deze beschouwingen schreef, nu prof. dr. H. H. Kuyper in Transvaal is.
Prof. G. schrijft dan in z'n 3de (slot) artikel als volgt:
„Wanneer het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond zeer groote practische bezwaren heeft tegen den voorslag van het Convent, die bedoelde binnen den krinig der Hervormde Kerk te vormen Kerken, uitsluitend bestaande uit leden, die het met de Gereformeerde belijdenis van harte eens zijn, komt dit ons voor volkomen juist te zijn. Welke zouden de gevolgen zijn van zulk een maatregel ? De brochure geeft dat duidelijk aan. (Volgt citaat).
Inderdaad zóó is het. De vorming van zulk een nieuwe Gereformeerde gemeente zou eerst echt een Afscheiding zijn in den eigenlijken zin van het woord. Niet een Afscheiding als die van 1834, toen getracht is, de oogen te doen opengaan zooveel mogelijk heel de Kerk mee te krijgen, en die pas voltrokken werd door banvonnissen, — doch een er uitloopen, zonder zich iets aan te trekken van hetgeen achter bleef.
Wanneer onzerzijds dan ook met het Conventplan (ini het eerste artikel) sympathie is betuigd, dan was het niet om het plan zelf — maar omdat wij er van hoopten, dat daardoor vele broeders en zusters zich op deze wijze zouden vrijmaken van 't juk der Synodale hiërarchie en dan ook zouden gevoelen, dat ze niet op zichzelf konden blijven staan, doch zich bij ons behoorden te voegen.
Het lijkt ons dan ook ten volle begrijpelijk, dat van de zijde van het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond bezwaren kwamen tegen het Conventplan. Men weet van dien kant zeer goed en spreekt het ook uit, dat het Conventplan beteekent een loslaten van de Bondsgedachte."
Wij zijn prof. Grosheide dankbaar voor dit oordeel betreffende het Conventplan, dat dus bedoelt een loslaten van de Hervormde Kerk en een loslaten van de Bondsgedachte. Wij denken er niet anders over.
Maar wij zijn óók dankbaar, dat in de tweede plaats prof. Grosheide heeft gezegd, hoe hij over den Gereformeerden Bond denkt.
Dat zegt hij zóó :
„Over het laatste gedeelte van de brochure zullen wij zeer kort zijn. Ze omschrijft wat de methode van den Gereformeerden Bond is. Over deze dingen is echter in „de Heraut" vaak genoeg gehandeld. Daarom kunnen wij volstaan met enkele opmerkingen. Vóór 1909 heeft de Bond getracht te komen tot opheffing van de organisatie in 1816 aan de Gereformeerde Kerken onwettig opgelegd. Maar men heeft ingezien, dat dit door arbeid binnen den kring der Hervormde Kerk in afzienbaren tijd zeker niet te bereiken was ; noch op kerkelijk noch op politiek terrein viel in dit opzicht winst te boeken. Toen is men in de tweede periode nadruk gaan leggen op het verbreiden van de Gereformeerde beginselen, gelijk dat als doel van den Bond in de Statuten was omschreven, doch nu niet meer door pogingen te doen tot vrijmaking der Kerk, doch door het ijveren voor Gereformeerde prediking en hetgeen verder in de lijn daarvan ligt. Wij weten het, 't is het standpunt van beden, een kerkelijke politiek, die vóór alle dingen bedacht is op het vermijden van conflicten."
„Daarmee zijn wij teruggekomen bij hetgeen wij in ons eerste artikel hebben geschreven. Ons einde moet dan ook zijn dat wij dankbaar zijn voor de brochure, die wij ontvingen, maar dat wij door haar toch weer voor de zooveelste maal duidelijk hebben gezien, dat bij alle waardeering, die wij voor de personen, leden van den Gereformeerden Bond kunnen hebben, en gaarne met hen samenwerkende op velerlei terrein, toch inzake de Kerk het standpunt van den Gereformeerden Bond het onze niet mag zijn."
Zooals we zeiden : ook, voor dit oordeel zijn wij prof. Grosheide dankbaar. Inzake de Kerk is het standpunt van den Gereformeerden Bond een ander dan van de mannen der doleantie.
Ware dat ook niet het geval, dan ware het lafheid om hen niet te volgen en niet naar hen over te loopen.
Maar nu is het gelukkig nog weer eens gezegd : het standpunt van den Gereformeerden Bond inzake de Kerk is een ander dan van de mannen der doleantie.
En wij kunnen niet anders dan dankbaar zijn voor dit oordeel.
Voor een oordeel, dat volkomen waar is. 0mdat wij de Hervormde Kerk anders zien dan de mannen van '86.
Hoe moet tijdens de vacature de afvaardiging ter Ciassicale Vergadering geschieden ?
De Ciassicale Vergadering ds, naar Gereformeerd Kerkrecht, een vergadering van afgevaardigden van plaatselijke Kerken, die daar met lastbrief hunner Kerken verschijnen, ten bewijze dat zij wettelijk zijn gedeputeerd. Zonder zulk een lastbrief kan niemand als lid eener meerdere vergadering zitting nemen. De Kerken zijn de lastgevers, de afgevaardigden lasthebbers of gemachtigden.
De Dordtsche Kerkorde stelt in artikel 41 als regel: „De Ciassicale Vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde Kerken, dewelke elk een dienaar en een ouderling daarhenen met behoorlijke credentie afvaardigen zullen."
Deze regel behoort zoo mogelijk gehandhaafd te worden.
Evenwel kunnen zich uitzonderingsgevallen voordoen ; b.v. wanneer eene gemeente vacant is. Dan kan .geen eigen Dienaar des Woords worden afgevaardigd en moet o.i. een ouderling de plaats innemen van den predikant, zoodat dan de plaatselijke Kerk door twee ouderlin­gen op de Classicale Vergadering ver­tegenwoordigd wordt.
Of daar geen bezwaren tegen in te brengen zijn, dat er twee ouderlingen ter Classicale Vergadering gaan ?
In het geval, hierboven genoemd, niet.
Natuurlijk zal men er niet aan denken om het te doen als de gemeente niet vacant is. Dan zou het ook niet mogen. Maar als er geen dominé is, verdient het alle aanbeveling. Want het komt er toch ten slotte op aan of de pjaatselijke Kerken in de Classis wettig en naar behooren vertegenwoordigd zijn. En dat is niet het geval wanneer bij vacature slechts één ouderling gaat (dat de consulent wordt afgevaardigd, is natuurlijk onmogelijk, daar hij voor eigen gemeente gaat en geen twee Kerken kan verttegenwoordigen). Want naar Gereformeerd Kerkrecht is de Classicale Vergadering een vergadering van afgevaardigden der Kerken, die elk het recht hebben door twee afgevaardigden vertegenwoordigd te worden ; welk recht ook aan de kleinste zelfstandige gemeente moet worden gegund.
Daarom zouden wij er vóór zijn, dat aan de Synode verzocht werd de kerkelijke wet zoodanig te wijzigen, dat 't mogelijk gemaakt werd, om plaatselijk twee ouderlingen af te vaardigen, indien de gemeente vacant is.
Waarbij voor ons deze practische reden komt, ontleend aan ons kerkelijk leven, dat elke gemeente zoo eerlijk mogelijk op de Classicale Vergadering is vertegenwoordigd — in tijd van vacature —opdat door de vacature niet een bepaalde richting een stem vooruit of achteruit kan springen, wat dan niet gebaseerd is op werkelijke, maar op toevallige of bijkomstige omstandigheden.
En daar kan niemand in gemoede iets voor voelen.
Waar verleden jaar de redacteur P. van het Herv. Zondagsblad voor Friesland deze zaak reeds heeft aangestipt, zou het ons aangenaam zijn indien van hem, in samenwerking met anderen, een geformuleerd voorstel kwam voor de aanstaande Classicale Vergadering. Wij zijn bereid deze zaak te steunen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's