Uit het kerkelijk leven.
De oplossing van het kerkelijk vraagstuk.
V.
In zijn rapport in de Synode van 1874 uitgebracht, herinnert prof. dr. F. W. B. Bell aan 't geen aan de Hervormde Kerk ten grondslag ligt en moet blijven liggen. Want in de Synodale Acta, blz. 140 etc, lezen wij: „ dat met de woorden „leer der Herv. Kerk" niets anders kan bedoeld zijn, dan de leer die begrepen is in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Leerregels der Synode van Dordrecht, dat is : de leer, welke in de aangenomen Formulieren van enigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk begrepen Is. Dat deze de ware beteekenis van de woorden : „de leer der Hervormde Kerk" is, volgt reeds daaruit, dat er nooit eene andere kerelijk geijkte leer der Hervormde Kerk is geweest. Het bliikt ook uit artikel 27 regl. op het Examen en uit artikel 19 regl. op het Godsdienstonderwijs. In dien zin heeft dan ook de Synode van 1 Juli 1861 in eene „Inlichting omtrent de beteekenis der vraag naar onberispelijkheid in de belijdenis" over de leer er Kerk gesproken „welke begrepen is in de
belijdenisschriften onzer Nederlandsche Hervormde Kerk, die rechtens nooit zijn afgeschaft." Kan dus en mag dus aan die woorden „de leer der Herv. Kerk" in art. 11 A. R. geen andere zin dan de genoemde gehecht worden, aan het woord „handhaving" van die leer kan en mag geen andere beteekenis worden gegeven dan deze, dat allen die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk Bestuur belast zijn, die leer der Hervormde Kerk — en dat wel zooals zij luidt in haar geheel — moeten handhaven, zoowel door zelven die leer van harte te belijden en aan te bevelen, ls door te waken, dat die leer gekend en beleden worde door allen, die aan hun bestuur onderworpen zijn.
Begrijpelijk is, dat dan ook niemand minder dan dr. A. Kuyper in 1880 — 't was dus vóór de doleantie, toen hij midden in de Nederl. Hervormde Kerk leefde — schreef : „Deze Formulieren van Eenigheid zijn accoord van kerkelijke gemeenschap, d.w.z. zij, die in onze Kerken saam willen bidden, leven, lieven, loven, behooren in de belijdenis van hetgeen deze drie Formulieren van Eenigheid behelzen, overeen te stemmen Ze zijn goedgekeurd door alle Gereformeerde Kerken, die op de Synode vertegenwoordigd waren ; dus niet alleen door ónze Kerken, maar ook die van Geneve, Nassau, Hessen, den Paltz, Engeland enz. En in 1815—'16 zijn ze kerkelijk accoord gebleven en tot op dezen oogenblik nog altoos de alleen officiëele en eenig geldende belijdenis van deze leerstukken, die in onze Kerken bestaat."
Wat wij met dit alles zeggen willen ?
Dit, dat zij, die zeggen dat de Hervormde Kerk een belijdende Kerk is, het recht aan hun zij hebben. En dan wel een belijdende Kerk die „als Christelijke, als Protestantsche, en in nog engeren zin als Gereformeerde Kerk" (prof. Scholten) haar eigen belijdenis heeft. Van welke belijdenis ds. Dermont in zijn synodaal rapport van 1841 zei : „ al vordert het tegenwoordig formulier (prop. formule) ook geene instemmmg met den ganschen inhoud der belijdenisschriften, toch vergenoegt het zich niet met de aankleving van deze of gene waarheid, daarin vervat, maar 't vraagt in het algemeen instemming met de leer die in dezelve voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk en wil dat dezelve door den leeraar der Kerk zal aangenomen worden.
Groen van Prinsterer heeft met deze zelfde dingen ook zoo zeer geworsteld.
Eenerzijds zag bij de werkelijkheid van het kerkelijk leven, de practijk — die zoo bedroevend was voor een gereformeerd voelend mensch.
En dan schreef hij ook : de Hervormde Kerk is 'n disputeergezelschap, waar men strijdt over de vraag : wie is de Christus? — terwijl de Christus der Schriften voor ons geen Onbekende is.
Hij schrijft : de Hervormde Kerk is een samengestelde massa van allerlei menschen, die elkander haten en bestrijden — en Kerkgemeenschap, bij wederzijdsche bestrijding der grondslagen van elkanders geloof, is ongerijmd.
Hij schrijft : het is een hoonen van de slagorde des levenden Gods, dat men in het midden der Kerk, al wat de Kerk van ouds heilig en dierbaar is, overlaadt met spot en hoon ; ja, dat men in onze Kerk den spot drijft met ons geloof en met onzen barmhartigen Hoogepriester.
Hij schrijft: het is ook oneerlijk, uit ongeloofijver of roembejag, in de Kerk te blijven waarvan men toont niet een oprecht lidmaat, maar een felle vijand te zijn.
Maar als men Groen van Prinsterer, die de maatregelen tegen de Afgescheidenen zoo sterk veroordeeld heeft en een zoo sympathiek pleitbezorger voor de verdrukten en vervolgden was, presenteerde : geef die Hervormde Kerk, die toch eigenlijk geen Kerk meer is, den scheidsbrief en scheidt u met ons af van haar — dan is zijn antwoord aan zijn vriend, dr. Schwartz : „wij gaan niet met u mede, omdat wij niet mogen."
Groen van Prinsterer zag in de ontaarde Hervormde Kerk, met haar verderfelijke Synodale organisatie, nog de voortzetting van de aloude, ware, Gereformeerde Kerk.
"In het genootschap, hoe diep gezonken en ontaard, leeft de Hervormde Kerk nog", schreef hij. (Kerkgem. overleg IV pag. 100). En dat hij daar volstrekt niet mee bedoelde, om de Nederl. Hervormde Kerk als valsche Kerk prijs te geven en alle gereformeerden er uit te trekken in een nieuwe Kerkformatie, heeft hij op onderscheidene wijze gezegd aan het adres van de Afgescheidenen ; gelijk ook bij andere gelegenheden duidelijk aan het licht trad. Zoo schreef hij tijdens de kwestie ds. Zaalberg ; „verbreking van Kerkgemeenschap met de modernen, voorzeker, dit is, volgens ds. Schwartz, zoowel als voor mij, plichtsbetrachting. Maar ik verlang ze niet door Afscheiding, veeleer door doeltreffenden strijd op een tegelijk Confessioneelen en reglementairen grondslag. Thans meer dan ooit is afscheiding in mijn oog onraadzaam en voorbarig. Voorbarig in 1837 ; en na dertig jaar ook thans voorbarig." (Kerkgem. overleg VI, blz. 95).
Dat zeggen wij Groen na, ook in den jare 1924.
Afscheiding is onraadzaam en voorbarig.
Een doeltreffenden strijd moeten wij hebben, een doeltreffenden strijd op een tegelijk Confessioneelen en reglementairen grondslag.
(Wordt voortgezet)
Onze Scholen met den Bijbel.
Het aantal christelijke scholen gaat vooruit, in de dorpen en in de steden, hoewel het aantal nog niet de uiterste grenzen heeft bereikt, vooral in de steden niet.
Natuurlijk moet men voorzichtig zijn, om maar niet zonder oorzaak tot schoolstichting over te gaan. De motieven moeten christelijk, eerlijk, ernstig zijn en de wegen en de middelen moeten den toets der eerlijke critiek kunnen doorstaan.
In deze, gelooven wij, is wel eens gezondigd.
Maar dat neemt niet weg, dat vooral in onze Hervormde kringen nog wel wat gedaan kan worden om het aantal Scholen met den Bijlbel uit te breiden ; waarbij vooral de ouders een hooge en ernstige roeping hebben.
Het aantal Scholen met den Bijbel, zijnde 1625, is mooi.
Wij herinneren ons hoe er een blijde dank-en juichtoon gehoord werd toen Vreelandsschool, in de prov. Utrecht, de 1000ste was. Die school staat met 't merkteeken : Soli Deo Gloria.
Sinds 1911 zijn we gestaag geklommen, vooral na 1920.
Maar als we weten dat we in 1920 het aantal 1225 bereikt hadden en het nu 1625 is geworden, dan is het nog maar 400 Scholen met den Bijlbel méér ; met een aantal kinderen groot 30.000.
Dat de Roomschen hard werken op 't terrein van het onderwijs, zoowel wat 't lager-, middelbaar-als hooger onderwijs betreft, is bekend.
Ook de neutrale bijzondere scholen komen er meer en meer, vooral in de steden.
Dat bewijst dat er voor ons, Hervormden, ook nog heel wat te doen is inzake schoolstichting en schooluitbreiding ; maar, waar wij vooral óók op willen wijzen, dat is dit: dat wij nu zorgen moeten dat onze Scholen met den Bijbel zoo goed mogelijk worden gemaakt.
En dat bedoelen wij in tweeërlei zin.
Het onderwijs moet zoo goed mogelijk zijn wat het gehalte betreft en het onderwijs moet zoo goed mogelijk zijn wat den geest betreft.
Wat het gehalte betreft.
Want het mag niet minder zijn in gehalte dan het op de openbare scholen is. Ook al fluistert men, dat het daar ook wel eens „beneden peil" is, dat mag óns niet afhouden van op 't hoogste te mikken in onze scholen. Onze jongens en meisjes moeten straks het leven, het volle leven in, en dan moeten zij op onze Scholen met den Bijbel, op het platteland en in de steden, zoo goed mogelijk worden toegerust met die kennis, die zij moeten bezitten straks om een goed figuur, te maiken daar, waar de Heere hen straks inhet midden van het maatschappelijk leven roepen zal.
Dat wil niet zeggen, dat men op onze christelijke scholen alles moet inrichten naar het voorbeeld van het intellectualisme van de openbare school. Neen ! in die richting moet het niet om no. 1 te worden. Maar wel om het onderwijs, al het onderwijs, voor alle vakken, te verdiepen en het zóó in te richten, dat onze kinderen er waarlijk wat aan hebben, waarbij In alles voor oogen wordt gehouden, dat zij straks in het leven moeten beantwoorden aan zoovele eischen, kun gesteld door het leven, maar vooral bedenkend, dat zij als christenen straks in het midden van het volle leven, als degelijk toegeruste burgers, den Naam des Heeren heibben te belijden en hebben te wandelen en te handden naar Gods Woord.
Dat de Naam des Heeren straks mag worden groot gemaakt door de grootgeworden kinderen, moet het heerlijke doel zijn dat elken onderwijzer, elke onderwijzeres geduriglijk voor oogen staat.
Dat de waarde van Gods Woord zal uitkomen straks in het volle leven, moet elken onderwijzer en elke onderwijzeres telkens bezielen om naar dat Woord te spreken en oude en nieuwe schatten uit dat Woord voor te dragen en in het onderwijs te verwerken;
Het Bijzonder Onderwijs krijgt nu een kans om te toonen wat het is en wat het wil en wat het kan.
Daar zijn wij blij om en wij zijn er den Heere dankbaar voor.
Maar nu mag er wel geduriglijk een vurig gebed opgaan, óók in het midden van de gemeente, óók door de voorgangers der gemeente, dat in onze Scholen met den Bijbel de Geest des Heeren werke en dat onze onderwijzers en onderwijzeressen zich dagelijks mogen stellen als voor Gods aangezicht, om zich in Hem te sterken en bekwaamd te worden met kracht en wijsheid van Boven.
Om de wille van ons Bijzonder Onderwijs, dat nu een zoo beteekenisvolle. plaats in het volksleven heeft verkregen van den Heere, roepen wij de Besturen onzer scholen, de hoofden, de onderwijzers en de onderwijzeressen op, om wel te bedenken wat hooge, heerlijke, heilige taak hun van den Heere is opgelegd en toebetrouwd, waarbij de vijanden op den loer liggen om alles te bekladden en te verhinderen zoo mogelijk, maar waarbij de Heere heeft toegezegd, dat Hij een iegelijk, die zich in den nood tot Hem begeeft, niet zal beschamen.
Dat er dan een goede geest op onze Scholen met den Bijbel gevonden mag worden.
Dat Gods Geest daar werke in de harten van hen die onderwijzen en onderwezen worden — bekwaam makende tot alle goed werk, nu en in de toekomst.
Het afstaan van predikbeurten.
Telkens doet zich het feit voor, dat de plaatselijke predikant eigenmachtig den kansel afstaat aan een collega, zonder ook maar in 't minst met den kerkeraad hierover te beraadslagen ; soms zelfs tegen den zin van den kerkeraad handelend. De dominé doet dan maar of het zijn kansel is, waar hij mee doen mag, wat hij wil. Heelemaal in de lijn van de dominocratie, d.i. de dominé's-regeering, zooals die in het midden van onze Hervormde Kerk zoo hier en daar nog al gevonden wordt!
Natuurlijk klemt deze zaak 't meest, wanneer de plaatselijke predikant een dominé laat optreden in zijn plaats, wien de kerkeraad heelemaal niet wil. Waartegen de kerkeraad zich ook zou verzetten, indien hij maar kon, b.v. als er in een rechtzinnige gemeente een modern predikant wordt toegelaten op den kansel, doordat de plaatselijke predikant zijn beurt aan zoo iemand afstaat. (Denk b.v. aan ds. Van Melle te Kralingen en ds. Engelberts te Amsterdam).
leder voelt, dat het ten slotte de dwaasheid gekroond is, wanneer de plaatsdeljke predikant met den kansel doet wat hem behaagt, zonder met den kerkeraad, die den predikant beroepen heeft, en die toch het opzicht over de gemeente heeft, raad te houden.
Het verblijdt ons dat de redacteur van „Kerknieuws" in de N.R. Crt. (Ochtendblad B, 27 April j.l.) ook over deze aangelegenheid (geval ds. Engelberts, te Amsterdam) geschreven heeft. Wij laten zijn artikel, zonder verder op bizonderheden in te gaan en natuurlijk zonder elk woord voor onze rekening te nemen, hier volgen. Het luidt aldus :
„Het bericht omtrent het afstaan van preekbeurten aan vrijzinnige ambtgenooten door den Amsterdamschen predikant dr. Engelberts, en de verijdeling van dit plan door den kerkeraad der Hervormde gemeente in de hoofdstad, richten de aandacht weder op een aangelegenheid, die af en toe de Kerk in rep en roer brengt. De kwestie ontstaat, zoodra een predikant ten opzichte van het richtingsvraagstuk een andere houding aanneemt dan de kerkeraad of de meerderheid in de gemeente, die hem heeft beroepen. Het betreft hier een conflict, dat verstrekkende principiëele beteekenis heeft.
Gewoonlijk pleegt men een predikant, die betreffende dit punt de opvattingen van kerkeraad en gemeente trotseert, te prijzen om zijn zelfstandigheid en geloofsmoed. Men kan echter de zaak ook van een anderen kant bekijken, en dan onthult zij een ontstellend tekort aan organisatorisch besef in het kerkverband.
De aloude vraag doet zich hier voor, of de predikant persoonlijke rechten op den kansel kan doen gelden dan wel of hij slechts werktuig en middel is van de gemeente, die hem op dat hooge gestoelte geheven heeft. Voor beide opvattingen is iets te zeggen. Gegeven eenmaal het richtingsverschil, dat in vele opzichten een volstrekte tegenstelling beduidt, heeft de gemeente recht op een prediking in den geest als waarvoor zij den predikant, die haar bedient, heeft beroepen. Zij liet in zijn persoon de rechtzinnige of de vrijzinnige geloofsverkondiging aan het woord komen, omdat zij, althans in meerderheid, deze als de ware of de voor haar meest gewenschte beschouwde. De predikant heeft, door het beroep aan te nemen, ook in dit opzicht verplichtingen aangegaan. Zelfs kan men met goed recht betoogen, dat hij, zoo hij van geloofsinzicht verandert, zijn kansel wederom ter beschikking moet stellen.
Aan den anderen kant valt niet te ontkennen dat de predikant zich een groote mate van vrijheid mag voorbehouden, omdat het ten slotte toch zijn persoonlijkheid is, die aan den kansel beteekenis verleent. De gemeente heeft geen geloofsautomaat tot voorganger beroepen; juist dat zij zich bewust is een „herder en leeraar" noodig te hebben, bewijst hoezeer zij den kanselredenaar het recht op een eigen overtuiging, onafhankelijk van haar eigen opvattingen en vooroordeelen toekent niet alleen, maar zelfs voorschrijft. Wie op den kansel het „geloof der gemeente" al te zeer ontziet, schiet in zijn ambtsplicht jegens de gemeente schromelijk te kort.
Dit alles wil echter niet zeggen, dat de predikant den kansel als zijn privaat verblijf mag beschouwen.. De vrijheden, die, hij zich op het hooge gestoelte veroorloven kan, blijven beperkt tot zijn eigen persoon. Doch nimmer heeft hij het recht, hoezeer dit maar al te vaak wordt verondersteld, „zijn" kansel te ruilen, af te staan, te verkwanselen. Zoodra hij zelf niet langer er op staat, is het „zijn" kansel niet meer.
Afgezien van alle kerkelijke reglementen en louter moreel en organisatorisch gesproken, heeft een kerkeraad, die „zijn" predikant verbiedt, naar eigen welgevallen over „zijn" kansel te beschikken, gelijk. Dat dit verbod niet vaker en niet krachtdadiger klinkt, vindt zijn oorzaak in het dominocratisch karakter der kerkgenootschappen en in de onvoldoende, onhoudbare regeling van de rechten en verplichtingen van den predikant. De predikant heeft geen instructie, tenzij men zijn beroepsbrief als zoodanig beschouwen wil. Doch wie den beroepsbrief als instructie wil toepassen, komt in de positie van een ambtenaar of een college, dat door stipte toepassing van voorschriften en wetten sabotage of obstructie pleegt.
Volgens den beroepsbrief moet de Hervormde predikant het Evangelie verkondigen „op de bij de Gemeente vastgestelde tijden"" en is hij verplicht „gedurende het gansche jaar wekelijks" catechisatiën te houden. Een officiëele vacantie kent hij niet, en de ruilbeurt is de veiligheidsklep in zijn overbelasten predikdienst. De kerkeraad staat het ruilen met ambtgenoten in de drukke feestweken en in de zomervacantie oogluikend toe, doch het is een gunst, die hij den predikant hiermee bewijst. De predikant die, misbruik makend van de goedigheid, het vertrouwen of de laksheid van zijn kerkeraad, met een ambtgenoot ruilt zonder dit lichaam daarin te kennen, miskent het recht, dat de gemeente op den kansel bezit, en dat op haar terugvalt, zoodra de door haar beroepen predikant van zijn recht tot prediken geen gebruik wenscht te maken.
De leemte betreffende vacantie en vrijbeurten in de reglementen is oorzaak geweest, dat een gewoonte-recht is ontstaan, waarvan de gevolgen niet steeds overeenkomstig de oorspronkelijke bedoeling zijn gebleven. Nimmer kan een predikant uit dit gewoonte-recht de vrijheid afleiden, om den kansel als een particulier eigendom in bruikleen af te staan aan eenig ambtgenoot, laat staan aan een ambtgenoot, van wiens prediking de gemeente of de kerkeraad niet is gediend.
Dat de reglementen over deze materie zwijgen, komt omdat zij de mogelijkheid van ruilen of afstaan van beurten niet eens veronderstellen. Maar wanneer de reglementen der Hervormde Kerk omtrent de predikanten reeds voorschrijven, dat zij „in de regeling van het getal, den tijd en de plaats der openbare godsdienstoefening geen verandering (maken) zonder toestemming van den kerkeraad, spreekt hef toch vanzelf, dat deze toestemming allereerst vereischt is, wanneer de predikant inplaats van zelf de door hem reglementair verplichte preekbeurt te vervullen, een ander wil laten optreden. Slechts de kerkeraad kan preekbeurten „afstaan" ; de predikant, die zich dit recht aanmatigt, voert hiermede weder een soort „particuliere collatie" in, en het is te begrijpen dat de gemeente, die zich opgelucht voelt, nu zé niet langer zich door den een of anderen grand seigneur een prediker tegen haar zin behoeft te laten opdringen, in verzet komt, zoo haar eigen predikant met den kansel als zijn private heerlijkheid omspringt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's