De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

Paul was niets gerust op de paarden, als de koetsier met gebogen rug en 't gelaat in de opening van 't neergelaten raampje zat te babbelen.
„'t Tocht zoo, koetsier ! ik kom vandaag of morgen wel eens bij je : dan zou ik graag naar je luisteren."
De koetsier knikte beleefd en trok het raampje omhoog.
Paul voelde teleurstelling. Dat juist nu Marie er niet was ! Juist nu ! Dat was een beschikking Gods ! De freule kón Marie niet missen, en nu móést zij ze missen. En als dat nu zoo eens een dag of drie, vier duurde ! Hij klopte tegen 't raampje, en de koetsier opende het.
„Wat zou je 'r van denken, koetsier, als je ook nu over Delberg reed ? Dan konden we nog eens vragen."
„'k Zal het doen, mijnheer !"
Marie scheen in de verte het rijtuig gezien en herkend te hebben : toen het vlak voor 't boerderijtje stilhield, was zij al op 't bruggetje.
De koetsier sprong van de bok, opende het portier en ..............
„Even, Martens !"
Ze stapte in 't rijtuig. De beiden gaven elkander de hand en noemden elkanders naam.
"Hoe is 't met je moeder, Marie ? "
De dokter was voor een uur geweest en had gezegd, dat het wel weer afzakken zou. Moeder sliep nu rustig.
„Dan kon je nu wel weer meerijden, Marie !"
„Nee, dat kan nog niet, Paul ! En al kon het, dan zou ik het niet doen, omdat de menschen zouden denken, dat 'k 'n hekel heb aan mijn ouderlijk huis. De freule wordt goed verzorgd. Moeder heeft dit wel meer gehad ; maar ze is 't altijd weer te boven gekomen. Ik zal haar vandaag nu eens verplegen ; vanavond hoop ik je weer te zien. Nu weet je genoeg. Ik moet nu gauw naar moeder. Dag Paul ! tot van avond, als God het wil."
Ze stapte weer uit.
„Martens ! je zult wel zorgen, dat je van avond om zes, halfzeven, weer hier bent ? "
"Bij leven en gezondheid kunt u op mij rekenen, juffrouw !"
Ze kwam nog even voor 't portier.
„Zeg ! kom je dan mee in 't rijtuig ? "
Dat was een kostelijk idéé !
„Als ik mag van de freule !" zei hij lachend, en zij lachte terug.
„Och loop jij ! Vertel jij de freule maar, dat ik om zes, halfzeven word gehaald, dan zal 't eerste, wat je hoort, zijn : Paul ! je moest mee in 't rijtuig gaan, om Marie gezelschap te houden.
Beiden rekenden er vast op, dat ze van avond samen zouden rijden, en stelden er zich heel veel genoegen van voor. De paar­den liepen al. Haastig klopte Paul tegen 't raampje en terstond hield de koetsier stil. Marie stond nog op dezelfde plaats, doch kwam naar 't rijtuig toe.
„Marie ! wie is nu bij de freule!" "Rika van den tuinbaas !"
„O !" Als 't maar geen deftige dame was! De dochter van een tuinbaas zou wel een gewoon meisje zijn !
Nu ging het er dan voor goed op los. De koetsier was zeker bang, dat hij nóg eens moest stilhouden.
Mijnheer en de freule ontvingen Paul weer even gul en hartelijk. Ze schenen beiden onder den indruk te zijn van Marie's afwezigheid, en de treurige reden daarvoor. Doch zoodra Paul meegedeeld had, wat hij van Marie wist, en dat ze den koetsier had opgedragen, haar om een uur of zes terug te halen, trokken de wolken terstond van de lucht.
„Wel Paul ! dan zou jij moeten meerijden ! — zei de freule — ik ben er zeker van, dat je Marie daarmee een grooten dienst bewijst."
Paul lachte zoo verraderlijk.
„Misschien heeft Marie daar al over gesproken !"
„Ja freule ! en ook gezegd, dat u mij dien raad wel zoudt geven."
„Och, wij denken altijd gelijk."
De oude heer zei niet veel : hij scheen liever te luisteren. Nu en dan verwijderde hij zich even : er was zoo iets onrustigs in zijn doen en wezen. Een paar maal, dat hij niet in de kamer was, verzocht de freule Paul, om even op 't knopje te drukken, waarop telkens terstond een eenvoudig gekleed, net jong meisje binnenkwam om de freule te dienen. Dat was dan zeker Rika van den tuinbaas ! Mijnheer zat juist weer in zijn stoel, toen de freule zei, waarom ze zoo graag eens met den bouwmeester wilde spreken.
„Ziet u, Dilleman ! 'k heb vaak gedacht hoe zoo'n plan van een architect wordt uitgevoerd. Alle werklui, die daaraan meewerken, kennen die dat plan ? "
„Welneen, freule ! Natuurlijk kunnen ze dat plan inzien, maar ze hebben er niets mee te maken."
"Ik begrijp niet, hoe ze met elkander 't gebouw precies zóó maken, als het naar dat plan zijn moet. Want de architect bouwt het toch zelf niet !"
„Och, zie eens, freule ! — Allereerst moet natuurlijk de fundeering gelegd worden ; doch daartoe moet eerst gegraven en soms geheid worden. De grondwerkers weten gewoonlijk zelf van het plan niets en ze bekommeren zich daarover ook niet, want ze werken onder een baas, die het plan der fundeering kent. Zijn de grondwerkers klaar, dan komen de metselaars, en elk werkt aan den hoek, die hem wordt aangewezen. Dezen staan ook onder een baas, die het plan kent minstens voor zooveel hij dat voor 't metselwerk moet kennen, maar de knechts werken niet naar een hun bekend plan, maar naar de bevelen van hun baas. Met het timmerwerk gaat het evenzoo. Al het houtwerk kan klaar gemaakt worden, zonder dat ook maar één van de werklui, die het maakt, weet, waarvoor het dient. Maar de timmerbaas zorgt, dat alles volkomen naar 't bestek wordt uitgevoerd, en op zijn aangewezen plaats komt. Met het smeedwerk is het evenzoo. En als ten slotte alles onder beschot is, komt de leidekker, die er niet naar vraagt, wat daar onder zijn voeten gewerkt is. Hij kent het bestek van het dak en zorgt dat zijn knechts, die van dat plan weer niets afweten, de bedekking geheel naar den eisch maken."
De freule glimlachte gelukkig.
„Zie ! — zei ze — dat heb ik nu nooit geweten. Het plan wordt dus voornamelijk uitgevoerd door menschen, die van dat plan eigenlijk niets weten ? "
„Ja, freule ! Vooral bij groote bouwwerken is het een indrukwekkende gedachte, dat alles juist op zijn plaats is, en zoo komt als het moet zijn ; dat duizenden menschen daaraan gearbeid hebben, allen onder opdracht of bevel van een baas, zonder eenige zekerheid of zelfs vermoeden, dat hun arbeid de allerstipste uitvoering van een tevoren opgesteld groot plan is. En ten slotte komen de schilders, glazenzetters, behangers, kunstdraaiers en beeldhouwers. Elk werkt voor zich zelf en bemoeit zich met eens anders werk niet. "
„Maar als nu eens het metselwerk verkeerd gedaan is, dan zou de timmerman daar leelijk mee kunnen zitten !"
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's