Staat en Maatschappij.
De gewijzigde regeling.
Zooals reeds in ons vorig nummer met een enkel woord werd medegedeeld, heeft de Minister van Onderwijs kunnen goedvinden, om het Kon. Besluit van 19 Jan. 1924, dat den leeftijd voor toelating der kinderen tot de scholen van lager onderwijs met een jaar opschoof en waarvan de invoering als gevolg van de sterke oppositie tegen dezen maatregel reeds tot 1 September a.s. was uitgesteld, thans voor goed terug te nemen.
Met het intrekken van dit voorstel komt ook tevens de regeling te vervallen, waarbij een korps leerkrachten (hulponderwijzeressen) werd in 't leven geroepen, dat een eenvoudiger opleiding had genoten dan de gewone onderwijzers en in de laagste twee klassen voor minder salaris zou werkzaam zijn.
Hoewel de Minister — en dit alles vinden wij in de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag betreffende het wetsontwerp tot wijziging van de Leerplichtwet en van de Lager Onderwijswet 1920 — uitdrukkelijk verklaart, dat zijne meening op zichzelf geen verandering onderging, doch dat hij voor de algemeene afkeuring, welke zijn plannen ondervonden, is uit den weg gegaan, zoo blijft hij onverzwakt aan het beginsel vasthouden, dat de intrekking van het bovengenoemd Kon. Besluit alleen kan plaats hebben onder de voorwaarde, dat de beoogde bezuiniging op andere wijze wordt verkregen.
Behalve dat bezuiniging zal blijven plaats hebben op de onderwijzerssalarissen, de opleiding, de examens en het schooltoezicht, zoekt de Minister deze wijze in het terugkeeren tot den zesjarigen leerplicht en in een eenigszins anderen vorm van 't stelsel van inkrimping van het aantal gewone leerkrachten. Dit laatste in dier voege : dat uit 's Rijks kas niet meer vergoed zal worden dan één onderwijzer per 48 leerlingen. Of deze vermindering van. het aantal leerkrachten, waartoe deze maatregel zal leiden, het gevolg zal hebben dat in een school voor den vervolge ook werkelijk minder onderwijzers zullen werkzaam zijn, is op dit oogenblik niet te zeggen. Dat hangt af van wat de gemeentebesturen en schoolbesturen zullen beslissen : Immers zij kunnen voor eigen rekening onderwijzers boven het aantal, waarvoor het Rijk de salarissen vergoedt, aanstellen.
Dat met deze bepaling en met haar gevolg, dat, indien de voorgestelde wetswijzigingen worden aangenomen, , het Kon. Besluit van 19 Jan. 1924 wordt teruggenomen, de aanslag op de vrijheid der Vrije School wordt te niet gedaan, verheugt ons bij zonderlijk. Het bezwaar tegen het Kon. Besluit ging toch inzonderheid tegen den onnoodigen dwang, welke daaruit zou voortvloeien.
Gelukkig is dit gevaar thans afgewend.
De gemeentebesturen en de schoolbesturen behouden hunne volle vrijheid om de scholen, welke zij beheeren, naar eigen goedvinden in te richten, ook om, zoo gewenscht, in het zevende leerjaar onderwijs te doen geven.
Intusschen, met hoeveel ingenomenheid wij de nieuwe wijziging begroeten, de bepaling van één onderwijzer per 48 leerlingen zal niettemin haar moeilijkheden met zich brengen. Maar het feit, dat het aantal wettelijk verplichte leerkrachten reeds thans gestegen is tot ± 33400, waarvoor aan salarissen ruim 91 millioen gulden 's jaars wordt besteed, is met het oog op de landsfinanciën niet langer vol te houden.
Bezuiniging is ook hier meer dan noodzakelijk.
Hoe de nieuwe toestand, vergeleken bij den bestaanden, ten aanzien van het aantal leerkrachten voor een bepaald aantal leerlingen worden zal, kan uit 't onderstaande staatje blijken :
Vereischt Lager Onderwijs
aantal leerkrachten Hoogste getal leerlingen.
Wet Voorstel1
2 32 48
3 72 96
4 116 144
5 160 192
6 210 240
7 260 288
8 315 336
9 370 384
10 480 480
Uit deze getallen blijkt, dat het niet te veel gezegd is, als wij beweren dat vooral de twee- en driemansscholen in niet geringe ongelegenheid zullen komen, vooral wanneer het niet mogelijk zal zijn om boventallige leerkrachten aan te stellen.
Echter is het een onverwachte uitkomst, dat het gewijzigde ontwerp, ter tegemoetkoming aan de bezwaren, dat bij de kleinere scholen een behoorlijke klasse-indeling zal bemoeilijkt worden, de benoeming toelaat van assistenten en dit wel voor scholen met niet meer dan 144 leerlingen.
Deze hulpkrachten zullen niet jonger mogen zijn dan 16 jaar. Zij zullen in de school mogen werkzaam zijn, zoo zij voorzien zijn van eene verklaring van voldoende ontwikkeling en geschiktheid door den Inspecteur van het Onderwijs af te geven. De voldoende ontwikkeling wordt geacht aanwezig te zijn door het bezit van de onderwijzers-acte, het M.U.L.O.-diploma, 't eindexamen eener H.B.S. met drie-jarigen cursus, het bewijs van toelating tot de 4de klasse van een Gymnasium — vaïi een H.B.S. met vijf-jarigen cursus of van een H. B. S. voor meisjes met zes-jarigen cursus.
Alles bij elkander genomen en overwegende de noodzakelijkheid van eene doeltreffende bezuiniging op de onderwijsuitgaven, lijkt ons, dat de voorgestelde wijzigingen, die in het algemeen verbeteringen zijn kunnen worden aanvaard, al zal hier en daar nog wel een verbetering kunnen worden aangebracht waarbij b.v. aan gemeenten en schoolbesturen meerdere vrijheid wordt gelaten, dan de vigeerende wet aan deze lichamen toekent.
Ten slotte laten wij hieronder voor de volledigheid nog een zelfde staatje volgen als wij hierboven gaven voor het gewoon lager onderwijs, maar nu voor het Uitgebreid lager Onderwijs.
Vereischt aantal Uitg. L. Onderwijs
Leerkrachten Hoogste getal leerlingen.
Wet Voorstel
1 23 30
2 40 60
3 70 90
4 100 120
5 130 150
6 160 180
7 190 210
8 210 240
9 240 270
10 270 300
Kerk en Staat.
Het is zeker een van de moeilijkste kwesties, de verhouding van Godsdienst, Staat en Kerk. Bij alle politieke partijen komt deze aangelegenheid telkens naar voren en de meeningen verschillen dan wel eens.
Ook in de Christelijk Historische Unie is het een onderwerp van beraadslaging ; natuurlijk. En nu lezen wij in de bladen, dat het Hoofdbestuur, naar aanleiding van het hernieuwd op den voorgrond treden van enkele belangrijke vragen, in verband met de verhouding van Godsdienst, Kerk en Staat, besloten heeft tot de benoeming van een commissie uit de Unie, ten einde deze vragen te bestudeeren en daarover aan het Hoofdbestuur rapport uit te brengen. Als leden dezer commissie zullen worden uitgenoodigd de heeren mr. J. Schokking, tevens voorzitter ; ds. H. v. Eijck van Heslinga, te Berlikum; jhr. mr. D. J. de Geer ; dr. J. C. Kromsigt, te Oostwold ; mr. R. Pollema, te Leeuwarden ; prof. mr. B. C. de Savornin Lohman en prof. dr. J. R. Slotemaker de Bruine.
Wij zijn zéér benieuwd naar het rapport van deze commissie, en wij hopen, dat het werk van deze heeren nog tot algemeen nut mag zijn voor de christelijke partijen, die bij dit vraagstuk zoo nauw betrokken zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's