De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

Den Heere gezien.

9 minuten leestijd

Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had en dat Hij haar dit gezegd had. Johannes 20 vers 18.

Onder de kinderen Gods wordt de rijkste verscheidenheid van geestelijke gaven, wegen, ervaringen gevonden. De apostel Petrus schrijft over „goede uitdeelers der menigerlei genade Gods." Toch komen al die wegen, ervaringen, als in één hoogtepunt samen, n.l. in de bevinding der groote, goddelijke genade in Christus Jezus, den Heere. Want Hij is aller Hoofd, 't Is „éen Heere, éen geloof, éen doop, éen God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen en in u allen." (Ef. 4 vers 5 en 6). En één is ook de uitkomst, de vrijspraak, de vreugde, hier beneden bij aanvang en eenmaal in zaal'ge voltooiing.
Hoe worden wij tot deze gedachten gedrongen, wanneer wij onzen blik richten op de verschijningen des Heeren aan Zijne discipelen op en na den opstandingsdag ! Welk een verscheidenheid in hunne ervaringen en ontmoetingen en toch welk een lieflijke samenstemming ! Wij willen een wijle de aandacht vestigen op eene ure van zalige zielsontroering bij ééne der vriendinnen des Heeren.

Maria Magdalena heeft in Jozefs hof veel geweend en gezocht. Van 't oogenblik af, dat zij den steen van het graf zag weggenomen, heeft de overstelping der smart haar gebonden op de plaats, waar het stoffelijk overschot, zoo zij meende, van haar geliefden Meester moest liggen. Voor haar omfloerste oogen was er niets dan dat groote ledige en in haar smartelijk besef niets dan de brandende pijn van euveldaad, aan den haar dierbaren Jezus begaan. Zij spreekt wel, èn tot Simon Petrus, èn tot de engelen èn tot den vermeenden hovenier, doch het is alles hetzelfde : "Zij hebben Hem weggenomen."
Ach, mijne vrienden, oordeelt niet hard over Maria. Het is zwaar, Jezus te moeten missen en geen oog te hebben voor Zijne heerlijkheid en nabijheid. Geen Maria Magdalena, die 't bitter der zonde en 't zoet der vergeving gesmaakt heeft, kan in een Jozefs-hof anders doen dan Jezus zoeken en weenen. En slechts zij, die een gelijke Maria-beproeving hebben doorgemaakt, kunnen die Maria-smart verstaan. Donker is 't in de ziele van Zions dochter, als zij Zions Koning mist.
Doch dan worden als in één hemelsch accoord twee woorden gejubeld. Woorden, als een echo gedragen door heel de Kerke des Heeren. Vertolking van vreugde bij den herder, die 't schaap en het schaap, dat den herder gevonden heeft.
't Eene woord is „Maria."
Dat is 't juiste woord op den juisten tijd. Het woord, dat het zielsoor opent, het floers wegvaagt, de ziele omkeert naar Hem toe ; dat als licht en leven inbreekt in duist're diepte.
't Kan immers zijn, dat wij Hem hooren. Hem zien en Hem niet kennen. Dat het juiste woord ontbreekt, de juiste tijd nog niet gekomen is. Het kan zijn dat wij als Maria met den rug naar Hem toe staan en dat zelf hebben gedaan, zooals zij het deed. Daar zijn zeer zeker oorzaken toe en zij liggen altijd in onszelf. En dit is eene oorzaak : wanneer wij alle aandacht gericht hebben op een geopend graf, een verloren liefde, een voor nemen, om een dooden Jezus weg te dragen. En dit is eene oorzaak : wanneer wij meer zien op een steen, dan op lieflijke boden des hemels, of wanneer wij meer vreezen voor „degenen, die het lichaam dooden en de ziel niet kunnen dooden", dan „Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel." En dit is een oorzaak : wanneer wij de zonden zoo streelen, dat de rijkste beloften Gods geen vat op onze ziele hebben kuimen of wanneer wij zoo ongeloovig zijn, dat Hij „aldaar geen krachten kan doen"
Terwijl kan Hij dan bij ons staan
Tot Hij dat ééne woord spreekt : „Maria."
En Zelf de deuren der ziele opent en onwederstandelijk binnentreedt.
"Het woord" dat is „het wonder" van „dien getrouwen Heere."
Dan zinkt Maria neer : „Rabbouni."
De kreet als van het verloren kind, dat de moeder vindt, de sprake der overstelpte ziele, antwoord der liefde, levensroep. Is het niet 't zich omkeeren naar Jezus toe? Het aanbidden, belijden van "t stralendst Licht, dat in de wereld kwam? Als wierd in de doodsvallei een hemel geopend en gezien de paarlen poort van 't nieuw Jeruzalem ?
Dat is het, wat Gods volk in bangsten nacht leert kennen.
En hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd.
Kennen wij nu ook zulke „twee woorden" ? Het één, dat Hij sprak, 't ander, dat wij beleden? Er is eene stem, die roept: „Maar nu, alzoo zegt de Heere, uw Schepper, o Jacob ! en uw Formeerder, o Israël ! vrees niet, want Ik heb u verlost ; Ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt mijne. (Jes. 43 vers 1). De herder der schapen roept ze bij name en leidt ze uit. Er is een oor, dat hoort, er is een oog dat ziet.
Dierbare betrekking tusschen dien Borg en Zijn volk.
Maria Magdalena werd door 't noemen van haar naam in den vollen zin omgekeerd. Eerst met den rug naar Hem toe, mag ze Hem nu als haren eigenen hemelschen Bruidegom zien. En zoo is 't met al de Zijnen, 't Is een gedurig noemen van hunnen naam, 't is een gedurig omgekeerd worden „naar Hem toe." En dan zijn 't die "twee woorden." „Hij en ik" ! „Mijn volk en mijn God" ! Mijn eigendom en mijn Zaligmaker" ! woorden, die ook u niet vreemd zijn ?
Voort gaat Maria Magdalena. Boodschappen den discipelen „dat zij den Heere gezien had en dat Hij haar dit gzegd had."
Het staat er zoo heerlijk sober. Maar is het daarom weinig ? Weinig, wanneer wij zóo mogen heengaan en boodschappen „den discipelen" ?
Maar dat volk, dat „den Heere gezien heeft" komt er niet meer los van. Het is om nooit te vergeten. O, zij wenschen duizend tongen te ontvangen om te boodschappen, dat Hij „gedacht heeft aan Zijne genade."
Let nu eens op hare gestalte en op den weg der gehoorzaamheid, dien zij gaat.
Welk een eenvoud is er in haar getuigenis ! Ze boodschapt, dat ze den Heere gezien heeft. AI wat daarbij gevoegd wordt over plaats, omstandigheid, kan als schoone omlijsting dienen, maar hier is het hart van de zaak. De door Christus gevonden ziele kent „onuitsprekelijke dingen." Dan is het één woord, zooals „Rabbouni" of zijn het twee of drie woorden, zooals : „En het was omtrent de tiende ure" (Joh. 1 vers 40) of „en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde" (Psalm 32 vers 6) of „wij zijn aanschouwers geweest van Zijne majesteit" (2 Petrus 1 vers 16). Dat zijn van die onvergetelijke uren. Satan fluistert : „'t is bedrog", discipelen soms balen de schouders op, maar 't blijft. Wat uit God geboren is, gaat niet verloren.
Welk een klaar besef toont haar getuigenis ! Zij heeft „den Heere" gezien. Denzelfde, dien zij weenende zocht, denzelfde, die eens zeven duivelen uit haar uitwierp, denzelfde, dien zij als Redder bezat en nu eeuwig bezitten zal. In dien naam ligt al haar hope, rust, vrede, zaligheid. „Geliefden", roept de apostel Johannes uit, „wij zullen Hem zien, gelijk Hij is." (1 Joh. 3 vers 2).
Maar ook ligt er in haar woord een onwankelbare zekerheid. Het is een persoonlijk „gezien hebben." Niet een geloof of getuigenis van anderen. Neen, zij zelve, met hare eigen oogen, heeft Hem gezien en met hare ooren heeft ze Zijne stem gehoord, 't Moet toch eene eigene, persoonlijke kennis zijn. Al zitten wij onder de bediening des Woords, al verkeeren wij onder 's Heeren volk, daarmede is het aan Zijn Kerke geschonken bruiloftskleed het onze nog niet.
Lezer, moogt gij al met die zalige zekerheid „den discipelen" boodschappen, dat gij „den Heere" gezien hebt ?
Zulke Maria's hebben ook de kracht van Hem ontvangen om den weg der gehoorzaamheid te bewandelen.
Ongetwijfeld kost 't haar meer, dan 't haar aardsche liefde mogelijk is, om Hem nu te verlaten. De bruid zegt: „ik hield hem vast en
liet hem niet gaan." (Hooglied 3 vers 4).
Nietwaar, in zulke uren van wedervinden is scheiding het allerzwaarste. Op Thabor's hoogten tabernakelen maken is een geliefkoosde arbeid. En toch, dat allerliefste moet wijken. "Hoort Hem", zegt de stem. Dan worden de Zijnen geroepen tot zelfverloochening. Van de lieflijke hoogten af door wegen, waar de voet zich stoot.
Nochtans worden ze niet alleen gelaten, want Zijn stok en Zijn staf, die vertroosten hen. De trekking der liefde, de drang tot nabijwezen moet in Chrisus van Christus heengaan in den weg der gehoorzaamheid des geloofs om Christus te behouden. In dien weg zal Hij ze niet verlaten, maar zullen ze na het „moerbeidal" eeuwig bij den Heere wezen.
Schoone roeping, aan Maria opgelegd. Boodschappen den discipelen, door Hem mijne broeders" genoemd, 't Zal haar niet meevallen bij die broeders (Marc. 16 : 11), zooals. het wel meer niet meevalt om met boodschappen bij „discipelen des Heeren" te komen, en toch zijn zulke moeilijke wegen zalige wegen, om dat het wegen der liefde zijn en Maria's „van kracht tot kracht" voortgaan. En op Zijn tijd zullen alle kleingeloovige discipelen, alle Thomassen, stamelen : „Mijn Heere en mijn God" !
Dan zullen zij ook „de twee woorden" kennen.
Lieve Lezer, is de Maria-gestalte de uwe? Zocht ge Hem in uw bange dagen, in stille hoven, waar een steen des aanstoots uw tranenrijk oog aftrok van discipelkring en engelengestalten, om den Levende bij de dooden te zoeken ; waar ge uwen rug toekeerdet naar Hem, dien gezocht? Waar ge niet verder kondet komen dan tot een ledig graf en ge daar zoo heel arm stondt tot op eenmaal dat ééne woord in uwe ziele klonk ?
Dat woord : Zijn woord! ....................en toen uw woord!
Ja, herhaal het dan maar, tot 't weer zingt als in de dagen van ouds, tot de toon van liefde's weelde alle snaren uws harten doet trillen, tot uw oog in zaal'ge verten schouwend. Hem weer ziet komen.
Vrees niet, gij wormpje Jacobs, gij volkje Israels ! Ik help u
Dan boodschapt ge met ons „Zijn heil van dag tot dag" !

O. ad IJ.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's