De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

„Neen, freule ! de timmerman zit met niets. Want de metselaar heeft niets verkeerds gedaan : daarover waakt de architect met zijn opzichters. Zij kennen het plan in al zijn onderdeelen — — "
„Maar als iets dan toch eens niet past ? "
„Niet past ? Wel, dan is 't een domheid van den architect, of slordigheid van den opzichter, of ondeugd van den aannemer. Maar freule ! bij God, den grooten Bouwmeester en Uitvoerder van het wereldplan voor de eeuwigheid kdn nooit van domheid, noch van slordigheid, noch van eenige ondeugd sprake zijn. Hij Is de Architect, Hij de Aannemer, Hij de Opzichter, Hij de Werk baas ! En wij menschen, zijn de arbeiders, de knechts, die maar voortgaan — in daghuur — zonder dat we ons over het bouwplan, dat ons onbekend is, bekommeren —"
„Paul, jongen ! je hebt begrepen, waarom ik je inlichting verlangde. Dat verrast me ! Ga nu verder !"
„Verder ? Ja freule ! ik geloof dat ik klaar ben."
De oude heer richtte zich naar zijn dochter.
„Onthoud dat, Virginie ! wat de bouw­ meester zegt : wij zijn maar de arbeiders, de knechts, en doen maar voort. Virginie ! wij doen zoo maar voort, zooals de baas het ons oplegt. Niet waar, Dilleman ? de knecht moet op 't werk zijn, — op 't karwei — maar zijn baas wijst hem aan, wat hij te doen heeft. Een knecht leeft eigenlijk heel gemakkelijk, niet waar, Dilleman ? Want hij doet zoo maar voort, zooals hem van uur tot uur en van dag tot dag gezegd wordt. Maar de architect, de aannemer en de baas teekenen, rekenen en zorgen : zij hebben 't zwaar ! Virginie ! zal je dat nu onthouden ? De Heere zorgt !"
De freule glimlachte naar haar vader.
„Ja vader, ik hoor het wel, en ik begrijp u wel ! Zeker, zeker ! wij doen zoo maar voort tot de Meester ons thuis roept. En nietwaar Paul ? als 't heele gebouw klaar is, zullen we weten en zien, welken dienst wij daarbij hebben verricht."
Paul had wel iets te zeggen, maar de oude heer was hem voor :
„Zoo maar stil voort doen, kind ! De Meester zorgt!" Daarop richtte hij zich naar Paul en zei :
„Dat heb je mooi gezegd, Dilleman ! Je hadt ons dat al eerder moeten zeggen ! Of weet je 't nu ook pas ? "
Paul vond, dat mijnheer vreemd deed ; alsof hij maalde. En 't rimpelen op 't voorhoofd der freule hield ihij voor een bevestiging van zijn vermoeden.
„Ik leerde dat al van de schapen, mijnheer ! Die deden altijd zoo maar voort, rustig en kalm onder 't oog van den herder. Zij behoefden zelf niet te zoeken, waar ze zouden weiden ; noch er zich over te bekommeren, of 't al of niet tijd was, om naar de heide, of weer naar de stallingen te trekken."
De oude heer klopte met den kneukel van zijn rechter wijsvinger op de tafel, om de aandacht zijner dochter te wekken.
„Hoor je dat, Virginie, mijn kind ? Wij moeten 't aan August ook zeggen. De herder van Winnewoud weet het ; hij weet het goed ; veel beter dan wij. De schapen doen zoo maar voort, en de Herder zorgt. Virginie ! dat wist moeder ook, niet waar ? Zij volgde maar stil, en dan nam de Herder dat lieve schaap tot zich. Ze zal blij zijn, als wij ook komen ! En Paul gaat dan ook mee ! Wij zullen 't moeder alles vertellen van den herder van Winnewoud, die 't ons leert."
Paul zag dat de oude heer vochtige oogen kreeg ; doch de freule scheen dat doen en spreken gewend te zijn. Hem zelf pakten die vochtige oogen, en de woorden, en de toon, waarop ze werden gesproken, alsof ze van iemand uit een andere wereld kwamen. De freule legde met een wenk naar Paul, den vinger op den mond, zoodat hij geen woord meer sprak, en als nu alles zweeg, ging de oude heer opstaan en verliet de kamer. Toen zei ze zacht:
„Paul ! we moeten van dit onderwerp afstappen, anders wordt vader zóó aangedaan, dat hij den heelen nacht geen oog toe doet".
„Mijnheer schijnt erg zenuwachtig te zijn."
„Ja, , erg ! En nu Marie hier niet is, mist hij iemand. Van dat de Heere moeder wegnam, was hij altijd zoo bezorgd over mij. Doch sedert Marie hier gekomen is, schijnt hij te weten, dat ik goed verzorgd word. Hij is zoo goed ; hij leeft geheel voor mij ! Maar daarom is hij onrustig, als Marie er niet is. Och, dat kind is toch ook zoo'n trouwe zorg !"
Mijnheer kwam weer binnen en vroeg dan — op een wenk van de freule — of Dilleman niet eens met hem in den tuin wilde zien. Alles zat wel onder de sneeuw ; maar daardoor juist was alles zeldzaam mooi : voor een enkele week mooier nog, dan wanneer alles op zijn fleurigst stond te groeien en te bloeien. Paul wilde zich wel gaarne eens vertreden. Wel een half uur liepen de beide heeren, druk babbelend, den tuin door en den weg op. En intusschen was Rika met de freule bezig.
Paul hunkerde naar de klok van zessen. Dan zou hij Marie halen ! Samen in 't rijtuig ! En ze zouden elkander iets zeggen, waartoe ze nog nooit in de gelegenheid waren geweest ! 't Was toch wel een goede beschikking, dat het nu juist zóó trof.
Bij 't diner zaten ze slechts met hun vieren aan tafel ; Rika naast de freule om haar te helpen als 't noodig was. Toch was 't recht gezellig in de hel verlichte kamer ; 't gesprek was altijd frisch en levendig.
Daar werd gebeld : 't rijtuig stond voor de deur. Paul voelde iets ongekends ; over een uurtje zou hij met Marie alleen zijn !
Hij stond op 't bordes, gereed om in te stappen.
En juist kwam mijnheer Terlingen Boss vlug naar hem toe.
„Maar mijnheer Dilleman ! Ik had u gezien vandaag, en wachtte op dit uurtje, om u te spreken. En nu gaat u al weer heen ? "
„Maar even naar Delberg, heen en terug; meer niet !"
„Ja, maar daarna heb ik geen tijd ! Hoe jammer, dat dit nu zoo treft ! — Maar zeg, dat is een idée ! Ik stap met u in ! Dan hebt u meteen gezelschap en wij kunnen op ons gemak de zaak bespreken."
Paul had een gevoel, nog erger dan toen deze heer in zijn jeugd hem een handvol vies kroos uit de sloot langs zijn blooten rug liet neerkledderen. Maar hij moest er overheen.
„'t Idéé is zeer practisch, mijnheer Terlingen ! Als u zoo goed wilt zijn, dan maaf in te stappen !"
„Heel graag ! — Martens ! houd even stil voor mijn huis, en zeg, dat ik — nou zeg maar, wat je wilt. Je weet er alles van!
Wip ! — Hij was binnen. Paul ook. 't Portier ging toe, de paarden zetten aan en de heeren begonnen dadelijk over de villa Tot eindelijk de koetsier een luiden schril deed op zijn fluitje, de paarden stil hielden — Marie voor 't portier stond.
„'k Zou wel vragen, Paul ! om even mee naar binnen te gaan, maar moe — — " Wat nu ? Ik dacht dat je alleen was.
Ah, mijnheer Terlingen !" „Juffrouw Kooijker ! Vindt u dat niet aardi.g, dat ik uw dat ik mijnheer Dilleman gezelschap houd ? "
(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's