Uit het kerkelijk leven.
Hét Woord, dat zeer vast is.
Wij hebben weer stil gestaan bij de gebeurtenissen van den lijdensweg bij hetgeen geschied is in den hof van Jozef; en wij; hebben weer aan onzen geest laten voorbijgaan de Emmaüsgangers, Thomas en al de discipelen.
Wat was de oorzaak, dat de discipelen in 't duister zaten toen de Zonne des heils reeds was opgegaan ? Waarom wandelden de Emmaüsgangers zoo droef gestemd aan den avond van den dag toen Jezus Christus reeds uit de dooden was opgestaan? En hoe kwam het, dat Thomas versomberd de eenzaamheid zocht en, treurig van hart, de blijde boodschap van Petrus en van de andere discipelen afsloeg, zeggende : het is mij onmogelijk te gelooven?
Is het ten slotte niet, dat zij het spoor der Schriften bijster waren en traag waren om te gelooven, wat de Heiland Zelf èn wat Mozes èn wat de profeten hadden gesproken ?
Zij hadden verzuimd hun hart te zetten op de Schriften. Zij waren traag geweest, om in te leven 't geen van den Messias te voren was geschreven. Zij misten een rechte en klare kennis van 't geen van Hem van ouds was getuigd, ook niet levend bij 't geen de Heiland Zelf daaromtrent had geleerd en herhaaldelijk hun had verzekerd.
O ! als zij in en bij de Schriften geleefd hadden met een geloovig harte ; als zij gebouwd en vertrouwd hadden op 't Woord van hun Meester, dan zouden zij óok geweten hebben, dat al wat den Heiland was overkomen, de vervulling was van Gods Raad, de vervulling van de profetie, de vervulling van des Meesters woord, de vervulling van. al 't geen er bij den Heere te doen was tot verzoening van een arm zondaarsvolk ; geloovende, dat nu het loon op den arbeid van den Borg zou worden uitbetaald, tot verlossing van Sion.
Maar zij waren traag van hart geweest om te gelooven al hetgeen de profeten gesproken hadden: Maria Magdalena, de Emmaüsgangers, Thomas en al de anderen.
Daarom dat zacht maar ernstig verwijt van den Heiland aan de Emmaüsgangers. „En, Hij zeide tot hen : O, onverstandigen ; gij die traag van harte zijt in het gelooven van al hetgeen de profeten gesproken hebben !"
En als zij er al van genezen zijn en ook Maria Magdalena en ook Petrus en ook de andere discipelen, dan weigert Thomas nog te gelooven.
Hij geeft geen acht op het woord van Mozes en de profeten ; het ligt buiten zijn hart, buiten zijn gezichtskring. Hij denkt ook niet aan de woorden van den Meester, welke Deze toch ook tot hem gesproken had, aangaande Zijn lijden, Zijn dood en Zijn opstanding.
En als de discipelen, zelf nu geleerd en van hun dwaling bekeerd, het Woord der Schriften en het Woord van den Heiland hem willen bijbrengen, om hem te overtuigen, dat Jezus waarlijk is de Christus en dat Hij, die dood geweest is, nu leeft — dan weert hij dat alles af, om in somberheid te leven bij eigen overlegging en bij eigen meening ; zelf allerlei voorwaarden stellend, aleer hij zal gelooven.
De onverstandigheid en de traagheid des harten, die verre hield van de Schriften, hield ook verre van den Christus. De Emmaüsgangers aanvaardden Hem. niet in Zijn lijden noch in Zijn opstanding. En dat geeft somberheid, dorheid, dood en verderf.
Maar als Christus de Schriften weer open legt en naderbij brengt, waarbij het harte onrustig wordt en branden gaat van belangstelling en liefde, dan treedt de Christus ook weer in het licht en zij zkn-Jtieni, zij kennen Hem en de ziele wordt weer met Hem vereenigd en vervuld met vrede en blijdschap en zaligheid.
Laten wij op deze dingen acht geven, ook in de dagen waarin wij leven.
Gods Woord is het lichtend pad, dat getuigt van Christus. Dat Woord heeft de Heere Zelf ons gegeven. „Heilige menschen Gods, door den Heiligen Geest gedreven, hebben ze gesproken" schrijft Petrus (1 Petr. 1 : 21) en wat van de Schriften des Ouden Testaments geldt, geldt ook van de Schriften des Nieuwen Testaments, 't Is tale Gods, door Hem Zelf gesproken.
In dat pad moeten wij en onze kinderen wandelen en daarop moeten onze voeten worden vastgemaakt, om door den Heiligen Geest in al die waarheid te worden ingeleid en daarbij te mogen leven.
Dan is het waar, dat Jezus nu niet meer naar het vleesch gekend wordt. Dat Hij nu niet meer verschijnt aan ons, noch aan onze kinderen, zooals Hij deed aan de Emmaüsgangers, aan de discipelen, aan Thomas bizonder. Maar die verschijningen zijn er geweest, om óns en onzen kinderen te verzekeren : voortaan gaat het niet meer door aanschouwen, maar door te gelooven ; te gelooven de Schriften, te gelooven 't geen de Heere Zelf van Christus heeft getuigd en nog getuigt; door te gelooven het eigen Woord van God. Op die stemmen te mogen acht geven, is een acht geven op 't geen de Heere Zelf heeft geopenbaard ; op 't geen de apostelen hebben gezien met hunne oogen en getast met hunne handen, om 't óns over te leveren op Gods bevel, opdat wij en onze kinderen bij dat Woord zouden leven en wandelen ; bij dat eigen Woord van God.
Wat is men dikwijls „onverstandig" ten opzichte van het Woord. De wereld verwerpt dat Woord ; belacht het: bespot het.
Maar de dwaasheid der prediking is wijzer dan de wijsheid der menschen ! En die het Woord verwerpen zullen beschaamd uitkomen, dat staat vast, om dat Gods Woord eeuwig zeker is.
Wat zijn ook allen die door genade iets anders mogen kennen en zoeken dan de dingen die beneden zijn, dikwijls „onverstandig" ten opzichte van het Woord. Wat weet men dikwijls weinig van de Schriften, wat leeft men dikwijls weinig in en bij de Schriften.
En wat is het harte dikwijls traag in het gelooven.
De bede mag wel leven : maak in dat Woord mijn gang en treden vast.
Om dan in en bij dat Woord levend niet ziende te gelooven en niet ziende lief te hebben n.l. Jezus Christus, in welk geloof een onuitsprekelijke vreugd ligt, met de hope der eeuwige zaligheid. (1 Petr. 1:8, 9).
Laat ons dan niet leven bij.eigen gestelde voorwaarden, en laat ons niet wandelen in eigen gemaakte wegen. De mensch denkt wel, dat dat veiliger en beter is, dan te gelooven al 't geen de Héere in Zijn Woord ons heeft geopenbaard aangaande den Christus. Maar alleen wanneer wij in en bij dat Woord leven' mogen zullen wij ons niet ergeren en zullen wij niet struikelen. Dan zal Jezus ons geen vreemdeling zijn, maar een Vriend. En troost en vrede zal in het harte nederdalen.
Niet ziende — maar geloovende ; geloovende Qods Woord.
En dat Woord des Heeren willen ze ons ontrooven.
Dat Woord der Proleten, dat Woord van Jezus Christus, dat Woord van de Apostelen, Qods Woord — willen ze ondergraven, verzwakken, afbreken, uitbannen, verwerpen.
Om daarvoor in de plaats te stellen eigen woord ; eigen meening ; eigen ervaring.
Laat ons waken, bidden, strijden.
En laat ons dat Woord vasthoudend, bij dat Woord leven, naar dat Woord spreken, naar dat Woord handelen. Ora met een heilbegeerig hart dat Woord te drinken als water, te eten als brood ; door en met dat Woord Christus kennend, die het verachten van dat Woord bestraft, om Zich in den weg van dat Woord te openbaren en te geven in al Zijn heerlijkheid, nu en tot in eeuwigheid. H g g m
*«« De Gereformeerden Geen „partij."
Wat zonden de Oranjeklanten vreemd opkijken, als hun verweten werd : Qij maakt u schuldig aan partij-formatie. Wat blieft u? Is het niet echt Nederlandsch om Oranje lief te hebt)en ? Zit dat niet door heel het volk heen, om Oranje te dragen in bet hart en zich met Oranje te tooien op de borst, op die echt nationale feestdagen, als de Koningin of als de Prinses verjaart ?
Partij-formatie Verbeeldt u ! De Oranjeklanten partijmenschen
Neen, als er echt nationale menschen zijn, dan zijn het de Oranjeklanten.
Qod-Nederland-Oranje, dat is 't wat in het midden van Neerlands volk bij elkaar hoort, omdat Qod het bij elkaar' gebracht heeft ; ^en wat Qod vereenigd heeft, zal de mensch niet scheiden.
Nationalisten zijn de Oranjeklanten. Zij vormen niet 'een partij in het volk. Immers het Nederlandsche volk is Oranjegezind ; het nationale leven Is van Oranje doortrokken.
Zoo ook met de Gereformeerden in de(\Ned. Herv. (Qeref.) Kerk.
Zouden zij, die leven nit de echte Peformatorische beginselen, zooals die vertlol'kli zijn iin de 'belijdenisschriften van onze aloude Qeref. Kerk hier te lande, een partij zijn in die Kerk ? Zouden zij, die de oudste rechten hebben en zich eerlijk, hartelijk, welgemeend aansluiten in leer en leven bij de geloofstaal van onze Qeref. Vaderen en zich eerlijk, hartelijk, welgemeend in leer en leven willen houden aan Qods onfeilbaar Wo'örd, het ^fundamentstuk der Reformatie en het centraal punt van onze Qeref. confessie, — zouden zij, die zoo midden in de Herv. Kerk staan op historisohen grondslag, zouden zij een „partij" gescholden mogen worden ?
En zou men dien Oereformeerdfen, die in hart en nieren Hervormd zijn en van ouds, ook sinds 1816, in de Herv. (Qeref.) Kerk het Vaderlijk erfdeel mogen zien, officieel altijd in het gelijk gesteld met hun eisch, dat de belijdenisschriften als kerkelijk accoord zouden wordp.Ti liiP.waa.rrl — 7.mi mftn hun nu tnngen verwijten, waar zi] zich rondom die 'belijdenisschriften scharen, dat zij zich schuldig maken aan partij-formatie?
't Is immers te mal .om er lang bij stil
te staan. Zooals de Oranjevrienden, de echte nationalen zijn, wetend dat Oranje bij Nederland en Nederland bij Oranje behoort — zoo zijn de Gereformeerden in de Herv. (Qeref.) Kerk de echte Hervormden, die in de Herv. Kerk thuis hooren. Zij bevinden zich op grond, waar zij thuis hooren.
. En zij spreken het met volle bewustheid uit, dat de Ned. Herv. Kerk en de gereformeerde belijdenisschriften rechtens bij elkaar. hooren ; dat de Gereformeerden de oudste en de volle rechten hebben in de Ned. Herv. Kerk, Tegelijk van meening zijnde, dat degenen, die onder den schijn van het oude te bewaren, maar intusschen welbewust principieel andere dingen leeren. waardoor de fundamenteele stukken van de aloude Gereformeerde leer losgewoeld en vernietigd worden, zoo eerlijk moesten zijn, om te zeggen : ónze plaats is niet in het midden van de Ned. Herv. Kerk, maar onze plaats is ergens elders.
Ging het over kleinigheden, over bijkomstige dingen, die het hart der geref. geloofsleer niet raken, dan zouden wij anders spreiken.
Maar nu het dingen raakt belangende God en Christus en Q'Ods Woord, die vierkant-verschillen met hetgeen de Heilige Schrift leert en onze Geref., Kerk van ouds belijdt — denk maar aan Goeden Vrijdag en Paaschmorgen, die nog zoo liort achter lons liggen, — daar zeggen wij welbewust en met ernst en met vrijmoedigheid : die de moderne leeringen aanhangen hooren niet thuis in de Ned. Herv. (Qeref.) Kerk en moesten zoo spoedig mogelijk heengaan.
Dan komt de Ned. Herv. .(Qeref.) Kerk weer eerlijker te staan in het mid den van het kerkelijk-en van het volksleven.
Dan kan de weg gebaand, dat uit elkaar gaat wat niet bij elkaar hoort, daar er toch, maar kerkgemeenschap kan zijn op grond van geloofsgemeenschap ; en de weg kan 'geëffend, dat bij elkaar komt, wat hij elkaar hoort, 'daar degenen die hebben : één Heere, één geloof, één doop, ook in het midden van één land en volk, geroepen zijn kerkelijk saam te leven.
Waarom behandelt men de Kerk, de Herv. (Geref.) Kerk niet naar haar aard en wezen, zooals men alle dingen naar aard en wezen behandelt ? g s
Dan alleen groeit een boom, als hij kan leven naar zijn aard. Dan alleen geurt en fleurt een bloem als zij 't)ehandeld wordt naar haar aard. g t k
Wie meent dat men alles doen kan met een boom en met een plant, weet er niets van en vernietigt in den grond der zaak_wat, goed behandeld, groeien en bloeien kan en wil. b b b
Zoo ook met de Kerk ; met de Herv. Kerk ; — men vernietigt haar, als men haar geweld aandoet, in strijd met haar aard en wezen handelend. n v z
' De Gereformeerden zijn de echt-Hervormden. Zij zijn geen „partij". Allerminst. t
En zij hebben in, de Herv. Kerk, ook in het midden van de natie, nog een grootsohe taak, van God verkregen, waarvan de historie getuigenis geeft en waarom de historie roept; ook nu roept. o
•Hoort men het niet ? Ziet men het niet ?
Niet aanvaarden.
Iemand, die lid van onzen Gereformeerden Bond IS en in een gemeente woont, waar een afdeeling van den Bond is, schrijft ons, dat het iCollege van Kerkvoogden en Notabelen besloten en goedgekeurd hebben om een deel van den Hoofdelijken Omslag aan de Afdeeling van dèn Gereformeerden Bond uit te keeren, berekend naar het aantal' „Gereformeerden" in die Gemeente. De vraag is nu : zal onze Afdeeling die teruggave van een deel van den Hoofdelijken Omslag aannemen of niet ?
Wij zouden willen adviseeren : niet aannemen !
Heel d'ie indeeling van een gemeente in meerderheid en minderheden is glad verkeerd. Onze Hervormde Kerk heeft een 'belijdenis ; en wel de belijdenis, waarin 't Gereformeerd prO'testantsch geloof vertolkt is. Zijn daar nu „minderheden" in een plaatselijke gemeente, die principieel van die belijdenis der Kerk verschillen, dan hooren ze daar niet thuis en moeten ze maar ergens elders een onderdak zoeken. Men treedt niet toe tot de Hervormde (Geref.) Kerk als „mO'déme" of „vrijzinnige" ; men treedt toe, met de eerlijke belijdenis, dat men staat op den bodem van de JDelijdenis der Hervormde Kerk. En als dan de Kerk leert b.v. dat Jezus Christus ten derden dage uit de dooueil ib opgcaiaajii CU'tl //ijii Cl, 'Uii^ \luui van niets gelooven en het ook niet belijden, dan moeten dezulken zoo eerlijk zijn, om niet zich bij de Hervormw de Kerk te voegen.
Moderne minderheden hebben dan ook geen recht, dat ze restitutie krijgen, al vüeren ze ook als motief aan : dat ze modem zijn en geen bevrediging kunnen vinden van hun godsdienstige behoeften. Daarover te klagen past hun niet in de Hervormde Kerk. 't Is de meest natuurlijke zaak, dat zij in de Hervormde Kerk geen bevrediging vinden, waar ze zelf verkeerde eischen stellen. De Hervormde Kerk is niet miodern; en modernen moeten bij de Remonstranten zijn, maar niet bij de kinderen der Refo'rmatie, die uit de beginselen der Reformatie wenschen te leven. a o c g F m w z m b 1 b h n
Terugbetaling van een deel van de opbrengst van den Hoofdelijken Omslag door een orthodox College aan modernen vinden wij daarom heelemaal buiten den regel ; nog afgezien van de vraag, of een beheerscollege moet over stappen op geestelijk terrein, om te beslissen inzake richtingskwesties. t „ d d t
Maar daarom vo'den wij er ook niets voor, dat een groep van gereformeerden 'éen deel van den Hoofdelijken Omslag door een „ethisch" of „modern" Co'llege van Kerkvoogden zou worden gerestitueerd.
Wij zullen.het weï'zónd'er die restiutie doen ! , ; ,
En intusschen zullen wij niet rusten met de Hervormde (Geref.) Kerk op te eischen voor haar eigen belijdenis en haar eigen belijdenis in te dragen in de Kerk onzer Vaderen, uit welker midden de Heere no'g niet is geweken, om kennelijk daar Zijn zegen te gebieden.
„Die gelooven haasten niet!"
En intusschen nemen we geen resti tutie van H.H. Kerkvoogden in een geval als bovengenoemd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's