Stichtelijke overdenking.
En men zal te dien dage zeggen : „Zie deze is onze God, wij hebben Hem verwacht en Hij zal ons zalig maken." Jesaja 25 vers 9.
Wederom Paaschvreugde!
Zijn de Paaschvuren al gedoofd ?
Vreemde vraag. Gij denkt aan heidensche gebruiken of armzalige resten daar van, als de jongens in stroovuur zich vermaken.
Maar is er dan geen christelijk Paaschvuur? Zijn er geen brandende harten, eerst smeulend, toen opflikkerend, straks in lichte laaie ?
Zijn de Paaschzangen al verstomd ?
Of hebben we niet gezongen van den opgestanen Heiland, Zijn leven, Zijn liefde, Zijn glorie ? Nog klinken ze na, ook zeker in uw hart ?
En het Paaschleven, het Opstandingsleven, tintelt 't nog na in u, wetende dat gij uit den dood tot het leven overgegaan zijt ? Eertijds waart gij dood, in de zonde en in de misdaden, maar nu met Hem opgestaan, in Hem hebt gij het leven gevonden.
Dan is er ook Paaschvreugde.
En dat Is de blijschap van het levend gemaakte hart, dat God dankt voor Zijn onuitsprekelijke genade.
Wij zongen wel eens Psalm 49. En sommigen denken, dat is een grafpsalm, een doodslied, een lange doodenzang.
Maar neen, daarin klinkt ook een opstandingstoon :
"Na den dood is 't leven mij bereid, God neemt mij op in Zijne heerlijkheid."
O, zalig zijn ze, die er kennis aan kregen !
Die het licht en het leven, de genade en den rijkdom van Paschen mochten leeren kennen !
Jesaja 25 is de zang van het heil in het Godsrijk.
Dat begin is al dadelijk een geestdriftige belijdenis : „Gij zijt mijn God ! U zal ik loven."
Want Hij verloste Zijn volk uit druk en ellende. Hij was hun een zalige Beschermer.
En dan, speciaal vers 6 tot 12, over het groote heil in Sion, over den vetten maaltijd en den reinen wijn op Sions berg, waarbij de sluier van den rouw wordt weggenomen, want de smaad is vergeten.
Daarom is er een danklied tot Gods eer. Neen, zij hebben niet tevergeefs gehoopt: „Hij is onze God, wij hebben Hem verwacht, Hij zal ons zalig maken."
Waarom lezen wij hier van Paasch vreugde ?
Omdat er gesproken wordt van „den dood, die verslonden is tot overwinning" en omdat Paulus deze woorden aanhaalt in verband met de opstanding van Christus, gelijk Johannes bij die „afgewischte tranen" denkt aan de zaligen in den hemel.
Dan lezen wij die verzen nog eens, maar met Nieuw-Testamentische kennis, met oogen, verlicht door den Heiligen Geest.
En dan is het ook onze geestdriftige belijdenis : „Zie, deze is onze God ! Deze Jezus, van de dooden opgewekt, door God verhoogd, met een Naam boven allen naam.
Met gansch Gods Kerk belijden wij Hem als „onzen Heere en onzen God." Op Thomas' wijze.
Voor dien Christus gaat Gods Gemeente als 't moet door het vuur.
Onder dien Christus strijden wij den strijd des geloofs.
Om dien Christus wil de kruiskerk ook lijden.
In dien Christus weet de Kerk zich overwinnaar, straks, eenmaal, zeker.
Daarom is onze belijdenis met vreugde : „Zie, Deze is onze God", onze Koning, van God gegeven, onze Aanvoerder, Opperbevelhebber, onze Triomphator.
Want Hij heeft het gedaan !
Die steen is afgewenteld, en die machten zijn verslagen, en die vijanden heeft Hij doen vluchten.
Dat was het geweldig moment van den Paaschmorgen toen de vrome Joodsche wereld beefde, en Gods kinderen verschrikt stonden, toen de hemel juichte en de hel ineenkromp van pijn.
Christus' opstandingswerk, daad van Gods alvermogen ! Laten wij het nog even vasthouden ! We zijn het weer zoo spoedig vergeten. Wat Christus gedaan heeft in den weg van lijden, dood en opstanding. Wat, hoe, wanneer, waarom en voor wie ? 't Is toch een belangrijke meditatie, want „de kerker werd uw bult, o Heer'" en „de gevangenis hebt gij gevangen genomen."
En zelf is Hij ontkomen, terwijl alle machten der duisternis gebonden liggen aan Zijn voeten.
Is er reden tot blijdschap?
Belijdt het maar : uw Koning leeft ! Deze God is onze God 1
Want de dood is verslonden tot overwinning.
Wij zijn toch overwinnaar in Hem.
En zelfs de dood kan Zijn volk niet schaden.
Een belijdenis met vreugde.
Om het feit alleen ? Ook om het heil, daaraan verbonden.
Laten wij de lijnen maar eens flink doortrekken, van Jesaja tot Paulus, van het Oude Testament op het Nieuwe Testament. Want den geheelen Bijbel moeten wij hebben.
Wat ik dan zoo schoon vind ?
Dat ik Paulus hoor spreken van zulke geweldige dingen.
Hebt gij 1 Cor. 15 wel eens in studie genomen ?
Daar is de teekenmeester bezig.
Die ook de lijnen doortrekt, van boven naar beneden, en van beneden naar boven.
Neem die tegenstelling eens: „als niet" — „maar nu" !
Dat zijn lijnen van boven af en naar boven toe.
Als Christus „niet opgestaan" was, o arme zondaar, weet gij het dan wel, dat alles „ijdel" was, zonder inhoud, beteekenis en gevolg.
Uw geloof ijdel, uw prediking ijdel, uw leven ijdel, uw toekomst ijdel, uw geheele bestaan ijdel. Geloof zal niet baten, predikers zijn valsche getuigen, wij nog in onze zonden en alles is inbeelding en fictie. Paaschfeiten zijn zeepbellen en luchtspiegelingen, Paaschboodschap en Paaschheerlijkheid een groote fata morgana. Zoo gaat de lijn naar beneden, zoo gaan wij naar den dood, naar het graf en den ondergang : zoo is aller leven een bankroet, ééne groote verlorenheid. En dat alles omdat het eerste, Jezus' opstanding, op een vergissing berust.
„Maar nu", o, geweldige tegenstelling ! De opgaande lijn, naar boven : uitgangspunt is Christus' opstanding ; en wat zijn de gevolgen ? Al hooger gaat het; alles het omgekeerde van straks : uw prediking niet ijdel, uw geloof niet ijdel, zaligheid is geschonken aan het hart, een leger van blijmoedige getuigen gaat uit, ontslapenen worden gezaligd, doode Lazarussen staan op, allen reizen zij hemelwaarts, en daar boven wordt het vol van arme zondaren, die 't leven niet bij zichzelf konden vinden, maar uit Hem werden gezegend met geestelijk en eeuwig leven beide.
Staande op de opgaande lijn, zien we al verder in het rond.
Hier eerst zalige opstandingsvruchten, en heil aam alle zijden, en daar Boven, een hemel met verlosten ; hier, vromen geknield bij de graven der dierbaren, met een „tot weerziens !" ; daar Engelen juichend om den troon en het Lam. Machtig heil : Christus, de eersteling van den rijken oogst die' ingezameld wordt en duizenden volgen, allen den weg op naar Boven.
Zaligheid ontvangend, dat is, dat hartewenschen vervuld worden, en een biddende Kerk verhoord wordt naar Psalm 20, om in te gaan door Hem, die opstond om ten hemel te varen.
Een belijdenis van vreugde.
Om het feit en om het heil, doch ook om de verwachting, die door de opstanding van Christus wordt opgewekt.
Wij hebben Hem verwacht.
Dat is niet, zooals sommigen denken, Oud-Testamentische taal.
Ook in ons midden leeft er een uitziende Kerk, in druk, lijden en smart.
Dat zijn niet de namen dergenen die op verkiezingsbiljetten voorkomen, en de vooraanzitting nemen in de groote vergaderingen, maar dat zijn de stillen in den lande, die meestentijds niet den toon aangeven op het wereldtooneel.
Wat ze wèl zijn ?
Kurken, waarop de wereld drijft.
Gods onzichtbare Kerk, levende zielen in gebed, tranen, worsteling en strijd, voor eigen en anderer zaligheid.
En dat is juist het verschil met die van de wereld zijn.
Paulus zegt : „indien wij alleen in dit leven op Christus hopende zijn, zijn wij de ellendigste van alle menschen."
Wat beteekent dat?
Dat hun deel hier op aarde altijd maar klein, hun beker meest gemengd, hunne vreugde zoo vaak verstoord is.
Hier is het 't land van de teleurstellingen, en de tegenheden, van den schrik van rondom en van de wederwaardigheden.
Maar daartegenover kennen zij dan ook een verwachting op beter goed, hopen zij op een andere wereld, en beter heil, en volkomen uitkomst.
Het kenmerk van al Gods kinderen is, dat ze niet meer leven bij de tijdelijke dingen. Voor hen heeft het tegenwoordige zijn glans en heerlijkheid verloren, zij blijven hier gasten en vreemdelingen.
Maar zij verwachten. Wat ? Een nieuwen hemel, een eeuwig Vaderhuis, een zalige „incomste". Hun oog is naar Boven gericht, hun verwachting en hulp van den Heere alleen.
En niet met „een misschien." Ze zeggen niet: 't kan, maar 't kan ook niet gebeuren. Neen, zij weten : het zal gebeuren. Wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken.
Benijdbaar goed ! Opstandingsmenschen, die zich in opstandingszaligheid verlustigen. Een Paasch-evangelie, dat leert vooruitzien, over dood en graf heen. Ginds ligt het doel van de levensreis. De dood is het laatste niet. Eenmaal zal Hij hen opnemen in heerlijkheid.
Daar zuchten zij altijd om.
Daarin verblijden zij zich bij tijden.
Daarvan weten zij door genade ook te getuigen.
Straks gaan de poorten open, waar de blijde zangers staan en de speellieden, en Gods fonteinen ontspringen en vooruitspringen tot in het eeuwige leven.
Leggen wij er toch allen nadruk op !
Want dat is ware Paasch-nabetrachting voor een ieder onzer of wij het weten neder te zitten met Hem in den Hemel der heerlijkheid.
Dan zijn de vooruitzichten helder en ruim, en de vreugde des heils verzacht hier al de smarten des levens.
Zoo komen wij aan het eind van de Paaschoverdenking.
Want het laatste is dan een dure verplichting, ons opgelegd.
Jesaja zegt : „Wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijne zaligheid."
Is dat waarlijk bij ons zoo ?
Is er blijdschap in God om Christus' wil?
Ach, na Paschen zijn er nog altijd zooveel graf-christenen, smart-christenen, dood-christenen, ellende-christenen. Wat een lange rij in zwarte gewaden met treurige harten, van weenende Maria's, ongeloovige Thomassen, onwetende Emmaüsgangers, liefdelooze Johannessen, verloochenende Petrussen
Is het dan in orde met ons ?
Lees eens Jesaja 25 en 26 en 1 Cor. 13. Ontdekt gij niet overal dienzelfden toon : „door geloof", „in verwachting", „met zaligheid" ?
Dat is leerrijk voor Gods Gemeente. Dat predikt, dat zij het met de wereld niet meer eens zijn, dat de lagere praktijken hebben afgedaan en dat zij met theorieën, die een schijn hebben, hebben gebroken en dat zij met alle klein gedoe van de wereld niet van doen willen hebben.
Maar dat zij zich uitstrekken naar die groote werkelijkheid der .eeuwige zaligheid, om dat ideaal te grijpen, en door het geloof te leven uit Hem, en daarmee alleen vervuld te worden en volkomen met gansch hun hart.
„Verheugen en verblijden", dat zullen wij !
Is 't niet wat al te boud gesproken ?
Velen meenen dat. 't Lijkt hun te hoog.
Mijn antwoord is : Er is nooit geestelijke blijdschap zonder droefheid, nooit verheuging zonder voorafgaande pijn.
De Heere weet wat noodig is voor al Zijn kinderen.
En de geheele Paaschgeschiedenis levert daarvan een doorloopend, onomstootelijk bewijs.
Maar op blijdschap loopt het altijd uit, als de toestand recht is. „Wederom Paaschvreugde", dat is altijd het laatste bij elke levens-en zielservaring.
Teekenend voor al Gods volk.
Zij waren het kwijt, zij: hebben het gezocht, en door genade ook gevonden.
De wereld is het nooit kwijt, en heeft nooit gemis, want zij heeft het nooit in bezit gehad.
Zalig dus de zoekers, de treurenden, de weenenden.
Zij zullen verblijd worden.
En hun blijdschap zal eenmaal onbepaald zijn.
Dan zingen ze, persoonlijk, en in koor : „Deze is onze God, wij hebben Hem verwacht, en niet te vergeefs ! En Hij zal ons zalig maken, en niet voor een tijd, maar eeuwiglijk, opdat wij al den dag ons zouden verblijden in den Naam Zijner heerlijkheid."
L.
G. H. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's