De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Hij zeide tot hem ten derden male : Simon, zoon van Jonas ! hebt gij Mi lief ? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden male tot hem zeide : Hebt gij Mij lief ? en zeide tot hem : Heere ! Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem : Weid Mijne schapen. Johannes 21 vers 17.

Een belijdenis en een werk der liefde.
Tot drie keer toe heeft de Heere Jezus aan Petrus gevraagd : hebt gij Mij lief ? Bij dezen derden keer wordt de discipel b           edroefd. Hij begreep toch waarop dit doelde. Het was eene herinnering aan dien donkeren, dien droeven nacht, waarin hij den Herlaad tot drie keer toe verloochende. Een herinnering die hem met smart vervulde.
Wij vragen : waarom moest de Heere Jezus hem daaraan nog herinneren ? Was dit niet noodeloos de wonde weer openrijten ? Had hij niet bitteriijk geweend over die zonde ? Had de Heere hem zijn zonde niet vergeven ? Zeker ! Hij had bitterlijk geweend en zijn zonde was hem vergeven. En toch. Petrus moest blijven bedenken wat er uit zijn zondig hart voortkomt.
Neen, het was niet eene herinnering aan het bedreven kwaad. De Heere weet te vergeven en te vergeten. De Alwetende vergeet. Daarom vraagt toch een door schuldbesef verslagen ziel : „Gedenk niet meer aan mijn bedreven kwaad." En wijl de Heere er aldus om leert vragen, zal Hij ook aan dien wensch voldoen. Eens vergeven blijft ver geven. Daar komt de Heere nooit meer op terug. Het is een Goddelijk vergeten en daarom een volkomen vergeten. De Almachtige vergeeft, de Eeuwige vergeeft. Het is een almachtige vergeving, een eeuwige. De uitdelging van de zonde-schuld. En wat uitgedelgd is, wordt nooit meer neergeschreven. Geen letter er van ! Dit is des Heeren onmetelijke hef de. Het is de vergevende kracht van Christus' bloed, die als eene niet te beschrijven vertroosting door het geloof gekend wordt. Maar het is ook 's Heeren liefde als Hij ons herinnert aan onze bijblijvende booze natuur. Liefde is het voor Zijn lammeren, voor Zijn schapen. Hij weet dat wanneer zij Zijn genade het meest liefhebben, zij er het best aan toe zijn. Het is Zijn liefde die naar liefde vraagt, maar die ook bewerkt.
Zoo hebben wij hier te doen met eene vernieuwde droefheid. Petrus heeft bitterlijk geweend, toen hij den Heere verloochend had. Ook nu weende hij, al is het niet met schreiende oogen, maar met een weenend hart. Een vernieuwde droefheid, maar ook een inniger droefheid, een dieper smart. Op den weg des levens is nimmer stilstand. Het geestelijk leven wordt niet voor een tijd weggelegd, zooals men een gouden sieraad weglegt, om het later weer precies zóó terug te vinden. Het oude komt nooit zóó terug, zooals het vroeger met den Heere is doorgemaakt. Het komt in nieuwe beleving terug, d. w. z. anders, grooter, krachtiger, geweldiger. Vernieuwde droefheid is daarom ook inniger droefheid, wijl er ondertusschen meer kennis van 's Heeren liefde verkregen is. Denk eens aan Petrus. Nu kende hij den Heere zooveel te beter dan vroeger. Nu wist hij wat de Heiland om der zonde wil geleden had. Nu staat hij achter het kruislijden. Zeker, toen de Heere Jezus hem in dien bewusten nacht aanzag, begreep hij veel van Diens liefde. Die blik verkondigde hem meer dan te beschrijven is. Maar nu weet hij nog veel meer. Nu begreep hij tegen de hoogste liefde gezondigd te hebben en dat hij de natuurlijke neiging heeft het nog altijd te doen. Vernieuwde droefheid naar God is inniger droefheid, meer doorleefde smart. Niet zóó, dat deze uiterlijk meer gezien wordt. Als het water door eene ondiepe bedding stroomt, maakt het veel meer rumoer,  dan wanneer de bodem der rivier veel dieper ligt. En toch vloeit er in dit laatste geval een veel krachtiger stroom doorheen. Zoo is het ook met de meer doorleefde smart. Dan draag ik het onuitroeibare bewustzijn dai mijn booze natuur, waartegen ik heel mijn leven te strijden heb, niets anders kan doen dan tegen de hoogste liefde te zondigen. Dan heb ik er niets op tegen dat ik een arm en ellendig mensch genoemd word, een mensch die steeds armer en ellendiger wordt. Hoe dichter wij komen bij het licht, des te meer gaan wij ons verfoeien.
Maar, let er nu op. Petrus werd wel opnieuw verootmoedigd, maar ook opnieuw en inniger met den Heere verbonden. Openhartig en gul luidt zijn antwoord : „Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik u liefheb." Zijn innig bedroefde ziel spreekt eene zeer gefundeerde bekentenis uit. Petrus beroept zich op des Heeren alwetendheid. Geen krachtiger getuigenis kon hij geven, nu hij de wetenschap van dezen grooten Getuige tot zijn hulp inroept. Rotsvast staat dus zijn belijdenis. Simon, zoon van Jonas, heet ook Petrus. Vleesch en bloed heeft hem dat niet geopenbaard, maar de Vader, die in de hemelen is. Die belijdenis, die toch leefde in zijn ziel, was vast zooals God Zelf vast is. De poorten der hel zouden dat niet ongedaan kunnen maken, in der eeuwigheid niet. „Gij weet, dat ik U liefheb." Hoe eenvoudig gezegd ! Hoe kinderlijk medegedeeld ! Hoe diep gevoeld! Geen taal der lippen slechts, maar opwellend uit zijn ziel. Een ziel nauw verbonden met haren Heiland en Zaligmaker.
Droefheid en vreugde gaan hier saam. Over zichzelf alleen droefheid. Gods kind kan, als hij aan zichzelf denkt, niet anders dan bitterlijk weenen. Maar over den Heere kan er niet anders dan vreugde zijn. ook over Zijn ontdekkende leidingen. Het allermeest over het aanbiddelijke werk der verzoening, over het kruis van Christus, over het „dierbaar bloed", dat eeuwige beteekenis heeft. „Ik zal U altijd verlaten als Gij, Heere, mij aan mij zelf overlaat, maar Gij zult mij nooit verlaten, in der eeuwigheid niet." Zoo spreekt dan de ziel vol ootmoed, maar ook vol blijdschap.
Een ieder vrage zich af of ook hij den Heere Jezus liefheeft. Niet of hij voor den Heere ijvert, of hij de Waarheid liefheeft, of hij Gods volk bemint. Dit zijn zaken van de tweede orde. Zij moeten volgen. Maar voorop sta : hebt gij den Heere Jezus lief ? Als wij met een oprecht „ja" deze vraag mogen beantwoorden, hebben wij ook geleerd ons zelf te verloochenen, onze zonde te haten. Wij hebben dan ook gezegd : Heere, Gij weet alle dingen. Gij kent ook mijn bedorven hart.

De belijdenis der liefde is er eerst. Daarna komt het werk der liefde. Welk een heerlijk werk wordt aan Petrus opgedragen ! „Weid Mijne lammeren". Daarna : „hoed Mijne schapen" en ten slotte : „Weid Mijne schapen." Een grootsche taak, een heilige roeping. Met de lammeren en schapen zijn toch immers bedoeld degenen die de Heere Jezus Zich tot een eigendom gemaakt heeft ? Van Mijne lammeren spreekt Hij, van Mijne schapen. De Heiland heeft er Zijn bloed voor doen stroomen. Hij heeft hen duur gekocht. Hij is er voor in den dood gegaan. Hij heeft de helle-smart er voor geleden. O, welk eene liefde ! Haast te wonderlijk en te groot om er over te spreken. Zóó wonderlijk en zóó groot dat ons hart er altijd vol van moest zijn en onze tong er nooit over moest zwijgen. Hoe lief toch heeft Christus Zijn lammeren en Zijn schapen! En Hij vertrouwd hen toe aan Petus ter verzorging ! Hoe is dat mogelijk ? Maar er is hierbij ook nog te bedenken dat deze lammeren en schapen de verkorenen zijn des Vaders. God heeft hen lief gehad met eene eeuwige liefde. En zij worden aan Petrus' hoede toevertrouwd ! Nogmaals, hoe is dat mogelijk ? Vergeet hier bij ook niet dat zij wederom geboren worden door de kracht des Geestes, Die hen in alle Waarheid leidt, hen troost en eeuwig bij hen zal blijven. Verkoren door den Vader, gekocht door den Zoon. Geleid door den Heiligen Geest. Zij zijn het voorwerp van de bemoeienissen van den drieëenigen God. En Petrus moet voor hen zorg dragen ! Hoe is het mogelijk dat een mensch tot zulk een werk verwaardigd wordt ? Het eenige antwoord is : Petrus heeft den Heere Jezus lief.
Die zijn hart geeft aan den Heere, kan ook zijn hart zetten op de kudde.
Een belijdenis der liefde moet aan het werk der liefde voorafgaan. Dan alleen zal dat werk goed geschieden. De Heere Jezus houdt zooveel van Zijn schapen, dat Hij hen alleen maar toevertrouwt aan hen, die Hem lief hebben.
De lammeren te weiden is toch de „kinderkens in de genade" voedsel voor hun ziel te geven, in den weg der middelen ? Niet om hen in hun klachten op te bouwen, maar om hen naar Christus te wijzen. Hij is de grazige weide. En dit is een teeder werk, een moeilijk werk ; daar is volharding en wijsheid voor noodig. Dat kan iemand ndet goed doen en dat houdt hij ook niet uit, die niet telkens zeggen kan : „Heere, Gij weet dat ik U lief heb" En zoo is het ook met het hoeden en weiden van de schapen. „Schaapjes" staat er eigenlijk. Een benaming, waarin meer de zorg die de Heilaftd heeft voor de Zijnen, wordt uitgesproken. Hiermede zijn bedoeld degenen die vrijmoedig mogen spreken van de liefde van Christus voor hun eigen hart. Zij moeten gehoed, geweid worden. Die schapen mogen niet geslagen worden of woest uiteen gedreven. Nooit mogen hunne zonden vergoelijkt worden. Zij moeten gevoed worden uit de breede velden van het Woord Gods. Wie is daartoe bekwaam ? Hij, die den weg van ootmoed en vreugde kent; die moet zeggen : Heere, ik ben van nature geneigd U altijd te verloochenen, niet slechts drie keer, maar heel mijn leven lang, maar Gij weet alle dingen. Gij weet ook dat ik U lief heb.
Eerst een belijdenis der liefde. Dan een werk der liefde. Maar dan is het ook het meest heerlijke werk. Wat met liefde voor den Heere gedaan wordt, heeft het loon reeds in zich besloten. Het is dan een zacht juk en een lichte last.
De Heere geve dat er onder de ambtsdragers, de onderwijzers der jeugd, de zendelingen, de ouders velen zijn, die den Heere Jezus met heel hun hart lief hebben. Zij zullen tot veel zegen zijn voor de lammerkens en de schapen des Heeren.
Kr.

N. V. d. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's