De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

„Vreeselijk aardig, mijnheer ! vooral voor zoo'n urenlangen rit. En daarbij — ik was wel een beetje angstig, om alleen te zijn met zulk een vreemden heer. Doch nu u er bij bent, kan ik gerust zijn !"
Paul was toch erg in zijn schik, dat hij nu Marie naast zich had. 't Bleek hem, dat zij en mijnheer Terlingen Boss elkander goed kenden en zij wel aan hem was gewaagd. Hij scheen er nog in 't geheel niet aan gedacht te hebben, dat er eenige, en welke, verhouding tusschen den architekt en juffrouw Kooijker bestond. Maar toen ze nog maar een korten afstand van den viersprong waren verwijderd, deed hij, of hij in eens alles geheel doorzag.
„Maar, lieve menschen ! dat ik zóó dom was ! 'k Vraag duizendmaal excuus."
Hij bonsde ineens tegen 't raampje.
„Martens ! laat me uit! Hier mag ik niet zijn !"
„Kom, kom, mijnheer Terlingen ! U hebt ons geen oogenblik in den weg gezeten. Blijf toch ! Samen uit, samen thuis !"
Maar de dikke heer stapte uit het rijtuig en nam naast den koetsier plaats. Doch nauwelijks zat hij daar, of de paarden stonden stil — voor 't hek van „Vierspronck". Gezwind sprong hij van de bok, en als een doorleerd koetsier opende hij het portier voor de „jongelui" en liet, terwijl hij een diepe buiging maakte, hen uit.
Marie had reeds precies geweten, dat zij vlak bij huis waren en dat terstond aan Paul — die daar niets van wist — gezegd.
„Die ondeugd is zoo'n geraffineerde plaaggeest!" had zij gezegd, en dat luchtte Paul op, want hij zou 't naar gevonden hebben, als mijnheer Terlingen Boss het in vollen ernst had gedaan. Lachend stapten ze uit het rijtuig, en, staande voor den dikken heer, schudden ze beiden hem den wijsvinger toe. Wat had de man een schik ! Hij klopte Paul joviaal op den schouder en zei lachend :
„Mijnheer Dilleman! wees op uw hoede voor den dikken Terlingen Boss : plagen is voor hem een eerste levensbehoefte. Hij is teetotaller en vegetariër ; maar hij moet altijd plagen. Juffrouw Kooijker zal wel de vriendelijkheid hebben, achter mijn rug straks mijn beweren te bevestigen met treffende exempelen. Nietwaar juffrouw ? "
„Wat u van 't plagen zegt, ja, maar van de tietottelarij" — — "
„Stil nu, juffrouw! Sand d'rüber! Dit ritje vergeet ik in geen jaren. — Maar mijnheer Dilleman ! 't was toch onschuldiger dan een eerlijken, braven jongen kroos in zijn nek te duwen."
Paul schudde het hoofd en deed afwerend : hij wilde daarover niet gesproken hebben, doch de dikke heer deed het toch.
„'k Vergeet het nooit zooals die Ferdinand mij 's avonds — in pa's tegenwoordigheid en met diens goedkeuring — daar­ voor heeft afgeranseld. Als ik er aan denk, voel ik nog mijn schouders. Maar 't heeft mij goed gedaan. Die Ferdi is toch 'n edele kerel, een heilige. U kunt niet beseffen, hoe trotsch ik ben op dien broer. — Juffrouw Kooijker ! is 't niet waar, dat er in mijn vijver en In mijn grachten nergens een vlokje kroos te vinden is ? Dat komt daarvan, dat mijn ziel dat goedje zoo verfoeit, omdat ik er ééns zulk een groot kwaad mee heb gedaan. Maar laat ik u niet meer ophouden."
„O, 't weer is zoo zacht ! 't Is een plezier, om zoo eens buiten te staan. Gaat u mee binnen, mijnheer ? "
„Anders heel graag, juffrouw ! maar ik ben besteld !"
Hij keek op zijn horloge, gaf Marie en Paul een hand en vertrok. Hij wist nu, dat de architect nog wel een paar daagjes bleef, en dat ze elkander nog wel eens zouden spreken.
De jongelui gingen nu — de deur stond nog altijd op een kier — naar binnen. Achter de deur bleef Paul nog even staan en zei :
„Mijnheer Frederik (Marie noemde hem zoo en voor de verkorting deed hij 't nu ook) schijnt alles van onze verhouding af te weten !"
„Och Paul ! 't is net, of we — Paul lachte om dat „we", want het sloeg op de Olmwolds — of we familie zijn van de Terlingen Boss. We weten alles van elkaar. Je zult wel spoedig meer weten " „Wat goeds? " „Natuurlijk."
„Zijn 't Godvreezende menschen ? "
„Mijnheer Frederik schijnt geheel godsdienstloos te zijn ; maar 't is toch 'n gulle, goedaardige man, en hij doet niets liever, dan menschen helpen — ."
„En plagen !"
„Och, dat gunt men hem graag. Ieder houdt van hem. En mevrouw is ook een voortreffelijk mensch !"
Paul dacht aan Wüsting en voelde een rilling over zich.
De oude heer en de freule toonden hun blijdschap over den terugkeer van Marie en Paul. Ze deden en spraken, of nu maar pas de dag zou beginnen. Marie moest verslag doen van ihaar bevinden thuis, en daarna vroeg ze van stukje tot beetje, hoe 't op het slot gegaan was. De antwoorden der freule — en soms van Paul — op die vragen, schenen den ouden heer bijzonder te interesseeren. Beurtelings keek hij de aanwezigen aan en knikte hen welgevallig toe ; en als er dan niets meer te vragen en te antwoorden was, zei hij met een gewichtigen blik naar Marie : „Wij hebben zoo maar voortgedaan, mijn kind ! de hérder van Winnewoud en de bouwmeester weet, dat het dan goed gaat. De Heere teekent en rekent voor ons." De freule gaf Marie een wenk, dien ze dadelijk begreep en, om op een ander onderwerp te komen, vroeg :
„Paul, hoe vieren ze in zoo'n groote stad den Zondag? "
Die vraag scheen de oude heer belangrijk te vinden ; hij richtte zich, gespannen, naar Paul, die na eenige aarzeling een antwoord gaf, waaruit zich een druk gesprek ontspon en waarbij hem de vraag gedaan werd, hoe hijzelf daar den Zondag vierde.
„Als een verschoppeling en met een gevoel van een verschoppeling."
„Kwam je dan niet onder de menschen ? " „Zeker wel ! maar 't beviel me niet. De menschen wisten alles altijd beter dan ik; zoodat ik maar te luisteren had, en toch nooit veel wijzer werd. Ze praten honderd uit over alles, over letterlijk alles : over Kerk en theologie, kunst en politiek ; ze hebben meer verstand dan de dokters en de dominees, en springen al redeneerend van den hak op den tak en hebben ten slotte nog niets gezegd."
„Zoo iets treft men hier ook", merkte de freule aan.
„Zeker freule, iets, doch zooveel minder dan een dorp kleiner is dan een stad. We hebben hier één dokter voor drie, vier dorpen — ."
„Voor zes minstens." „Goed, voor zes ! Maar hij is voor allen de dokter, de man, die 't alleen weet. Maar in de stad loopt 't over van dokters. En over welken dokter je 't ook hebt in een gezelschapje van vier, vijf, zes menschen — voor twee of drie is hij gewoonlijk een man van niks, een praatjesmaker of zoo iets. Met de predikanten en de onderwijzers is het precies zoo. Onophoudelijk kom je in kleiner of grooter kringen, waar de knapste zoowel als de allerminste — i" welk ambt of betrekking ook — bebabbeld of vergood wordt, ook door volslagen weetnieten."
„Wel, dat is slecht !"
Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's