De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

16 minuten leestijd

De oplossing van het kerkelijk vraagstuk.

Krasse uitdrukkingen vinden wij bij Groen van Prinsterer, als hij het heeft over de Ned. Hervormde Kerk, welke zich „onder het looden juk van haar oligarchische oppermacht" steeds verzette tegen degenen, die opkwamen tegen „de verkrachting van de leer der Kerk, in Art. 11 genoemd." „De Synode is de reglementaire toovercirkel, die telkens meer de gemeente onder de slavernij van het ongeloof brengt." (Kerkgem. overleg I, 1). „De Synode, om des lieven vredes wille, bracht telkens de waarheid ten offer, met de overige Kerkbesturen." (Kerkgem. overleg IV, 47).
Groen van Prinsterer sprak in deze uit de practijk zijns levens, waar hij wist van de vervolgingen der Afgescheidenen en waar hij zelf mee doorgemaakt heeft de kwestie ds. Zaalberg, in Den Haag.
En ja, hij kon er zoo goed inkomen, in hetgeen de Afgescheidenen meenden te mogen zeggen en doen ten opzichte van de Hervormde Kerk, welke zij een valsche, een anti-Christel. Kerk noemden. Maar, hoewel hij geestelijk aan de Afgescheidenen zich verwant voelde en zelf zooveel krasse uitdrukkingen ten opzichte van de Hervormde Kerk gebruikte, doet men geheel verkeerd en bewijst men Groen van Prinsterer niet te kennen als men hier en daar een abrupt citaat geeft, om dan „te gaan toepassen wat Groen altijd heeft bedoeld" ; waarbij men dan blijkbaar zelf bedoelt: een groep gereformeerde belijders los te maken van de Hervormde Kerk en de Hervormde Kerk zelve als een valsch-Kerkgenootschap achter te laten.
Zoo iets heeft Groen nooit bedoeld, ook niet waar hij de meest krasse uitdrukkingen bezigde ten opzichte van de Hervormde Kerk en waar hij schreef over „de Hervormde gezindheid."
Als Groen b.v. schrijft: „In het genootschap, hoe diep gezonken en ontaard, leeft de Hervormde Kerk nog" (Kerkgem. overleg IV, 100), dan moet men daarnaast zetten, wat hij als antwoord gaf aan degenen, die adviseerden dat „anti-Christelijk genootschap" los te laten en zich daarvan af te scheiden, om een nieuwe formatie van de Gereform. Kerk in het leven te roepen ; welk antwoord hierin gegeven is : „verbreking van Kerkgemeenschap met de modernen, voorzeker, dit is, volgens ds. Schwartz, zoowel als voor mij plichtsbetrachting. Maar ik verlang ze niet door Afscheiding, veeleer door doeltreffenden strijd op een tegelijk Confessioneelen en reglementairen grondslag. Thans meer dan ooit is afscheiding in mijn oog onraadzaam en voorbarig. Voorbarig in 1837 en na dertig jaar ook thans voorbarig." (Kerkgem. overleg VI, 95).
Ook de kwestie-Zaalberg kon Groen dus niet bewegen tot afscheiding van de Hervormde Kerk, juist omdat hij wist, dat de Hervormde Kerk zich openbaarde als een genootschap van elk wat wils, doch dat zij rechtens was en bleef de Kerk der Vaderen, de aloude Gereformeerde Kerk, hebbende haar historische belijdenis, welke „leer der Kerk in Art. 11 is genoemd."
Om „Kerkgemeenschap in geloofsgemeenschap" vroeg Groen en wel om in de Ned. Hervormde Kerk de geloofsgemeenschap te mogen aanschouwen van allen die leefden uit de belijdenis der Kerk, terwijl de anderen buiten haar maar een onderkomen moesten zoeken.
In de lijn van Groen willen wij ons blijven bewegen ; waarbij hij zeide : „geen afscheiding in 1837, ook niet in 1867", en waarbij wij zeggen : „geen afscheiding In 1886, ook niet in 1924." Om dan met hem aan te binden een strijd „op een tegelijk Confessioneelen èn reglementairen grondslag."
Zeker, wij leven in een tijd vol moeilijkheden, voortspruitend allermeest uit de ongelukkige en zondige Synodale organisatie, waaronder de Ned. Herv. (Geref.) Kerk nog altijd zucht. Wat in 1816 is opgelegd, is in 1852 bestendigd en leeft nog voort. Een oogenblik hebben wij het vorig jaar gedacht, dat de aloude Synodale organisatie van 1816 den genadeslag zou krijgen, toen het voorstel van „de Groote Synode" door de Kerk werd aangenomen en door de Synode werd goedgekeurd en door de meerderheid van de leden van de Provinciale Besturen werd gesanctioneerd — doch de Waalsche Kerken hebben er weer een stokje voor gestoken en wij zijn weer even ver als te voren ! Zij, die zoo grootelijks gastvrijheid genieten in onze Hervormde Kerk, hebben de vriendelijkheid gehad om te verhinderen dat de Hervormde Kerk kreeg, waar zij om vroeg. En zoo sukkelen wij maar weer voort, in dien allerongelukkigsten weg, waaruit een overvloed van ellende over ons komt, zonder dat er op een behoorlijke wijze eens ernstig in kerkelijken weg over gesproken kan worden.
Allerlei narigeid spruit voort uit die ongelukkige Synodale organisatie, gelijk de laatste jaren weer bij vernieuwing ons hebben geleerd.
Maar met Groen, die — denk maar aan de kwestie-Zaalberg — toen óók te midden van de grootste ellende leefde, gebruiken wij ook allerlei krasse uitdrukkingen ten opzichte van onze Hervormde Kerk, die zich zoo weinig als Kerk van Christus openbaart overeenkomstig haar eigen belijdenis ; maar wij doen dat dan evenals Groen, niet om anderen op te wekken er nu maar een einde aan te gaan maken en met een groep gereformeerden maar den band met de Hervormde Kerk te verscheuren; neen, het is ons dan te doen om de Hervormde Kerk in een strijd, die tegelijk Confessioneel en reglementair is, terug te brengen tot haar belijdenis, en weer in het midden van de Hervormde Kerk ­te krijgen : "Kerkgemeenschap in geloofsgemeenschap." Waarbij uit onze Herv. (Geref.) Kerk weg moet alles wat met het Gereformeerd Protestantsch geloof, zooals het vertolkt is in de belijdenisschriften der Herv. (Geref.) Kerk, niet overeenstemt, maar er principieel mee verschilt.
Of er hoop is, dat wij in dien strijd de overwinning zullen behalen ? Of er beloften liggen in deze?
Natuurlijk belijden wij, dat, om der zonde wil, de Heere naar recht ook nu zou kunnen zeggen, wat wij lezen in Jesaja 5 : „Nu dan, Ik zal ulieden nu bekend: maken, wat Ik mijnen wijngaard doen zal: Ik zal zijnen tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding ; zijnen muur zal ik verscheuren, opdat hij zij tot overtreding. En Ik zal hem tot woestheid maken ; hij zal niet besnoeid noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan : en Ik zal den wolken gebieden, dat zij geen regen daar op regenen." (vers 5 en 6).
Indien de Heere zóó sprak, zou ieder de hand op den mond moeten leggen en zwijgen, want de Heere zou gansch rechtvaardig handelen.
Of is de Ned. Herv. (Geref.) Kerk sinds 1816 niet gewordten „een reglementair Kerkgenootschap" met eene „feitelijke leervrijheid", voor een deel in handen gespeeld van „stelselmatige verloochenaars van alle geopenbaarde waarheid" — waarvan Groen reeds sprak, vreezende dat „lauwheid en willekeur het talrijke Kerkgenootschap ook verder aan het ongeloof prijs zou geven."
Ja — het „Staatscreatuur van 1816'" en „de voortzetting der slavernij van 1852" is wel allernoodlottigst geworden voor de Kerk onzer Vaderen.
Zou de Heere dan niet toornen ? Zou Hij Zijn wijngaard niet „tot woestheid maken" ?
O ! denk het u eens in, wat mannen als Groen van Prinsterer en prof Gunning Sr. (om anderen met opzet niet te noemen) van de Hervormde Kerk In haar tegenwoordige phase hebben moeten getuigen ! Of zegt prof. Gunning niet o.a. „dat onze Kerk van Kerk, d.i. openbaring van het lichaam van Christus, is geworden tot wereldsch genootschap", waardoor „haar voorgangers de gezanten van Christus zijn geworden predikers van den godsdienst" terwijl „de tucht en daarmee verbonden levenskracht der gemeente te loor ging" ? („Verlagen wij onszelven niet" ? Nijmegen, Firma H. ten Hoet, 1904).
Maar is dat zoo — Groen van Prinsterer zeggen wij twee dingen na : „denk niet te gering van 's Heeren trouw en van zijn barmhartigheden" èn : „laat ons het christelijk geweten eener bevolking, bij welke het Evangelie nog niet in vergetelheid geraakt is, niet te licht achten." (Kerkgem. overleg VI, 110).
In de Hervormde (Gereformeerde) Kerk moeten wij daarom een strijd aanbinden op Confessioneeien en tegelijk reglementairen grondslag. Uit den reglementairen toovercirked moeten wij uit en met onze Confessie moeten wij naar voren komen, als doel hebbend : „een opbeuring uit een diep gezonken toestand ; niet tot scheiding, maar een redmiddel uit jammerlijke verdeeldheid." (Kerkgem. overleg VI, 98).
Zoo moet ons Ideaal zijn, niet om bij elkander te houden wat niet bij elkander hoort. Prof. Gunning heeft al gezegd : „niet bij elkander houden, maar uit den grond opbouwen." Onze Herv. (Geref.) Kerk, die juist door de Synodale organisatie geheel verknoeid is, door met alle geweld de belijdenis der Kerk te verkrachten en bij elkander te houden wat niet bij elkander hoort, moet op haar fundament en grondslag worden hersteld ; „opgebeurd uit haar diep gezonken toestand." (Groen).
Ons geweten is nu bezwaard, dat onze Hervormde Kerk niet eenparig en vrij en kloek dies Heilands Naam belijdt, niet in haar geheel uit en naar Gods Woord leeft.
En als wij voelen, dat Kerk en volk, dat Nederland en Oranje niet mogen worden overgegeven aan Rome, Socialisme en Anarchisme, moeten we scheuring na scheuring in onze Hervormde Kerk trachten te voorkomen, door er naar te staan en er den strijd voor aan te binden, dat de Hervormde Kerk, als voortzetting van de historische Gereformeerde Kerk van Nederland, als belijdende Kerk zich meer en meer gaat openbaren, daarbij een weg zoekend, dat uit elkaar gaan, die niet bij elkaar hooren en op den duur de nu kerkelijk van ons gescheiden levende gereformeerden met ons in het midden der Vaderlandsche Kerk komen samenwonen, rondom de aloude belijdenis, welke de Heere ons gaf en sinds bewaarde. Waarbij de linksche groepen zich moeten uitspreken, dat zij geen belijdenis en geen belijdende Kerk willen ; althans geen belijdenis en geen belijdende Kerk naar uitwijzen van de Heilige Schrift en naar hetgeen onze Gereformeerde belijdenisschriften vertolken en verdedigen.
En vragen wij dan nóg eens : liggen er wel beloften des Heeren in deze ? Is er op grond van de Schrift nog iets in deze te verwachten?
Luister dan eens naar hetgeen de HEERE der heirscharen (met opzet Zich zóó noemende) door den mond van den profeet Zacharia in het 5de hoofdstuk van zijn Godsspraken tot het volk van Juda en tot het volk van Israël laat boodschappen.
Daar staat : „Daarna geschiedde het Woord des HEEREN der heirscharen (tot mij), zeggende: „Alzóó zegt de HEERE der heirscharen : Ik heb geijverd over Sion met eenen grooten ijver, ja, met groote grimmigheid heb Ik over haar geijverd. Alzóó zegt de HEERE : Ik ben wedergekeerd tot Sion en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheeten worden eene stad der waarheid en de berg des HEE­REN der heirscharen een berg der heiligheid." „Alzoo zegt de HEERE der heirscharen : „Omdat het wonderlijk is in de oogen van het, overblijfsel dezes volks in deze dagen, zoudte het daarom ook in mijne oogen wonderlijk zijn ? spreekt de HEERE der heirscharen."
„Maar nu zal Ik aan het overblijfsel dezes volks niet wezen gelijk in de vorige dagen, spreekt de HEERE der heirscharen ; want het zaad zal voorspoedig zijn, de wijnstok zal zijne vrucht geven én de aarde zal hare opbrengst geven en de hemelen zullen hunnen dauw geven en Ik zal het overblijfsel dezes volks dit alles doen erven ; en het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda en gij, o huis Israels, geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzóó zal Ik ulieden behoeden en gij zult eene zegening wezen ; vreest niet, laat uwe handen sterk zijn."
„Want alzóó zegt de HEERE der heirscharen : gelijk als Ik gedacht heb ulieden kwaad te doen, toen Mij uwe vaderen grootelijks vertoornden, zegt de HEERE der heirscharen — en het heeft Mij niet berouwd — alzóó denk Ik" wederom in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda : vreest niet."
Het kan verkwikken deze lieflijke woorden in bange tijden door den HEERE, Israels Bonds-God, tot Zijn volk gesproken, te lezen.
En wij onderstreepen daarbij, wat in het 9de vers staat : „Laat uwe handen sterk zijn, gijlieden die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit den mond der profeten."
(Wordt voortgezet).

Een kleinigheid.
Onder dit opschrift schreef prof. H. Th. Obbink, van Utrecht, in „Bergopwaarts", (ethisch) weekblad voor Christendom en Cultuur, 't volgende stukje :
„In het laatste nummer van „de Hervorming" deelt een vrijzinnig lezer mee, dat in de godsdienstoefeningen van den Protestantenbond van zijn woonplaats, door de daar optredende predikanten gedurende de lijdensweken geen enkele maal over of zelfs naar aanleiding van de lijdensgeschiedenis werd gepreekt. En op zijn vraag aan de redactie of dat ook elders voorkomt, antwoordt deze : „ik heb een sterk vermoeden, dat er inderdaad wel meerdere zullen zijn", maar de redactie hoopt, dat „de collega's, die in de weken voor Paschen in Bondsafdeelingen optreden, met den hier geuiten wensch (n.l. om in de lijdensweken ook over de lijdensgeschiedenis te preeken), rekening willen houden."
Eerlijk gezegd, heeft dit berichtje mij verbaasd en ook gehinderd. Niet zoozeer omdat ik een afwijking onzer kerkelijke gebruiken zoo erg vind, maar om den achtergrond. Ik zie er een bewijs in, hoezeer in vrijzinnige kringen de prediking van Jezus van zijn persoon wordt losgemaakt, hoe weinig hijzelf nog als Heiland in het middelpunt staat. En dan voel ik weer duidelijk, hoe groot de afstand is die ons van deze groep scheidt en wel op het kardinale punt : de persoon van Christus. Er zijn vele dingen, waarin wij dichter staan bij de vrijzinnigen, dan bij de ultra-gereformeerden (kerkbegrip, bijbelstudie, traditie) maar in de quintessens der zaak is de kloof toch wel heel diep.
Dat wordt door dat berichtje in „de Hervorming" weer eens opnieuw duidelijk. Op zichzelf een kleinigheid, is het nochtans van beteekenis. . H. Th. O.

Wij zijn blij, dat prof. Obbink dit zóó eens geschreven heeft; kort, duidelijk, scherp geteekend. In den grond der zaak ligt er eén klove, en wel een heel diepe klove. En hetgeen hier beslist, is „de persoon van Christus." De modernen hebben een anderen Christus dan wij. Een ander evangelie ook. En hun Christus is onze Christus niet; hun evangelie is geen evangelie. Waarom erkent men dat niet eerlijk en onomwonden ? En waarom spreekt men het niet uit, dat er zóó geen Kerkgemeenschap kan zijn, waar de geloofsgemeenschap ontbreekt; waar men een ander evangelie heeft ; een anderen Christus ?
Ja — „in de quintessens der zaak is de kloof toch wel heel diep", zegt prof. Obbink terecht. De ethische broeders mogen het wel ter harte nemen — en het ook wei in practijk brengen, wat ons kerkelijk leven aangaat. Alleen wat op waarheid, op werkelijkheid gegrond is, heeft een reëele basis en kan beteekenis hebben. En de prediking en de Sacramentsbediening, ja alles draait hier om hetgeen door prof. Obbink terecht als de hoofdzaak gevoeld en genoemd wordt. Hier mag geen pardon gegeven worden !
Ook over de scheidingslijn tusschen ons en de ethischen zegt prof. Obbink iets, in 't voorbijgaan. Genoemd worden als punten van verschil : Kerkbegrip, bijbelstudie en traditie.
Wij zijn tegen de traditie in den zin van de Roomsche Kerk, die de traditie heeft als „het onbeschreven Woord van God, dat Hij aan de Kerk gaf."
Maar dat bedoelt prof. Obbink hier natuurlijk niet. Hij zal wel 't oog hebben op allerlei traditioneele geestelijke en kerkelijke leeringen, gebruiken, enz.
Zijn de ethischen tegen die traditie, als zoodanig ?
Wij meenen van neen. Ook zij hechten aan traditie. Maar zou het ook kunnen zijn, dat zij soms traditie noemen, wat wij achten als uit Gods Woord genomen en op de Schrift gegrond ?
Men noemt soms zoovéél traditie — zie maar naar de modernen — wat toch werkelijk wel een geestelijken, een bijbelschen, een wezenlijken en goeden „achtergrond" heeft; wat realiteit is en blijven moet.
En daarom, als prof. Obbink zegt, dat de ethischen met ons verschillen in traditie, dan zeggen wij : noem maar op ! — Mocht het blijken, dat het tusschen ons over bijkomstigheden gaat, nu, dan zijn wij ruim van hart. Maar mocht het blijken, dat het gaat over dingen met een geestelijken, bijbelschen, wezenlijken en goeden achtergrond, dan zeggen wij : waarom hebt gij dat losgelaten ? Misschien omdat gij anders staat tegenover den Bijbel ? "
Zoo komen wij op het tweede verschil punt : bijbelstudie.
Dat is wel heel eigenaardig op deze wijze door den ethischen Utrechtschen professor uitgedrukt !
Zijn de ethischen misschien vóór bijbelstudie; en zijn de gereformeerden wellicht tegen bijbelstudie ?
Men zegge het vrij, als 't zoo is. Maar zoo dwaas zal prof. Obbink niet zijn, om dat te beweren.
Of — had prof. Obbink het misschien wat anders moeten zeggen ?
Gaat het wellicht over Bijbelbeschouwing, meer dan over Bijbelstudie ? De Gereformeerden weten nog wel iets van „bijbelkunde" en doen nog wel iets aan „bijbelstudie" ; maar — hun Bijbelsche schouwing is anders dan van de ethischen, dat is waar.
En op dit punt hebben de ethischen aan ons volk en aan de Kerk dikwijls geen goede diensten bewezen, daar hun bijbelstudie veel te veel onder den invloed van hun bijbelbeschouwing geschiedde en hun bijbelbeschouwing er veel van had, als waren de ethischen geroepen tot bijbelafbraak !
't Ging dan onder de leuze : in den Bijbel is Gods Woord ; wat in de practijk beteekende, dat de mensch met dien Bijbel zoowat alles doen mag ; alleen hij schijnt niet te mogen zeggen, met de gereformeerden: de Bijbel is Gods Woord. Wat weer met de kwestie van de openbaring Gods verband houdt en ook betrekking heeft op den grond, den objectieven grond van ons geloof.
Wat zijn er intusschen — gelukkig !!! — tal van ethische bijbelstudiën waardeloos geworden, doordat de theorieën van hun bijbelbeschouwing — gelukkig !!! — onhoudbaar zijn geworden. Hoe blijkt 't telkens nu, dat men op drijfzand staande wel verzekeren kan : „wij zinken niet", maar drijfzand spot met al die vrome woorden ; drijfzand rust niet, vóórdat de wandelaar slachtoffer is geworden en tot boven z'n hoofd is weggezonken.
Neen — in deze hebben de ethischen ons volk en de Kerk dikwijls geen goede diensten bewezen !
Wordt als derde punt genoemd : Kerk begrip ; dan willen wij' ook hier vragen : heeft het ook een bijbelschen, reeden, wezenlijken achtergrond, wat de gereformeerden leeren in het stuk van de Kerk ? En heeft het een „achtergrond" als de ethischen hier verschillen ?
Wij meenen van wèl.
Waarbij wij als scheidsrechter zouden willen oproepen : onzen Bijbel. Niet, als of wij den Bijbel als een soort wetboek beschouwen, met tal van hoofdstukken en artikelen, die wij maar even hebben op te slaan, om precies te weten wat we noodig hebben. Zoo is nooit de Gereformeerde bijbelbeschouwing geweest. Maar Schrift met Schrift vergelijkend, willen wij de Heilige Schrilt als autoriteit en scheidsrechter. En ja, dan kon 't wel eens blijken, dat, als de ethischen met ons verschillen in „Kerkbegrip", ook dit te herleiden is tot de vraag : Wat dunkt u van den Bijbel ?
Intusschen heeft het onze geheele instemming, als prof. Obbink verklaart dat er een diepe, een héél diepe klove ligt tusschen de orthodoxen en de modernen en dat de scheidingslijn is de Christus ; de persoon van den Christus. En dat Is geen bagatel, maar hoofdzaak, waarmee zoo ontzaglijk veel verbonden is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's