Uit het kerkelijk leven.
Van vloeken en nóg wat.
Er komt gelukkig hoe langer hoe meer onder ons volk en onder de leidslieden van ons volk verzet tegen het vloeken. Ieder die eerbied heeft voor den Naam des Heeren zal zich daarover verblijden. Wat was het vroeger niet in-treurig „onder dienst". Het was daar mode, dat ieder vloekte. Elke korporaal en onderofficier en kapitein moest vaardig zijn in het misbruiken van Gods Naam en in het uitvloeken van den mindere. Terwijl bijna elke soldaat, ook die het thuis niet gewoon was te vloeken, zich verplicht rekende met het gebruik van Godslasterlijke woorden te beginnen. De koperen knoopen hadden een verderfelijken invloed op onze landsverdedigers !
Ook in de burgerlijke maatschappij, in de fabriek, de werkplaats, op straat, in den trein en op de boot — was vloeken aan de orde van den dag. Die op onze Lekbooten konden zwetsen, kaart spelen, borreltjes drinken en vloeken, waren de elite van de Lekdorpen en die niet meededen werden gerangschikt onder de clericale femelaars.
Gelukkig is er kentering. In het leger en in het burgerlijk leven gaan hoelanger hoe meer stemmen op tegen het vloeken en uitvloeken. Ook worden er door de militaire overheid en door de burgerlijke autoriteiten meer en meer maatregelen genomen om het vloeken en 't gebruiken van Godslasterlijke taal tegen te gaan en te straffen.
Nu werd er in „de (A.R.) Rotterdammer" dezer dagen de aandacht op gevestigd, hoe men blijkbaar in de kringen van de Socialisten over deze dingen denkt. Althans in „Het Volk" heeft een zekere L. een satirieke bijdrage geleverd ter bestrijding van de clericale femelaars, die ons publieke leven van het vloeken willen zuiveren. Het stuk eindigt dan blijkbaar met dezen bitteren uitval:
„Men ziet het, sinds de Middeleeuwen wordt de strijdwijze tegen het vloeken in ons landje tammer en onschuldiger. Maar thans wijzen verschillende verschijnselen er op, dat men terug wil tot boeten en opsluiting. Welk vloekend volkje vloekt die vloekwaardige vloek-verbieders eens van de vlakte ? "
Dat is een uitspraak van een inzender, waarvoor zonder meer de „Volk"redactie schijnbaar niet aansprakelijk mag worden gesteld. Maar ziet nu, hoe de redactie van het Socialistisch orgaan niet alleen aan dezen medewerker gastvrijheid verleent, maar hem ook in dit opschrift in bescherming neemt:
„(Wij zijn van meening, dat vloeken, zooal niet goddeloos, dan toch in alle geval onbeschaafd is. Anderzijds zijn wij echter niet blind voor 't feit, dat deze hebbelijkheid een van die uitnemende nationale deugden is, waardoor de Hollander zich nu eenmaal onderscheidt van andere volkeren. En geven daarom gaarne het woord aan L. Red.)".
Is het niet in-treurig, dat men zóó oproept, om „die vloekwaardige vloekverbieders eens van de vlakte te vloeken" ?
Weer een nieuw bewijs, wat in Socialistische kringen de godsdienst is !
Is het nóg niet duidelijk, dat men daar gloeiend vijandig staat tegenover God en Zijn Woord? Zoodat het dan ook onmogelijk is, dat iemand, die zich in waarheid christen noemt, met deze lieden zou kunnen vereenigen !
Dat blijkt óók uit het volgende :
Ter zelfder tijd, dat in „Het Volk" geageerd werd tegen „die vloekwaardige vloekverbieders", kwam in „De Gemeente", orgaan dier Socialistische Gemeenteraadsleden, de volgende vraagvvoor van een rood gemeenteraadslid : „Aan de Openb. Lagere School wordt door een dominee godsdienstles gegeven. Wij willen daarover (in den Gemeenteraad) interpelleeren. Op welk wetsartikel kunnen wij ons daarbij beroepen ? "
De redactie van „De Gemeente" moest natuurlijk den rooden interpellant-in-spé teleurstellen ; want wat de dominee daar op die Openbare School doet, is in overeenstemming met artikel 26 van de Lager Onderwijswet.
De Interpellatie moet dus vervallen.
Maar wat niet vervalt is dit merkwaardige : verontwaardiging als een dominee godsdienstonderwijs durft geven in de Openbare School ; en even groote ergernis als clericale femelaars het vloeken willen onderdrukken.
Is het niet teekenend voor hetgeen in Socialistische kringen gevonden wordt?
Want wel kan men soms een anderen toon doen hooren, vooral tegenover onze christelijke arbeiders. Dan is men o ! zoo. meegaand en zoo verdraagzaam. Dan laten ze den godsdienst gaarne als „privaatzaak", waarover ieder maar oordeelen moet zoo als hij wil. Maar 't Socialisme met z'n materialistische geschiedenis-opvatting — het historisch materialisme — bant principieel God, ziel, onsterfelijkheid, enz. uit. Dan is 't niet : godsdienst is privaatzaak. Maar dan moet getuigd worden : „er is geen God"; en tot de godsdienstige arbeiders moet eerlijk gezegd worden, wat Van der Velde in de Belgische Kamer zei : „Uw God, houdt hem maar voor u, wij zijn godverzakers, wij. socialisten.
„Christendom en socialisme staan tegenover elkander als vuur en water", heeft Bebel gezegd en Marx, Kautsky, Dietzgen enz., eveneens. Wat ook niet verwonderen kan, als de grondwet voor de levens-en wereldbeschouwing, die 't geheele systeem doordringt, de eigenaardige geschiedenistheorie is, die den naam van materialistische opvatting der geschiedenis draagt.
„Het Volk" van 19 Nov. 1900 schreef dan ook : „Wij geven gaarne toe, dat de socialistische wijsbegeerte niet vereenigbaar is met een of anderen godsdienst.''
Men wil dan ook den godsdienst wèg hebben.
Wel vloekende vloekers.
Maar geen dominee's die godsdienstonderwijs geven op de Openb. School.
Wat zal het een heerlijke wereld worden, als de klassenstrijd volstreden zal zijn ! Gorter schreef 28 Mei 1900 in „Het Volk" : „Marx gelooft, dat wanneer de klassen verdwenen zijn, ook de godsdienst geheel verdwijnen zal, dat niemand dan meer om een godheid zal denken."
Heerlijke socialistische toekomsttijd ...... geen godheid meer — geen dominee's meer.
Zullen er dan nog vloekers zijn ? vloekers, die vloekend vloeken een godheid, die niet bestaat?
Wat wist Augustinus dan heerlijker dingen !
Die zei: „ons hart, dat tot U geschapen is, is onrustig in ons totdat het U gevonden heeft, o God !"
Wat de dichter Ten Kate aldus vertolkte :
'k Voel een heimwee in de borst, Dat niet sluimren wil noch slapen. De Eeuwige Zelf heeft ons den dorst naar het eeuwige ingeschapen. De aard' met alles wat zij biedt stilt dat zielsverlangen niet.
Heerlijk, dat nu Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar op aarde is gekomen, zeggende : „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen en waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt."
Daarom moet het bij alles en vóór alles om dien Christus gaan, van Wien alle gelovigen belijden : die Hem vindt, die heeft het eeuwige leven !
Dat is andere taal, dan die uit het Socialistisch kamp tot ons komt. Zalig die het geklank kent !
Een jubileum.
Neen, het is geen spot. Daarvoor zijn de dingen te ernstig.
Maar er zit soms in de geschiedenis iets wonderlijks, dat dan wel even een glimlach op het gelaat kan brengen.
Zoo ook met de Modus-Vivendi beweging.
De N.R. Courant maakt er opmerkzaam op, gelijk wij het een paar jaar geleden in onze brochure over „de Ned. Hervormde Kerk en de leervrijheid" ook hebben gezegd : de Modus-vivendi beweging is niet van vandaag of gisteren.
1923 was een jubileumjaar. Men had toen een gouden feest kunnen vieren, wat men schandelijk verzuimd, wellicht vergeten heeft.
Immers was het 't vorig jaar juist 50 jaar geleden, dat, in 1873, de eerste poging tot oplossing van het richtingsvraagstuk, door een Modus - vivendivoorstel, werd gedaan.
Laat er ons iets van meedeelen.
Van 1816 af zijn tal van pogingen gedaan om van de Ned, Herv. (Ger.) Kerk een genootschap te maken voor elk wat wils, met volle vrijheid voor de vrijzinnigen. Ook het minste dat maar aan „de leer der Kerk" herinnerde, moest weg. Denk maar eens aan de geschiedenis der blijdenisvragen en de veranderingen in de proponentsformule enz. De laatste draad die de Hervormde Kerk bond aan de belijdenis, moest doorgeknipt. Doch het is nooit gelukt. Die de Syn. Acta na slaat, zal zien, dat de Kerk juist op kritieke momenten zóó reageerde, dat de Synode telkens weer verwierp de radicale voorsteilen, die kwamen om de Kerk van haar belijdenis te berooven en aan de vrijzinnigen volledige vrijheid te geven.
Op 't laatst van die hartstochtelijke en hardnekkige campagne tegen art. 38 en 39 van. het Regl. op het Godsdienstonderwijs, komt dan ook de poging om aan de minderheden volle rechten te geven; dus de modus-vivendi beweging; om te pogen een manier van samenleven voor de verschillende groepen en richtingen binnen het kader der Hervormde Kerk te verkrijgen ; op welk pogen een eigenaardig licht valt, als we lezen blz. 211 Syn. Acta 1878 : „zal de Synode nog eenige jaren wachten totdat de laatste vrijzinnige predikant is verwijderd ? " (Cursiveering is van ons).
Reeds in 1872 deed A.G.C. van Duyl, hoofdredacteur van het Handelsblad, in het „Nieuwe Kerkelijke Weekblad" een voorstel tot Kerksplitsinig, door verdeeling in parochies, op grond van overeenkomst van richting. Zóó zou men in de verschillende Herv. Gemeenten, vooral in de steden, een moderne, een evangelische (Groningsche) en rechtzinnige parochie kunnen krijgen, maar men met een eigen predikant zich zooveel mogelijk zelfstandig kon inrichten.
Dr. A. Kuyper, die reeds vroeger verklaard had, elk voorstel tot verlossing van de Synodale Organisatie met blijdschap te zullen begroeten, zelfs al zou 't van radicaal-moderne zijde komen, vond in deze proeve van oplossing veel goeds en schreef dan ook in „De Standaard" van 27 October 1872 : „waarlijk, men deed het verstandigst, zoo men wapenstilstand sloot, zich verstond en desnoods met billijke deeling van goederen een onhoudbaar huwelijk ontbond."
De Synode, met deze dingen in kennis gesteld, besloot in 1873 een commissie te benoemen van 9 leden, vertegenwoordigers van de onderscheideine rlchtingen in de Ned. Hervormde Kerk, om haar op te dragen „het ontwerp van zulk een reorganisatie, waardoor eensdeels het samenzijn en blijven der onderscheidene richtingen in één kerkelijk verband, indien immer mogelijk, werd verzekerd en anderdeels aan de rechtmatige bedenkingen omtrent de tegenwoordige regeling van het Kerkbestuur ingebracht werd tegemoet gekomen. Het ontwerp der Commissie zou vóór 1 Febr. 1874 gereed moeten zijn en dan zou de Synode opnieuw vergaderen, expres voor de zaak der reorganisatie opgeroepen.
Intusschen, zonder af te wachten wat de Synode doen zou, diende dr. A. Kuyper, predikant te Amsterdam, van meening zijnde, dat zooiets niet van boven door de Synode, maar van beneden af door de gemeente zelve tot stand gebracht moest worden, reeds den 10den December 1873, in vereeniging met de moderne heeren dr. Ph. R. Hugenholtz en dr. T. Modderman; bij den Kerkeraad van Amsterdam een voorstel in, zoo tot Kerspelvorminig als tot eerlijke deeling van het goed, overwegende, dat binnen korter of langer tijd een uiteengaan van de verschillende partijen in de Amsterdamsche gemeente te wachten stond en dat zulk een uiteengaan, zou de strijd der geesten zijn geestelijk karakter bewaren, nooit in een worsteling om kerkelijke bezlttingen of goederen ontaarden mocht.
Vandaar zijn voorslag : „Laat die Synode er buiten. Raak niet aan het Kerkbegrip. Deel enkel het gebruik van uwe goederen. Ge hebt te Amsterdam één kathedraal en tien kerken. Gebruik die kathedraal bij beurten en verdeel die kerken voor het gebruik in drie of vier groepen en heel uw samenleven zal, juist omdat ge dan niet meer samenleeft, aan bitterheid gespeend zijn."
0.m. ten gevolge van dr. Kuypers vertrek maar de Tweede Kamer bleef dat voorstel in de geboorte steken. Ook het werk der Commissie van Negen was tevergeefsch. Maar dat de kwestie brandende bleef getuigt de brochure van dr. Vos : „Vrijmaking der Kerk door facultatieve Kerspelvorming" uit 1875 en de „Open brief" van ds. O. Doedes aan dr. Kuyper in datzelfde jaar over : „Wijziging der gedragslijn op kerkelijk gebied."
In de Synode van 1878 beproefde o.a. ds. J. J. L. Luti, Waalsch predikant te Middelburg, een oplossing van de kerkelijke kwestie door een ontwerp bevattende „Bepalingen, regelende de bevoegdheid en de rechten der minderheden in de gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk."
Bij den onvolmaakten toestand hier beneden — zoo redeneerde hij — is verschil van opvatting der Evangeliewaarheid onvermijdelijk en bij de worsteling der geesten moest men alles te zamen laten opwassen, opdat met het onkruid het goede zaad niet werd uitgeroeid. Wie een minderheid verdrukt, maakt den voortgang der ontwikkeling onmogelijk, enz.
Gesproken wordt dan verder (Syn. Acta 1878, blz. 227 etc.) over een noodlottige ontbinding van onze Nederlandsche Herv. Kerk en gezegd wordt : „aan die verschillende opvattingen der Evangeliewaarheid, die nu hier, dan elders in de minderheid zijn, moet gelegenheid gegeven worden, om overeenkomstig haar onvervreemdbaar protestantsch recht, zich vrij te kunnen ontwikkelen en bewegen, zonder daarom te kort te doen aan de rechten der meerderheid" ; „wij wenschen haar in de gelegenheid te stellen zich te organiseeren en zoo mogelijk in het bezit te stellen van ouderlingen en predikanten harer richting." „Elke bepaling werkt slechts voor een tijd, opdat, wanneer het getij verloopt, de bakens kunnen worden verzet" enz. enz.
Een Reglement wordt dan voorgesteld en „als de geest van het Protestantisme in volle kracht vaardig zou zijn geworden in de Hervormde Kerk", zou dat reglement weer weg gedaan kunnen worden, eerder niet !
Maandag 19 Augustus 1878 wordt met 11 tegen 7 stemmen besloten om tot behandeling van het voorstel-ds. Luti over te gaan.
Een amendement op art. 1, al. 1 „om de bepalingen niet toe te passen op gemeenten met één predikant, wordt met 12 tegen 6 stemmen verworpen. (Zie blz. 348 Syn. Acta 1878).
Het reglement wordt ten slotte met 11 tegen 8 stemmen aangenomen. Dit besluit werd genomen naar het advies van de hoogleeraren E. H. Lasonder te Utrecht en C. P. Hofstede de Groot te Groningen, door de stemmen van de heeren : Hofstede de Groot Sr., oud-ouderling te Groningen, ds. v. Lakerveld te Helmond, J. A. Kaub, oudouderling te 's Hertogenbosch, ds. Heerspink te Gieten, ds. Luti, Waalsch predikant te Middelburg, ds. Van Hoorn te Hoorn, ds. Van Duyl te Broek in Waterland, ds. J.anssen te St. Anna ter Muiden, ds. Alingh Prins te Korte Zwaag, ds. Bruna te Hasselt en mr. Linckers, oud-ouderling te Kampen.
Met den secretaris, den heer S. F. v. Hasselt, stemden tegen de heeren dr. Reitsma te Groningen, Jhr. Trip van Zoudtlandt, pred. te Hattem, ds. Creutzberg te Arnhem, mr. Van den Brandeler ouderling te 's Gravenhage, ds. J. C. Verhoeff te Utrecht, P. Roodhuyzen, ouderl. te Veenendaal, dr. Pleyte, oudouderling te Leeuwarden en de president ds. G. Molenkamp te Delft. (blz. 352 Syn. Acta 1878).
Doch — de Kerk ontving het Reglement allesbehalve gunstig. Het rapport in 1879 zegt o.a. ten opzichte van de Classicale Vergaderingen : "van welke verreweg de meeste ongunstig hebben geadviseerd." (blz, 180 Syn, Acta 1879), Na breede discussie (zie blz. 306—315 Syn. Acta 1879) besluit de Synode dan ook met 11 tegen 8 stemmen het Reglement niet aan te nemen.
In 1878 11 stemmen vóór en 8 stemmen tegen.
In 1879 11 stemmen tegen en 8 stemmen vóór.
Dat is in 1873 zoo begonnen.
En in 1923 heeft men vergeten het te herdenken dat het 50 jaar lang zoo gebleven is.
Waarover de orthodoxen over het algemeen niet treuren.
Die denken er nog tamelijk wel over als vroeger door ds. Creutzberg, ds. Verhoeff, prof. Doedes enz., uiteengezet is.
Geen wanhoopspogingen tot Kerksplitsling.
Wel overdachte pogingen tot reformatie der Kerk hebben we noodig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's