Verschoppelingen
Feuilleton.
EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870
„Och, ik geloof niet, dat men het met opzet doet. Men wil, men moet praten. De menschen in de stad kunnen veel gemakkelijker praten dan de menschen van buiten. De menschen van Winnewoud en Delberg praten niet veel omdat ze vaak niemand hebben om toe te spreken ; daarom valt het praten hun zwaar en kunnen ze niets zeggen, of ze moeten eerst goed denken. In de stad — dunkt mij — praat men er zoo maar heen. En als wij hier een halven dag over iets gedacht hebben, kost het ons moeite om 't eerste woord te vinden voor de uiting van al dat denken."
Dat beviel den ouden heer, die heel weinig sprak, danig.
„Zoo is 't nu precies !" zei hij ; doch de freule lachte en zei :
„Herdertje ! herdertje ! je afkeer van de stad en je voorliefde voor 't buitenleven vervoert je tot sterke overdrijving !"
,, Zóó denk ik er precies over !" zei Marie met een forschen hoofdknik.
„Dat zou ook wel het grootste wonder van de wereld zijn, als je er anders over dacht dan de freule. Maar de freule heeft gelijk ; ik overdrijf. Dat leerde ik in de stad. Mijn schapen heb ik nimmer overdreven en de oude Hoppe van Koen en Hilda ook niet."
„Weet je 't van Koen, Paul ? — zei Marie — die is vlak bij zijn huis in een sloot verdronken. Hilda heeft nu een klein kruideniersiwinkeitje."
„Ik wist het", zei hij en begon na een korte pauze een paar merkwaardigheden uit den tijd van zijn verblijf bij Koen en Hilda te vertellen.
't Waren vier zeldzaam .schoone dagen, die daar op „Vierspronck" werden gesleten. Na den eersten nacht was de sneeuw, die nog lang zooals ze neergedwarreld was, weggedooid ; de vertrapte en verschepte sneeuw lag in zoolvormen of lange strooken vuil langs den weg. De koetsier was met het eerste morgenkrieken naar Delberg gegaan, om er naar den welstand van Marie's moeder te vragen en teruggekomen met goede tijding : ze had een rustigen nacht gehad en 't gevaar was geweken.
Den derden dag was alle herinnering aan de sneeuw verdampt en verzonken. Paul kon gaan waar hij wilde : veld en bosch in, eerst alleen, dan even met Marie samen, en als die verzekerd had, dat het heel mooi weer was voor de freule, gingen ze met hun drieën : de freule in 't wagentje. Met den ouden heer wandelde hij naar het terrein, waar mijnheer Terlingen Boss zijn villa wenschte gebouwd te hebben.
Den laatsten dag, 's morgens, brachten Paul en Marie samen een bezoek bij „mijnheer Frederik". Mevrouw had dat gevraagd. Toen ze over 't breede kronkelend tuinpad liepen, stond mijnheer bij den vijver, en de jongelui liepen naar hem toe.
„Zie je nu wel, Paul, dat er nergens in heel den vijver een blaadje kroos drijft ? " zei Marie, de hand over het water uitstrekkend. Och arme ! 't was één en al kroos ; slechts waar een eend of een rat zich een weg had gebaand, was een kronkelstreepje water te zien.
„Zie je wel, Paul ? Zoo helder, dat je den reinen bodem ziet !"
Wat lachte de dikke heer en wat had Paul een pleizier van zijn Marie. Doch mijnheer Frederik rechtvaardigde zich prachtig.
„Maar juffrouw I ik heb met die grachten en vijver niet deze bedoeld, maar die van de nieuwe villa I"
Paul had nog maar alleen aan de villa gedacht, wel in een ideale omgeving, maar — zonder vijver. Nu moest hij beslist daarover met mijnheer spreken. Toen ze binnengekomen waren, was al spoedig de nieuwe villa het onderwerp van het gesprek, waarin mevrouw den boventoon voerde.
„Wij zouden u hier moeten hebben, mijnheer Dilleman !" zei mevrouw.
„Hoe bedoelt u dat, mevrouw ? "
„U zoudt u in Berndijk als architect moeten vestigen !"
Hoe kon mevrouw op die gedachte komen ! Zoo iets — neen, onmogelijk was het toch niet ; maar hij had daaraan nooit durven denken. Hier zich vestigen, zoo dicht bij Marie en de freule, bij zijn vader en den kuiper ; hier in zijn eigen land en in 't midden van zijn eigen volk I Als God nog eens zóó goed was !
„Ik weet niet, mevrouw ! hoe mijn patroon, mijnheer van Emmerick daarover zou denken."
Dat was het! van zijn geboorte aan had een ander over hem beschikt. Eerst was hij 't eigendom geweest van Sijmen en Duifje, toen van Koen en Hilda, en zelfs in de vrien delijke woning van den kuiper had Teun Dolle's dreigement van hem bij andere menschen te doen nog steeds in zijn ziel gesomberd. De architect van Oldouwe had hem beschikt bij mijnheer van Emmerick, maar deze zou
hem vast niet aan een ander overdoen.
„Maar mijnheer Dilleman ! — merkte mijnheer Frederik aan — u bent toch niet aan mijnheer van Emmerick getrouwd ? "
„Getrouwd ? Ik zou toch niet zonder zijn — — ".
„Gekheid, mijnheer Dilleman I we zijn allen vrije menschen in een vrij iand. U komt maar hier ! En met het hooge goedvinden van uw patroon. Vóór Paschen bent u gepakt en gezakt terug."
Dat zei mijnheer Frederik, en op een toon, en met een blik, die allen twijfel buitensloot.
„Als God het wil, mijnheer I"
„Dat zal u wel gauw blijken, mijnheer Dilleman ! Nietwaar, juffrouw Kooijker ? "
Paul zag, dat ze zoo gelukkig lachte. Ze wist er zeker meer van, en dit was dan het goede, dat hij hier nog zou komen te weten.
Op 't slot terug gekomen, opperde Marie terstond het voor Paul pas nieuwe idee. „We hopen je spoedig weer hier te zien — zei de freule — en je dan hier te houden."
Och zij sprak met gelijke zekerheid als mijnheer Frederik, en nu begon hij ook zichzelf van een spoedige terugkomst te vergewissen.
Wat viel nu allen het afscheid nemen gemakkelijk. En hoe verraste het Paul, toen 's avonds Hillebrands eerste woorden waren :
„Daar heb je onzen architect van Berndijk I"
Zoodra er zich een geschikte gelegenheid aanbood, zei Paul :
„Baas ! nu weet ik wat en ik weet niets. Vragen durfde ik daar niet, maar hier wel. Kun jij mij iets zeggen aangaande plannen die mij als bouwkundige betreffen ? "
De kuiper scheen niet alles te willen of te mogen zeggen — hij was mee in 't complot —; doch zooveel begreep Paul nu goed, dat de post van gemeente-architect van Berndijk open kwam, en dat men hem daarvoor waarschijnlijk wilde benoemen.
Hillebrand zorgde, dat de oude Dilleman nu ook evenveel kwam te weten als Paul. En het afscheid nemen viel nu ook hier even gemakkelijk als op 't slot.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's