De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

HOOFDSTUK XXIX.
Paul had zich de zaak nog niet anders voorgesteld, dan dat hij de teekening en bestek, hem opgedragen, zou maken als ondergeschikte van zijn patroon en in dien zin sprak hij daar ook — zoodra hij in de stad was teruggekeerd, en de gelegenheid daartoe zich aanbood — met hem over. Doch mijnheer van Emmerick bracht het hem anders onder 't oog. Dilleman had dit geheel zelfstandig en voor eigen rekening en verantwoording te doen. Vroeger of later zou het toch dien weg op moeten ; doch nu reeds was hij daartoe best in staat en moest hij de aangeboden gelegenheid aangrijpen.
Aangemoedigd door zijn patroon, vatte Paul de zaak met moed op en begon aan zijn opdracht met de hem eigen energie. Toen ihij er eindelijk mee klaar was, toonde hij zijn werk aan den meester, die hem na een aandachtige beschouwing de verzekering gaf, dat hij volkomen was vertrouwd. Nu ook vertelde hij, dat de burgemeester van Berndijk, mijnheer Terlingen Boss, en die een vriend van hem was, naar hem, Dilleman, had geïnformeerd.
Lang vóór Paschen nam Paul voor goed afscheid van de stad en kwam, zooals hem gezegd was, gepakt en gezakt met al zijn hebben en houden bij de zijnen terug. Maar nu om te werken.
Hij gevoelde, van hoe groote beteekenis zijn eerste werk hier zou zijn ; goede of slechte reclame ! Maar hij werkte met zijn God. Het in perspectief gebrachte plan droeg terstond de volle goedkeuring van zijn principaal en evenzeer van mevrouw weg. Ze waren er spoedig van overtuigd, dat ze met de keuze van een architect niet gefaald hadden. De burgemeester zelf ook scheen veel belang te stellen in dit plan en zijn ontwerper. Het werk werd uitbesteed en gegund aan Stevelaar, en spoedig vingen de voorbereidselen tot den bouw aan.
Paul vond een geschikt kosthuis in de buurt. Om de andere week was hij van Zaterdagmiddag tot Maandagmorgen thuis bij de zijnen in Winnewoud, en de daartusschen gelegen Zondagen bracht hij voor 't grootst gedeelte door op „Vierspronck".
Daar ook sleet hij menigen gezelligen avond in den stemmigen kleinen kring van de freule en haar vader en hun aller Marie. Voor de beide gelieven was het, of al hun geluk zich daar ophoopte.
Zoodra de zachte zonnige dagen aanbraken, maakte Marie, met de freule in 't wagentje, en soms met den ouden heer, zooveel mogelijk iederen dag een wandeling naar het terrein, waar de jonge architect meester was. En mijnheer Frederik — als hij thuis was — kwam ook bijna dagelijks eens naar 't werk zien, zoodat men elkander daar nu en dan ontmoette.
Ieder, die de freule zag, durfde beweren, dat zij met elke week opfleurde.
Maar — in den nazomer, op een Zondag, toen Paul juist te Winnewoud in de kerk was, hoorde men een rijtuig stilhouden vóór de kerk.
Er kwam beweging in 't portaal, en de koster, die daar 't zijne van moest hebben, wenkte Paul, die terstond naar buiten kwam. Martens, de koetsier, stond daar.
"Mijnheer Dilleman ! 't is niet goed met de freule. Ik kom u halen !"
Paul stapte terstond in, en dadelijk rolde het rijtuig snel weg. Hij begreep heel goed dat het „niet goed" de allerzachtste uitdrukking was voor „hoogst ernstig", misschien wel voor het allerergste. Hij schoof het raam open vroeg :
„Zeg mij eerlijk. Martens ! hoe is 't met de freule ? "
Den koetsier was 't, of hij een brok in zijn keel had.
„Heeft de Heere haar misschien tot zich genomen ? " vroeg hij.
De koetsier haalde de schouders op.
„Ik vrees van ja !" zei hij diep aangedaan.
Paul schoof het raampje weer toe.
't Werd hem zoo wonderlijk te moede. Bidden voor haar kon hij niet, omdat hij, in den geest, haar zag als een verheerlijkte, die haar Heiland verlangend en jubelend tegemoet snelde. Die gelukkige had den loop volbracht, den strijd volstreden ; zij was nu bij Hem, Dien ze 't liefst had.
Maar dan dacht hij in eens aan Marie en aan den ouden heer : hoe zouden zij treuren en misschien jammeren over de geliefde !
„O God aller vertroosting ! sta hen bij !"
't Was één lange zucht naar omhoog. Plots dacht hij aan August. Hij schoof het raampje weer op.
„Martens ! de broer van de freule was er toch al ? "
„Ik heb van morgen om vier uur al moeten inspannen, om mijnheer en mevrouw te halen : die zijn nog vroeg genoeg gekomen !"
Paul kwam te laat.
Nauwelijks in de kamer gelaten, zag hij alles.
Neen, niet alles. De freule zag hij liggen in 't ledikant als een, die slaapt tot den jongsten morgen, en wier ziele rust aan 't hart van haar Heiland. Van degenen, die om 't ledikant stonden, zag hij alleen maar Marie, die de tranen over de wangen liepen. Even maar zag hij dat, want de oude heer had hem pas gezien of wankelde terstond naar hem toe, met radeloozen blik en verlegen handgebaar. „O, Dilleman ! — jammerde hij — Dilleman "
Paul stak hem beide handen toe en zeide kalm :
„Mijnheer ! de Heere blijft hier tot Hij ook ons bij Zich neemt, waar freule Virginie is."
"0 ja? " — vroeg hij op den toon van een tevreden gesteld kind.
Hij scheen dit aan de anderen, die bij 't ledikant stonden, te willen zeggen als om hen daarmee te troosten. Maar hij struikelde, en Paul, die hem in 't oog hield, greep hem nog tijdig, zette hem op een stoel, plaatste zich naast hem en hield hem vast.
En ondertusschen kwamen nog meer, voor Paul onbekenden, doch. blijkbaar van de naaste verwanten ; Marie trad terug naar een hoek der kamer. Paul zag haar, hoorde haar, voelde haar leed, want hij alleen kon vatten, hoe haar ziel gebonden was aan die eenige op aarde. Doch hij durfde den ouden heer niet alleen te laten, die nu weer begon te jammeren :
„O, Virginie, Virginie ! hoe zullen we nu voortdoen ? "
„De Herder waakt !" fluisterde Paul hem in 't oor, en dan was 't weer of de oude man uit een angstigen droom ontwaakte en terug vond, wat hij verloren had.
Mevrouw van Olmwold, de gade van August, was aangedaan door de droefheid van Marie, en had haar als een zuster de hand om den hals gelegd, onmachtig om met woorden te troosten. Ze leidde haar naar Paul, die den ouden heer oprichtte, hem met de eene en Marie met de andere hand vasthield en met beiden in een andere kamer ging. En daar begon hij onwillekeurig overluid, maar alsof hij alleen was, tot den Heere te spreken. En dat stilde alle drie de harten. Hier bleven ze als drie, die bij elkander behoorden, vereenigd door één liefde en door één smart. Eerst als de, voor hen, vreemden de kamer hadden verlaten, begaf zich het drietal weer naar de geliefde doode ; doch nauwelijks daargekomen, werden er twee vrouwen binnengelaten, die de doode in haar laatste aardsche kleed zouden hullen. Het drietal werd weer uit de kamer geleid, onbewust van wat er met hun geliefde gebeurde.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's