De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

12 minuten leestijd

Gij zijt opgevaren in de hoogte : Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd ; Gij hebt gaven genomen om uit te deelen onder de menschen, ja, ook de wederhoorigen om bij U te wonen, o Heere God. Psalm 68 vers 19.

Hemelvaart.
AIs ge deze overdenking leest, waarde lezers, dan is de Hemelvaartsdag weer achter ons. Mocht het nochtans de begeerte des harten wezen om nog eens een terugblik op dit groote heilsfeit te werpen. De hemelvaart des Heeren is immers een der grootste, onmisbaarste schakels uit dien grooten keten van Jezus' verlossingswerk. Komt de groote beteekenis van dit werk Gods, de hemelvaart van Jezus, niet heerlijk uit in den tekst, dien we boven onze overdenking schreven ?
Hoogstwaarschijnlijk is de 68e Psalm, een meesterstuk van goddelijke dichtkunst, gezongen bij de plechtige overbrenging van de ark naar den Sionsheuvel.
In gedachten zie ik Israels vromen koning David in heilige zielsverrukking achter de ark huppelen.
„De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden."
Alle stammen waren vertegenwoordigd. Benjamin, de kleinste, ontbrak niet. Naast de vorsten van Juda met hunne vergadering, ook de vorsten van Zebulon en Naftali. En allen hebben als om strijd de daden des Heeren in hunne liederen vermeld ; hoe de Heere hun voortoog uit Egypteland langs de woestijnen van Paran en hoe Hij hen leidde naar Kanaan, waar Hij op den nederigen Sion wilde wonen, inplaats van op de trotsche, bultige bergen van Bazan.
Dien God te verheerlijken, die Zijn genade zoo wondervol openbaarde aan Israël, was de lust van den zanger.
„Gods wagens boven het luchtig zwerk zijn tien en tienmaal duizend sterk, verdubbeld in getale. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid." Van dien Heere zingt de dichter : „Gij zijt opgevaren in de hoogte, gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd ; gij hebt gaven genomen om uit te deelen onder de menschen, ja ook de wederhoorigen om bij u te wonen, o Heere."
Jehova, die tusschen de cherubs woont, houdt Zijn triumftocht. Niet evenwel dan na een bitteren strijd met al de vijanden van Israël. Of wilt ge het in de taal van onze tekstwoorden : Een gevangenis moest gevankelijk worden weggevoerd.
„Welke gevangenis mag tooh bedoeld wezen ? " hoor ik u vragen.
Aan eenen aardschen kerker behoeft hier natuurlijk niet te worden gedacht. Ik weet het niet beter te zeggen dan de kantteekening. Sla het maar eens op in uwen Statenbijbel. Dat is : degenen, die ons gevangen hielden, n.l. zonde, duivel, dood en verdoemenis ; over welke alle Christus door Zijn dood, verrijzenis en hemelvaart heeft getriumpheerd ; alzoo, dat, hoewel zij ons nog bestrijden, wij nochtans in Christus de overwinning over allen hebben.
O welk een heirleger van schrikkelijke vijanden, die den mensch gebonden hebben. Heeft de Satan de menschheid in Eden niet als met slavenketenen geboeid ? Zijn wij niet met duizenden banden gebonden aan een wereld vol zonde en ongerechtigheid? En zegt de apostel Paulus niet, dat hij zich heeft leeren kennen als een gevangene onder de wet der zonde, die in zijne leden is ?
En als gevolg van Adams overtreding en onze daadwerkelijke schuld zal eens — wie weet hoe spoedig — de dood u wegrukken, niet naar een hemelsoh zalig oord, maar naar die plaats, waar de banden des doods eeuwig zullen knellen ; naar den kerker der rampzaligheid, waar geen straal van Gods genadelicht ooit meer zal binnendringen.
Ja, dat zal het einde zijn van den mensch, ftenzij hij in het heden van genade nog verlost worde uit dien donkeren kerker, waar die drie machtige doodsvijanden hem gebonden houden.
Werd uw oog er al voor ontsloten om te zien, dat gij door een heirleger van geestelijke vijanden omgeven zijt ?
Van nature leeft de mensch, als was hij zoo vrij als een vogel, of liever als een zanger, in een kooi geboren, die de gevangensch'ap niet voelt om de doodeenvoudige reden, dat hij niet weet wat vrijheid is.
Waar het hemellicht van Gods ontdekkende genade door de vensteren des harten naar binnen viel, daar eerst leert de mensch zich als een gevangene kennen, die elk oogenblik denkt naar de plaats des gerichts te zullen worden geleid, opdat het vonnis des doods naar heilig recht door een heilig en een rechtvaardig God aan hem voltrokken worde.
Het kan niet anders, of in de harten derzulken zullen de woorden van den 116 den Psalm weerklank vinden :
Ik lag gekneld in banden van den dood. Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen.
Ik was benauwd, omringd door droefenissen. Maar riep den Heer' dus aan in al mijn nood.
Wie zal nog ooit uit dien kerker redden kunnen ? Wie zal die sterke vijanden binden om de vaten uit het huis te kunnen wegrooven ?
„lk, ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ? " riep Paulus uit. Hij had geleerd, dat het ondanks alle krachtsinspanning onmogelijk was zich in eigen kracht uit die banden los te maken.
Een mensch mag pogen om door de werken der wet den rechtmatig vertoomden God te verzoenen, de Heere zal Zijn volk doen instemmen met het woord van Jesaja, dat al onze gerechtigheden slechts als een wegwerpelijk kleed zijn voor God.
Maar hoor nu ! Wat geen schepsel, zelfs geen engel vermocht, dat heeft de Heere Zelf gedaan. Hij zond Zijnen eigenen, eenigen Zoon, die drie en dertig jaar op deze zondige aarde wilde rondwandelen, na het vleesch en bloed der menschelijke natuur te hebben aangenomen. Van de kribbe tot in den bitteren en smadelijken dood des. kruises heeft de Zoon aan het geschonden recht des Vaders voldaan. Hij droeg de heilige wet Zijns Vaders, die de zondaars overtreden hebben, in Zijn hart. Hij Zelf heeft den strijd aangebonden met de vijandige machten. Zwaar was de strijd, maar heerlijk ook de kroon. Hij heeft den Satan den kop vermorzeld. Hij heeft de we­reld overwonnen. Schoon de dood Hem voor zich opeischte, opdat aan het recht zou voldaan worden, het graf kon Hem niet houden. Hij heeft het geweld des doods teniet gedaan.
En nu denk ik aan den veldheer, die terugkeert uit den strijd, na al de vijanden te hebben overwonnen. Op zijn zegewagen gezeten, met de geboeide overwonnene koningen achter zich, keert hij terug naar het vaderland, in vollen triumf.
Alzoo ook de Heere Jezus.
Nog veertig dagen na Zijn opstanding uit de dooden wandelde Hij rond op de aarde, totdat Hij Zijne jongeren op den Olijfberg vergaderd had. Daar lag in de verte de hof van Gethsémané. Over de Kidron lag het profetendoodend Jeruzalem en heel in de verte Golgotha, waar eens het kruis was geplant.
Nu evenwd geen angst of vreeze meer in de ziEL van den Heiland. Nu als Overwinnaar op den Olijfberg, slechts wachtend totdat de Koning de eeuwige deuren zou verheffen, opdat Hij als Triumphator zou ingaan.
Zal de hemel zich openen om weer op te nemen Hem, die. schoon Zelf zonder zonde, zoo diep afdaalde in een wereld vol ongerechtigheid ? Of zal de hemel voor Hem als Borg gesloten blijven, om dat er iets ontbrak aan het verlossingswerk, hetwelk Hij op zich genomen had ?
Maar neen, dat was onmogelijk. Jezus' werk was volkomen. Het recht des Vaders was verzoend. Neen, daar komt een wolk als zegewagen en neemt Hem opeens weg van voor hunne oogen.
O lezers, wat in deze heilige oogenblikken op den Olijfberg geschiedde, was als een plechtig Amen van den Vader op de woorden, die de stervende Zoon eens sprak aan het kruis : „Het is volbracht"
Van dat oogenblik heeft de dichter des Ouden Verbonds getuigd, als hij zong : Gij zijt opgevaren in de hoogte en Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd.
O welke rijke zegeningen vloeien er van den hemelvaartsberg. Zelf had Hij zich laten binden en wegvoeren, maar om nu ook de gebondenen Zijns volks, die zich met duizenden ketenen van zonde als geboeid voelen, henen te zenden in vrijheid. Zelf was Hij in de gevangenis gegaan om ten slotte de gevangenis gevankelijk weg te voeren.
Zong niet de dichter van Psalm 14b van Hem :
„Die gevangenen vrijiheid schenkt en aan hun ellende denkt."
De buit Zijner overwinning was groot. Hoort naar de blijdschap van den dichter : „Gij hebt gaven genomen om uit te deelen onder de menschen, ja ook de wederhoorigen om bij U te wonen."
Bij het woord „gaven" is de mensch van nature geneigd om aan aardsche gaven te denken. Aardsche schatten en genietingen liggen dan vooraan. Toch mag op de tijdelijke gaven allerminst de nadruk worden gelegd. Het is waar, dat al de tijdelijke zegeningen ook een vrucht zijn van Zijn lijden, sterven, opstanding en hemelvaart, maar nog meer is zulks het geval met de geestelijke gaven.
Aan de gaven des Heiligen Geestes hebben we hier in het bijzonder te denken. Zouden er heerlijker gaven zijn dan de gaven van den Heiligen Geest ? Het is toch de Heilige Geest die den mensch de oogen opent; die den mensch geneest van zijne geestelijke blindheid.
Zonder dat ontdekkend genadelicht beseft de mensch het niet dat hij in een kerker zit. Maar waar de Heilige Geest de consciëntie opent en ontdekt aan zonde en schuld, aan aangeborene en werkelijke zonden, daar wordt heilige onrust geboren.
Onrust naar God ! Daar een roepen om genade en geen recht. Daar een smeeken om ontferming.
Als van den apostel Paulus staat geschreven, dat hij bad in de straat, genaamd de Rechte, zoo was dat een gave van den Heiligen Geest. Van nature vraagt de mensch niet in geest en waarheid naar God. Neen, dan voelt hij zich thuis in zijne gevangenschap en is slechts met ééne begeerte vervuld, om de pinnen van zijn levenstent in de aarde vaster te slaan.
Ik kan mij indenken, dat er zullen zijn, die zeggen van deze gaven : „Het mag wat zijn." „Zijn dat kostelijke gaven, die een mensch verontrusten en benauwen en hem doen weenen over zijn zonden en hem doen bidden en smeeken om genade ? "
„Neen, gaven, dat is voor ons datgene wat ons leven veraangenaamt en verrijkt en wat alle droefenis doet vergeten.
Dwaze wereld, die niet begrijpt, dat slechts armen van geest en treurenden vanwege hunne zonden en dorstenden naar gerechtigheid, door den Heere worden zalig gesproken.
Neen, lezersn die niet eerst de schuld leerde beweenen en om ontferming smeekte, zal nimmer komen tot zaligheid.
Maar juist daar, waar de Heere ontdekte en alle hoogten van eigengerechtigheid nederwierp, daar is plaats voor de heerlijkste gaven des H. Geestes.
De Heere is niet alleen rechtvaardig, maar ook genadig. De barmhartigheid zal roemen tegen het oordeel.
De Heere wil wonen bij dien, die eens verbrijzelden Geestes is. Het hart, wat Hij doorwondde en verbrak, dat wil Hij ook weer genezen.
Indien ik dan ook al die gaven, die Christus nog schenken wil aan arme zondaren, met één naam moest noemen, dan zou ik ze noemen genadegaven.
Neem het geloof dn den dierbaren onmisbaren Zaligmaker, die zich zelf liet binden om de gevangenen Zijns volks henen te zenden in vrijheid, is dat geen kostelijke genadegave.
En dan die hoop en verwachtmg op Zijn Middelaarswerk, is die niet als een boom des levens.
En dan die liefde, die de Heilige Geest komt uit te storten in het zondaarshart, zoodat Gods kind met de bruid wil uitroepen : Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk.
En die verzoening van zooveel zonden en schuld, die het den dichter deed zingen : „Gij hebt mijne banden losgemaakt."
Ja dan kan het niet anders of de tongen worden losgemaakt en den eenvoudige wordt een tong der geleerden gegeven om de groote daden Gods te vertellen. Voorwaar een blijdschap, die de wereld niet kent, maar die bij tijden het deel is van hen, die als goddeloozen werden gerechtvaardigd om niet uit enkel ontferming.
Dat deed den zanger getuigen :
„'t Is 't menschdom meerder waard Dan 't fijnste goud op aard."
Zoo ziet gij tenslotte hoe die gaven, die enkel droefheid schenen te verwekken, ten slotte leiden tot een blijdschap, die verre, ja oneindig verre uit gaat boven de blijdschap dezer wereld.
En al die goede gaven en volmaakte giften dalen af van Boven, als vrucht van Zijn lijden en sterven, waarop Hemelvaart de kroon heeft gezet.
Hij heeft die gaven niet voor zich behouden, maar Hij heeft ze onder de menschen willen uitdeelen, aan zulken die zich bij ontdekkend genadelicht .als wederhoorigen hebben leeren kennen.
Van nature wederhoorig ! Met Paulus de verzenen tegen de prikkels, niet willend, dat de Heere Koning over hen zijn zal. Maar ziet, het is des Heeren lust om vijanden met zich te verzoenen. Zoo groot is Zijn macht, dat Hij harten, die vol zijn van vleeschelijke bedenkingen en vijandschap tegen God, nog wil herscheppen, tot kinderen, die Hem vrijwillig zullen liefhebben.
„Om bij U te wonen, o Heere God."
Ja daartoe kwam Gods Zoon op aarde, om zoo de ver afgezworvenen nog weer weder te brengen, opdat ze gelijk de verloren zoon ruste zouden vinden aan het Vaderhart Gods.
Wonder van genade. Een hellevaart verdiend en een hemelvaart wordt hun geschonken.
Ja zoo komt de Heere hier beneden reeds woning te maken in het verdorven menschenhart.
Maar wat zal het dan eens zijn, als alle Gods gekenden, voor altoos van alle banden bevrijd, eeuwig zullen wonen in dat heerlijk Vaderhuis met zijn vele woningen.
Want hier beneden zal satan en wereld en eigen vleesch niet ophouden om telkenmale weer met de zonde te kluisteren.
Dan echter de vijanden voor eeuwig gebonden en Gods kind gedurig bij den Heere.
Hebt gij daarnaar heimwee?
Of zijt ge nog met duizend banden aan de wereld gebonden. O bedenk het: tegenover hemelvaart staat een hellevaart.
Brenge deze goddelijjke bedreiging nog op de knieën voor Hem, die gewild heeft dat wederhoorigen Hem zouden smeeken om ontferming.

T.

E.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's