De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

7 minuten leestijd

Een tegenstelling.
Onlangs hebben wij er de aandacht op gevestigd, hoe de Chr. Historische Nederlander, het vloekverbod besprekende, gewaagde van een verbod, dat de vrije meeningsuiting tegenstaat, ja, zelfs sprak van geestelijke tyrannie.
Dat de regeering geen aanleiding vond om een gemeenteverordening, welke het verbod inhield, om in het openbaar God te hoonen en te lasteren, ter vernietiging voor te dragen, was volgens het blad af te keuren.
Prof. Slotemaker de Bruine is nu op dit onderwerp in de Eerste Kamer nader teruggekomen en wel op een wijze, die op de regeeringsbeslissing een scherper critiek inhield, dan in de Nederlander werd vernomen.
De Chr. Historische afgevaardigde betreurde niet alleen de gevallen beslissing, maar kwam tegen het regeeringsstandpunt in verzet op grond, dat hier de gewetensvrijheid van een gedeelte van ons volk wordt aangerand, wat van gelijke toepassing is te verklaren op de beslissing van den Minister van Justitie terzake van de Statuten, van de Vereeniging de Dageraad.
Gelukkig heeft in dit zelfde Hooge College de heer Idenburg het standpunt van den Chr. Historischen afgevaardigde bestreden en het groote verschil doen uitkomen, dat tusschen hem en prof. Slotemaker de Bruine bestaat.
Het gaat, zoo zeide de heer Idenburg, om de vernietiging van een verordening tegen godslastering en tegen het moedwillig hoonen van Gods Naam in het penbaar, dat met gewetensvrijheid en vrijheid van gedachte op zichzelf niets te maken heeft. Niemand toch wordt in zijn geweten verplicht om in het openaar God te lasteren of te hoonen en daarom zal bezwaarlijk ontkend kunnen worden dat de Overheid op dit gebied een taak zou hebben ; de overheid heeft hier wel degelijk een roeping ten opzichte van de goede zeden.
En het was uit dien hoofde — en daar­ mede plaatste de heer Idenburg zich vierkant tegenover prof. Slotemaker de Bruine — dat de Antirevolutionaire afgevaardigde uitdrukkelijk verklaarde 't toe te juichen dat de Minister de verordening, waarin de Gemeenteraad binnen de grenzen van zijn bevoegdheid opkomt voor het eeren van Gods Naam op het openbaar terrein, niet verklaard heeft in strijd te zijn met het algemeen belang van het Nederlandsche volk.
Wij danken den heer Idenburg voor het kloeke getuigenis, dat hij hier liet hooren.

Bezuiniging op Onderwijsuitgaven
In zijn Memorie van Antwoord verdedigt de Minister van Onderwijs de wijzigingen, die hij ter beperking van de Onderwijsuitgavaen in de Leerplichtwet en de Lager Onderwijswet aanbracht, tegen de bezwaren, welke ook ditmaal weer tegen zijn Onderwijspolitiek werden ingebracht.
Terecht wijst dr. De Visser er op, dat wanneer men van oordeel is, dat bezuiniging noodzakelijk was, men niet mag volstaan met alles af te wijzen, zonder er iets beters voor in de plaats te geven.
Een toestand, waarbij het Onderwijsbudget tot 157 millioen 's jaars klom, overeenkomende met 25% van het geheel der Staatsuitgaven en waarvan circa 112 millioen aan salarissen heengaat, kan niet langer zoo bestendigd blijven.
Thans rekent de Minister voor, dat bij aanneming van zijne voorstellen een besparing op de uitgaven voor het personeel, als gevolg van de verlaging der jaarwedden en vermindering van het aantal leerkrachten, zal verkregen worden van 29 millioen, d.w.z. voor besparing op de salarissen 12.5 millioen en voor inkrimping van het personeel 16.5 millioen.
Deze vermindering van 't onderwijsbudget ziet natuurlijk alleen op de inkrimping der uitgaven van het lager onderwijs, waarbij nog niet gerekend is met andere maatregelen, welke ten opzichte van dit onderwijs zullen worden getroffen.
Het bezwaar, dat tegen de regeeringsvoorstellen wordt aangevoerd, dat vergrooting der klassen tot daling van het peil van het volksonderwijs zal leiden, acht de Minister aan gegronden twijfel onderhevig. Naar zijn meening geven de ondervindingen in het buitenland geen recht om een verband te leggen tusschen de grootte der schoolklassen en het peil der volksontwikkeling.
Zoo zal dus, wanneer de Staten-Generaal zich met de maatregelen van den Minister van Onderwijs vereenigt, 1e. tot den zesjarigen leerplicht worden teruggekeerd, en 2e. de vergoeding uit 's Rijks kas van niet meer dan één onderwijzer per 48 leerlingen plaats hebben.
Wat den laatsten maatregel — o.i. de meest ingrijpende —• betreft, die èn voor de gemeenten èn voor de schoolbesturen groote offers beteekent, vertrouwt de regeering, dat een ieder, die overtuigd is van de noodzakelijkheid van bezuiniging, zich bij hem zullen neerleggen.
Ook wij geven toe, dat in tijden van economischen druk als de tegenwoordige, de regeering niet anders kon handelen.
Wil ons volk de beoogde bezuiniging bereiken, dan zal het ook dezen last hebben te dragen.
Een andere weg is bereids nog niet ontsloten.

De Bondsdag van onze Jongelingsvereenigingen.
De Bondsdag van onze jongelingsvereenigingen, welke op den tweeden Pinksterdag te Amersfoort in „Amicitia" gehouden wordt, belooft ook dit jaar van beteekenis te worden.
In de morgenvergadering spreekt prof Van Leeuwen uit Utrecht over : „Opwinding of Geestdrift" en in de middagsamenkomst refereert ds. Remme van Amsterdam over : „De beste Gids."
Van niet weinig belang lijkt ons, wat ook op de goedgevulde agenda voorkomt n.l. het voorstel, dat door Renkum werd ter tafel gebracht en waarin het alternatief wordt gesteld, dat in het Bondsblad geen politiek wordt behandeld, of wel dat de programma's van de Christelijke Partijen in geregelde volgorde door een deskundige worden toegelicht.
Wat de beteekenis van dit voorstel aangaat, meemen wij als getrouw lezer van „De Vaandrager", het orgaan van den Bond van Ned. Herv. Jongelngsvereenigingen op Gereformeerden grondslag, te hebben opgemerkt, dat het eenige Bondsleden bezwaart dat de politieke leiding, welke in het Bondsblad gegeven wordt, in Anti-revolutionaire richting gaat.
Nu kunnen wij begrijpen, dat onze jongelingen vragen, om zoo duidelijk mogelijk ten aanzien van wat in het politieke leven omgaat, te worden ingelicht, maar dat het in de gedachte op­ komt, dat wanneer dit niet zoo gaat, als men het begeert, dan maar geen politiek te behandelen, is ons een raadsel. Immers onze jongelingen willen als Calvinisten leeren denken, om later als Calvinisten te kunnen leven.
Maar als dit zoo is, dan zullen zij er van bewust moeten worden dat Calvijn de reformator was, die bij vergelijking met alle andere reformatoren de lijn der reformatie het verst over alle terrein des levens doortrok, en dat juist hij het was, die in en buiten de Kerk zijn stempel op alle uiting van het menschelijk leven drukte.
Ook op dat van het politieke terrein.
Wij mogen in dit verband herinneren aan wat mr. Groen van Prinsterer in zijn Nederlandsche Gedachten schreef : „In de Calvinistische reformatie naar de H. Schrift ligt oorsprong en waarborg der zegeningen, waarvan 1789 de bedriegelijke belofte en de jammerlij'ke carricatuur geeft."
Een Calvinist heeft dan ook de politiek niet te schuwen, maar haar als een terrein te beschouwen waarop hij ook voor de eere Gods heeft op te komen.
Groen gevoelde telkens weer behoefte om in de politiek de beteekenis van het Calvinisme, van de Gereformeerde lijn te doen uitkomen.
Deze lijn hebben ook onze jongelingen te volgen, en daarop behoort hunne volle aandacht gevestigd te worden.
Wij in Nederland noemen ons het zuiverst als politieke partij bij den Gereformeerden, den Calvinistischen naam.
En met het Calvinisme moeten onze Staatkundige beginselen in overeenstemming zijn.
Daarom hebben andere Christelijke partijen, die niet uit de Calvinistische beginselen leven, voor ons als zoodanig geen belang.
Wij gaan hierop niet verder in.
Wat wij hierboven schreven, bedoelt niet anders te zijn dan een goed woord, dat wij aan onze jonge vrienden mede geven, die Maandag 9 Juni hun heerlijken Bondsdag te Amersfoort zullen houden.
Wij betreuren het zoo vaak, dat de belangstelling van ons Gereformeerde volk in de Ned. Hervormde Kerk ten opzichte van onze Jongelingsvereenigingen nog zoo gering is.
In stede toch dat onze Jongelingsvereenigingen de liefde hebben van dat volk dat er een hartelijk medeleven is in hun arbeid, laat men deze teere planten in zoo menig geval aan eigen lot over.
Het laat velen onverschillig of een Jongelingsvereeniging bloeit dan wel een kwijnend bestaan lijdt.
Laat dit bij ons volk eens anders worden.
Dat er dan van den a.s. Bondsdag bezieling uitga tot roem: van Gods Naam en tot zegen van onze Hervormde Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's