De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

De Geest der genade en der gebeden.

10 minuten leestijd

Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden. En zij zullen Mij aanschouwen. Dien zij doorstoken hebben. En zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over eenen eenigen zoon ; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over eenen eerstgeborene. Zacharia 12 vers 10.

Veel wordt er geweend. Deze aarde wordt, en terecht, een tranendal genoemd, Wat een leed, tranen, teleurstellingen, moeite, strijd. Waarlijk ! het is wel zoo als Job zegt : De mensch is kort van dagen en zat van onrust. Het langste leven duurt, bij de eeuwigheid vergeleken, slechts een oogenblik, het vliegt vooruit en toch in dat korte leven wat een zorgen en kommer.
Doch niet alle treuren is het rechte. Er is tweeërlei weenen. Er is een droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering werkt tot de zaligheid, maar er is ook eene droefheid der wereld, die den dood werkt. Er is veel leed in de wereld, dat slechts voorbode is van nog grootere smart; Veel ellende, die slechts profetie is van eeuwigen jammer De rechte tranen worden geschreid over de zonde. De ware smart zal daar over zijn, dat we den goeden God hebben beleedigd, dat we Zijne heilige wet hebben geschonden ; en vooral over het indroevige feit, dat we dikwerf op Christus, Zijnen eenigen lieven Zoon, zoo weinig acht geven. Want dit is wel onze grootste zonde. Wij zijn allen diep ongelukkig door onzen diepen val in Adam, en door onze eigene moedwillige afwijking; en we zijn geenszins in staat onszelven te helpen.
En nu heeft God in Zijne ontferming Zijnen eenigen Zoon gegeven tot eenen Verlosser en Zaligmaker.
En nu is dit wel het schrikkelijkste bewijs van onzen diepen val en bederf, dat we ons om dat eenige redmiddel, die groote liefdegave Gods, dikwerf, ja van nature in het geheel niet, bekommerden.
Daar wijst ons dan ook de profeet Zacharia op als hij zegt : Zij zullen Hem zien. Dien zij doorstoken hebben ; en zij zullen over Hem rouwklagen als met de rouwklage over eenen eenigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over eenen eerstgeborene.
Dat zal de grootste smart zijn, als men ziet, dat men Christus doorstoken heeft. En dat geldt niet alleen die Joden en heidenen, die Hem letterlijk aan het kruishout hebben gehecht, maar ook allen, die onder dat kruis-evangelie leven, zonder er aoht op te geven. De H. Schrift spreekt van een den Zone Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken; van een vertreden van den Zone Gods en een onrein achten van het Bloed des Nieuwen Testaments.
En daaraan maken wij ons schuldig, vvanneer wij geen acht geven op het Evangelie des Kruises. Elke zonde, die wij, waar we onder het Evangelie leven, bedrijven, is eigenlijk een nagel in Jezus' Hand of Voet, een doorn in Zijn gezegend Hoofd.
En als dat recht wordt gezien en daarover het hart mag worden aangedaan, dan ontstaat de rechte droefheid. Dan leeren we kermen en klagen, gelijk men bitterlijk kermt over den dood van eenen eenigen of eerstgeborenen zoon. Misschien niet zoo hevig, maar zeker niet minder duurzaam.
Ja, alle oog zal Hem eenmaal zien, als Hij op de wolken zal komen, om de levenden en de dooden te oordeelen, bijzonder ook degenen, die Hem doorstoken hebben ; en al de geslachten der aarde zullen weenen.
Gelukkig, die dat weenen hier maar mag leeren.
En waar dit mag geschieden aan deze zijde des grafs, daar is dat 't werk van den Pinkster-Geest, door Zacharia genoemd de Geest der genade en der gebeden ; de Geest, die uit genade geschonken wordt, genade deelachtig maakt en bidden leert.
Vóór dat die Geest komt zijn we blind voor ons zelven, voor eigen ellende en schuld ; zien wij den toorn Gods, die over ons hoofd hangt, niet, en bekommeren wij ons om geen Zaligmaker. Maar als die Geest van Pinksteren komt, dan overtuigt Hij ons allereerst van zonde, gerechtigheid en oordeel. Dan zien we onzen gevaarlijken toestand in. Dan gaat ons oog open voor ons gevaar en diepe ellende ; dan erkennen wij met schaamte dat we zondaar zijn, en Gods toorn billijk tegen ons ontstoken is ; allermeest omdat we zoo schandelijk ongevoelig waren tegenover dien liefdevollen Zaligmaker.
Dan krijgen wij „verstand van kermen" en gaan wij roepen om genade en vergiff'enis.
Wij weten, zegt de apostel, niet te bidden gelijk 't behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuohtingen. Niet, dat de Geest in den hemel voor de Zijnen bidt gelijk Christus, maar Hij bidt op aarde de Zijnen voor. Hij leert hen bidden. Hij leert hen eerst roepen en kermen om genade en erbarming, en dan leert Hij hen straks als kinderen stamelen: Abba, lieve Vader !
Gij weet, hoe onder de Oud-Testamentische bedeeling het reukwerk een zinnebeeld was van het gebed. Daarom zegt ook David in Psalm 141 : Mijn gebed zij voor U als reukwerk.
Mijn beê, met opgeheven handen Klimm' voor Uw heilig aangezicht Als reukwerk voor U toegericht. Als offers, die des avonds branden.
En nu is het wel opmerkelijk voorzeker, dat dat reukwerk alleen aangestoken mocht worden met vuur van het brandofferaltaar. Dit was niet anders dan vuur uit den hemel. Het eerste brandoffer was door vuur uit den hemel aangestoken, en dit mocht nooit uitgaan. De priesters moesten dit dag en nacht brandende houden. Het was dus letterlijk hemelsch vuur. En daarmee alleen mocht het reukwerk worden aangestoken. Al het andere heette : „vreemd vuur".
Schoone gedachte! Het reukwerk des gebeds kan alleen ontstoken worden door hemelsch vuur. Het vuur des Geestes. Het vuur van den Pinkster-Geest.
In het uitnemende boekje „De Heilige Oorlog", van Joh. Bunjan, komt deze Geest voor als De Hooge Secretaris. De stad Menschziel, door Koning El-Schaiddai gebouwd tot diens eer en verlustiging, maar door diens vijand Diabolus ingenomen, was door Prins Immanuël hernomen. De inwoners van Menschziel waren nu zeer gelukkig. Helaas begonnen zlj dit voorrecht straks minder op hoogen prijs te stellen, zoodat Immanuë! Zich terug begon te trekken en zij Zijn vriendelijk Aangezicht minder zagen. Toen zij dit begonnen te bemerken, zonden zij requesten tot Hem om Hem te bewegen Zich weer tot hen te wenden en hen weder in Zijne gunst te doen deelen.
Al deze requesten waren evenwel tevergeefs. Immanuël gaf er geen acht op en beantwoordde ze niet. Totdat éen hunner, de heer „Vreeze Gods", de opmerking maakte, dat dit niet zou veranderen, en zij geen antwoord zouden krijgen indien die requesten niet onderteekend waren door den Hoogen Secretaris van Immanuël, en dat Deze geen stuk zou onderteekenen, dat Hij niet Zelf had opgemaakt.
Dit woord vond ingang. De Menschzielianen gingen naar den Hoogen Secretaris heen om Hem te vragen voor hen een verzoekschrift op te stellen en te onderteekenen. En toen Die hun vroeg : Wat moet er in dat request staan ? toen gaven zij het eenig goede, maar toch merkwaardige antwoord : Och ! dat weet Mijnheer De Hooge Secretaris Zelf het best.
O, Geliefden ! dat antwoord hebben wij ook te leeren geven. Wij ook weten niet te bidden gelijk het behoort. Ach ! dat ook wij mochten leeren tot dien Hoogen Secretaris, den Heiligen Geest, te stamelen : O, Heilige Geest, Geest van Pinksteren, Geest der genade en der gebeden ! och, leer bidden ook mij. Die Geest alleen, maar die Geest ook zeker, kan ons het bidden leeren. Die kan ons ontdekken aan schuld en behoeften. Die alleen kan ons oog openen voor onze schreiende nooden, Die kan ons bekend maken een iegelijk met de plaag onzes harten. Die kan ons leeren kermen om genade en ontferming. Die alleen weet toegang te verleenen tot Immanuëls liefdevol hart.
Hebben wij, Geliefden ! niet slechts om dien Geest, maar ook tot dien Geest leeren bidden ? Ook dit laatste is noodig. Want evenals de Vader en de Zoon is ook Hij waarachtig God, En de eere, die Hem als zoodanig toekomt, geven wij Hem niet, wanneer ook tot Hem ons gebed niet wordt opgezonden.
Maar ook, als wij dit mochten leeren, dan zullen wij niet eeuwig klagen en weenen. Het gebed tot dien Geest, door Hem Zelven geleerd, blijft niet onverhoord ; Immanuëls Oor kan niet duurzaam gesloten blijven voor het gebed, door Zijn Eigen Geest in het harte gelegd.
De Hooge God stort Zijnen Geest uit over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem. Dat heeft Hij allereerst in letterlijken zin gedaan op den bewusten Pinksterdag. Maar tot het vleeschelijke huis Davids, en tot de bewoners van Jeruzalem van voor bijna twintig eeuwen, is die Geest allerminst beperkt. Ja, wij mogen wel zeggen : die Geest uit den Hooge wordt uitgegoten in het hart van een ieder, die dien grooten Christus, dien meerderen David, Davids Zoon en Davids Heere tegelijk, leert kennen als zijnen Koning en Verlosser. En dat kennen van dien grooten Immanuël zal niet de oorzaak wezen, waarom de Heere Zijnen Geest in het hart uitstort, maar is juist omgekeerd van die uitstorting des Geestes de vrucht. Hieraan alleen kunnen wij weten, dat ook wij tot dat geestelijke huis Davids behooren, dat die Geest werd uitgestort ook in ons hart.
En dat huis Davids zal niet altoos treuren. Daar zal die meerdere David wel voor zorgen.
Deze zijn dan ook de ware en eigenlijke inwoners van Jeruzalem.
Jeruzalem ! schoone naam. Het beteekent stichting des Vredes. En waarlijk, dien naam mag het Godsrijk wel dragen. Dat immers is juist het rijk des vredes. Daarom is de naam van den Koning van dat rijk, van dien meerderen David, dan ook Vredevorst. In dat Koninkrijk wordt een vrede gesmaakt, dien de wereld niet kent en „die alle verstand te boven gaat."
Jeruzalem ! de naam is in het oorspronkelijke eigenlijk een tweevoud; alsof er stond : De twee Jeruzalems. Inderdaad had ook Jeruzalem, de hoofdstad van Kanaan, twee deelen : een benedenstad en een bovenstad. En waarlijk geldt van het geestelijke Jeruzalem, van de levende Gemeente des Heeren, het zelfde. Ook die heeft twee deelen. In de Benedenstad woont de strijdende Kerk. Die is hier op aarde. Hier leeft die gemeente nog altijd temidden van strijd, moeite en zonde. Hier moet zij nog altijd klagen : Het goede, dat ik wil, doe ik niet. Hier zijn hare vijanden die haar omringen machtig vele. Maar daar ginds, boven wolken en sterren, ligt het hoogere deel van Jeruzalem. Daar ligt de Bovenstad. En in die Bovenstad is geen zonde en geen leed meer. Daar zijn de tranen voor altijd van de oogen afgewischt. Daar is alle smart en ellende voorbij. Daar zijn alle vijanden buiten en alle vrienden binnen. Daar woont de triumpheerende Kerk. En gij, die door genade den Pinkster-Geest mocht ontvangen, gij ook zult weldra daar wonen.
Spoedig wacht u de ure des doods.
Sterven ! vreeselijk woord voor allen die Christus en Zijnen Geest missen, maar voor u heeft dat woord al het sohrikwekkende verloren. Wanneer gij straks den laatsten adem uitblaast en dit tijdelijke met het eeuwige verwisselt, dan is dat sterven voor u eigenlijk geen sterven meer, maar een overgaan naar de oorden van zaligheid en ongestoorden vrede. En wanneer dan uwe bloedverwanten en vrienden staan bij uw zielloos lijk, dan mogen zij wel tot elkander zeggen : hij, of zij, is verhuisd van de Beneden- naar de Bovenstad.
Neerlangbr.

Z.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's