De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870 

Tot Marie in de lijkkamer geroepen werd en daarna de oude heer, die gesteund werd door Paul.
Ze waren daar weer met hun drieën, allen onverwacht getroffen door een groote verandering in 't ledikant : daar lag niet meer een zieke, een stervende, een pasgestorvene ; daar lag een doode in haar lijkwade. En dat sprak tot hen duidelijker dan alles, dat Virginie niet meer tot de levenden behoorde.
Het zien, dat zij reeds gekleed was voor de laatste, de alleriaatste reis, veroorzaakte een bewustworden, dat hen overviel als een ijzige rilling. Nu eerst kwam de zekerheid, dat die lieve mond nooit meer zou spreken en geen enkelen dienst meer zou vragen. Hoewel vlak bij die geliefde, voelden ze den afstand tusschen hen en haar als dien eeuwigen afstand tusschen dood en leven, niet te meten met eeuwen of wereldlengten.
Er was iets afgedaan, waarin nooit meer ook maar iets hersteld kon worden. Men voelde 't, over zeeën te kunnen beschikken, en toch geen druppeltje te kunnen geven aan die geliefde. Zelfs hun diepe smart roerde die ééne daar niet.
De vrienden kwamen den vader en de vriendin troosten en bemoedigen met uitgezochte woorden. Maar wat het hart der bedroefden 't meest opwekte, dat was, wanneer men ongewild als 't ware, maar door innerlijken aandrang gedreven, de lieve doode prees, woorden en gezegden van haar aanhaalde, allerlei gebeurtenissen van haar vertelde en zelfs aan overigens nietszeggende voorvallen aangaande haar herinnerde. Dat ging als iets zoets in 't hart, en veranderde de smartelijke trekken tot iets, wat een glimlach verried. Alsof men de doode even in 't leven terugriep. Doch een enkele blik op het hemelsch rustige gelaat zette terstond de lossere lijnen weer weemoedig strak.
Vader van Olmwold kon 't niet laten, nu en dan zijn lieve doode aan te raken, maar hij deed het zoo teergevoelig, alsof hij vreesde, haar uit een zoeten sluimer te wekken. En Marie meende dan ook hetzelfde te mogen doen. Voor Paul was de doode daar niet meer dan een afbeelding van zijn Virginie, die niet meer hier was, maar heel, heel ver weg, in een wereld van enkel zalig licht en heilige vreugde. Zijn ziel staarde naar omhoog, en hoorde als van heel ver het lied :
„Neen, niet van de aarde "
Soms was 't hem, of hij niet hier was in 't huis van een doode, maar in een hooge wereld van enkel leven zonder dood en rouw. Slechts een uitbarsting van smart bij den ouden heer riep hem dan terug om den treurenden een kort woord van goede vertroosting toe te spreken, of ook met enkel gebaar hun leedgevoel te stillen.
Doch nauwelijks was 't weer stil geworden, of hij dreef weer weg en omhoog en mat den afstand tusschen het hier, waar zij met hun drieën waren en het daar, waar Virginie nu leefde, een afstand van — Ja, van hoeveel of van hoe weinig jaren ?
Den anderen dag lag de doode in de kist, en daarmee had het verscheiden der geliefde voor den ouden vader en voor Marie al weer meer zekerheid verkregen. Zij begonnen zich nu te beklagen, dat ze niet altijd voor die lieve Virginie waren geweest, wat ze voor haar hadden kunnen zijn, dat ze niet immer haar wensch hadden ingewilligd en dat ze nu niets meer konden overdoen, herstellen, dat ze zelfs haar niet meer om vergeving konden vragen, dat greep hen zoo pijnlijk in 't hart en verzwaarde zoozeer hun leed.
Doch ook dan had Paul stillende woorden voor de twee bedroefden, door er hen op te wijzen dat de beste Christen alle werk slechts zeer gebrekkig deed, maar dat alleen Christus voor Zijn kinderen alles volkomen goed had gedaan.
Langzamerhand herstelde zich Marie van den schok, en dat was in Pauls oog een gunstige beschikking Gods over den ouden heer, die hoe langer hoe meer van streek was geraakt en zich nu weer door de liefdevolle deelneming van haar liet stillen, meermalen enkel door de woorden :
„De Herder waakt en zorgt : wij doen nu zoo maar voort."
„O ja — zei de oude man dan meerma­len — dat heeft Dilleman ons geleerd."
Na de begrafenis, en nadat al de familie weer was heengegaan, werd de leegte overal in huis en tuin met triestige pranging van veriatenheid door de achtergeblevenen gevoeld. Want nu was de door allen zoo geliefde nergens meer, ook niet in die kamer, waar men ze gisteren nog geweten had. Ze was heen om nooit meer terug te keeren.
Men deed wel weer voort, en elk schreide soms nog slechts in 't verborgen en vertoonde zich niet weer aan anderen, dan nadat men ook de laatste teekenen van smart goed had afgewischt ; men vroeg en antwoordde elkander, en wilde doen, alsof 't in 't hart al weer stil werd, maar — de stille droefheid bleef. Want z ij was nergens, ook niet in haar kamer, en ze zou nooit terugkeeren ! Zoo leeg en veriaten als 't nu was, zóó zou 't nu altijd blijven !
Mijnheer August van Olmwold en mevrouw zouden door hun tegenwoordigheid eenige dagen het gemis van Virginie voor den ouden vader vergoeden, en als de grijsaard rustig was geworden, ging mevrouw alleen naar haar eigen gezin om haar zoon nog een paar dagen bij vader te laten.
Paul bracht er iederen dag den geheelen avond door. De oude heer zag reeds 's middags naar hem uit, sukkelde van de eene kamer in de andere, ging nu en dan naar de deur, om uit te zien, of Dilleman niet haast kwam, en werd eerst geheel rustig, als hij naast hem zat. Als het Paul eenigszins mogelijk was, liep hij ook 's morgens, en soms evenzeer 's middags even het slot in en 's Zondags was hij er geheel thuis. De familie wist voor den ouden heer niets beters dan hem onder de trouwe hoede van Marie te laten, waar hij heel zijn leven had doorgebracht. Men wist al lang hoe hij aan Marie als een eigen kind hing en merkte nu bovendien den heilzamen invloed van Pauls omgang met den ouden heer. Menige korte wandeling maakten ze met hun drieën, en hielden de huishoudelijke zorgen Marie soms thuis, dan wandelden mijnheer en Paul gearmd met hun beiden.
't Meeste denken was over Virginie, en nu en dan werd haar naam — steeds met de teerste piëteit — genoemd. Mijnheer en Marie misten haar nog altijd. Paul niet. Zooals hij haar jaren lang in zijn bezit had gehad, na haar ééns gezien, gehoord, en haar zacht streelende hand gevoeld te hebben, zóó bezat hij haar nog. Toen was ze voor hem ergens, waar het te teer, te rein, te schoon was voor menschen van de aarde, en nu was ze daar wezenlijker dan ooit. Toen dreef een vaak onbewust verlangen hem naar 't onbekend geheimzinnige, waar hij haar in haar bovenaardsch element thuis dacht, nu lokte hem telkens het zalige ginder, waar Virginie aan 't hart haars Heilands rustte en den dag der wederoprichting aller dingen verbeidde.
Iets daarvan teekende zich af op zijn gelaat, glansde uit zijn oog en verzachtte soms zijn stem. Hij dacht en sprak gaarne over de eeuwigheid.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's