Na dezen 't verstaan.
Wanneer 'k mag betreden Mijn pad, op mijn schreden Steeds smeekend : wil Gij Mij, Heere, aanschouwen, Op U doen vertrouwen, Leidt Gij m' aan Uw zij.
Kan niets mij ontrooven 't Vertrouwen, 't gelooven, Dat al wat 'k ontmoet, Door Hem wordt gezonden. En klinkt telken stonde : Wat Gij doet is goed.
Maar 'k ben telkenmale Geneigd af te dwalen Van Hem, voort te gaan Op Hem niet meer wachtend, Doch zelve dan trachtend te banen mijn paan.
Dan wordt 't op mijn gangen Zoo donker, zoo bange. Valt 't voortgaan zoo zwaar. Dan kan ik niet stille Vertrouwen : Zijn wille Is 't, al wat 'k ontwaar.
Dan vraagt, bitter, 't harte: Waarom al die smarte, Die droefheid en druk ? Waarom wordt in 't leven Mij dat slechts gegeven ? Waaarom geen geluk ?
Waarom, ga 'k dan vragen, Moet ik dat toch dragen, Bij 't treên op mijn paan ? En 't klinkt weer van Boven : Gij zult: wil 't gelooven, Na dezen 't verstaan !
Dat doet dan weer buigen, Berustend betuigen : Gij weet hoe het moet; Leer, Heere, dan stille Vertrouwen : Uw wille Is goed, wat G' ook doet.
COR.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's