De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

 Dat beviel den ouden heer bijzonder, en meermalen als Paul sprak van eeuwig zalige gemeenschap met Christus en al de volmaakte rechtvaardigen, van 't allerheerlijkst leven in 't eeuwig zien en kennen van God en Jezus' Christus, — als Paul daarvan sprak, zoo warm, zoo verlangend, dan zei mijnheer soms :
„Dilleman ! gij spreekt geheel als Virginie !" Meermalen hoorde en zag ook Marie dat. Met wonderlijk welgevallen zag ze dan Paul aan, en toch — terwijl 'n onbeschrijfelijke tinteling van geluk haar ziel vervulde, kon ze een diepen zucht niet inhouden.
Eens hoorde hij dien zucht, en haar liefdevol aanziende, zei hij : „Marie !"
Toen pakte ze zijn hand en weende. Want zij dacht er aan, dat de Heere ook dezen geliefde haar ontnemen kon. En dan !

HOOFDSTUK XXX.
De villa naderde haar voltooiing.
leder, die recht had, om daarin mee te spreken, verzekerde, dat zeer ver in den heelen omtrek geen enkel gebouw het in architectuur bij dit werk van Paul Dilleman kon halen. Mijnheer en mevrouw Frederik Terlingen-Boss waren er geheel mee in de wolken. En was Paul de trots van zijn Delberger en Winnewouder vrienden, den vader was het geluk over zulk een zoon vaak al te machtig. En hoe meer naam zijn eenige jongen kreeg en hoe edeler deze zich jegens zijn vader toonde, hoe pijnlijker het hem smartte, dat hij dat eenig kind zoo aan zijn lot had overgelaten. Immer nog spande hij zich in, om zijn misdaad goed te maken.
Soms dachten Marie en Paul aan trouwen ; soms spraken ze er over. Zoolang Virginie leefde, was een huwelijk onmogelijk geweest, en nu — ja, nu zat men met den ouden heer Van Olmwold.
Want die wilde nu altijd „zoo maar voort doen", tot de Heere ook hem opriep.
Mijnheer en mevrouw August van Olmwold spraken er meermalen met Marie, en met Paul ook, over, soms in tegenwoordigheid van den grijzen vader, hoe 't nu toch moest. Mijnheer en mevrouw meenden, dat de „jongelui" hun huwelijk niet moesten uitstellen om den ouden heer ; ze hadden 't al zoo lang gedaan terwille van freule Virginie ! Doch telkens als er over gesproken werd, om maatregelen te nemen, liep het er op uit, dat men 't nog eens een paar weken zou overwegen, terwijl de oude vader nooit van iets anders sprak dan van „zoo maar voortdoen ; de Herder zorgt en waakt."
Zoo ging stil de winter voorbij.
De koetsier had het altijd druk. Twee-, driemaal in de week had hij in te spannen voor een ritje naar Marie's ouden vader en moeder, om te informeeren, hoe het daar was gesteld, en er wat goeds voor hen te bezorgen. Dan ook reed hij meermalen meteen door naar Winnewoud, en soms ging Paul mee. Een paar maal bracht de koetsier den ouden Dilleman voor een dagje mee. Want de oude heer Olmwold moest altijd onder toezicht zijn, of van Marie, of van Paul, zoodat Marie in 't geheel niet meer van huis kon en Paul er al zijn vrije avonduurtjes sleet, en er overdag meermalen aanliep.
Mijnheer en mevrouw A. van Olmwold liepen op „Vierspronck" af en aan en dachten er over, om, in overleg met hun vader zelf het voorvaderlijk slot te betrekken ; dan kon de oude heer naar zijn wensch blijven waar hij 't liefst was, en Paul en Marie behoefden hun huwelijk niet langer uit te stellen. De Van Olmwolds zouden zorgen voor een nette woning in de nabijheid voor 't jonge paar, opdat zij en de oude heer heel gemakkelijk, zoo vaak ze wilden, elkander konden ontmoeten, wat men voor de rust en den welstand van den ouden zenuwpatiënt noodig oordeelde.
Zóó kwam de lieve Mei in 't mooie woud van Berndijk. De architect kon met tevredenheid naar de voltooide villa zien ; slechts aan den tuin, den vijver en de brug daar over, was men nog druk bezig, 't Paste zich alles zoo rustig en goed aan bij de zeldzaam schoone omgeving, en toch onder scheidde het buiten zich merkbaar van al­les, wat er in den omtrek was te zien. 't Was iets zoo eenigs, dat het ieders aandacht trok.
Voor de Berndijker burgerlijke gemeente, in opdracht van den Burgemeester, had Paul Dilleman zich ook reeds verdienstelijk gemaakt door een eigen plan voor een wees en armenhuis, en één voor een school. Met zijn aanstelling als gemeente-architect wilde men hem vereeren op zijn naderenden trouwdag.
Marie was buitengewoon goed bedacht door de freule, en kon er op rekenen, dat bovendien de oude heer haar een financieel, onbezorgd leven in zijn testament verzekerde.
Mevrouw Van Olmwold zorgde mee voor den uitzet van Marie, alsof ze een kind des huizes was, en de bruiloft zou op 't slot gevierd worden.
„In 't zoetste van der Meien tijd, als al de wereld lacht en vrijt", waren Marie en Paul bruid en bruidegom. Zoo gelukkig als een bruidspaar zijn kon. De toekomst lachte hen zoo vriendelijk toe. Ze voelden zich één met de natuur, die de knellende winterboei ontworsteld, een nieuw leven van groei en bloei, van vrijheid en blijheid tegemoet ging Gelijk de wereld om hen was, zóó was 't in hun harten, waar 't dankend bad en biddend dankte. Ze zagen zoo duidelijk, hoe wonderlijk hun God hen beiden had geleid uit de diepte naar omhoog, uit een kommervolle jeugd naar 't groote geluk van het heden. Maar 't allerreinst lachte in hen de bewustheid, dat ze beiden den Heere toe­ behoorden en de dood hen niet van elkander zou verwijderen. Hun beider leven zou Christus zijn, gelijk het tot nu toe was, maar voller, krachtiger, rijker, want ze zouden nu altijd samen zijn, naast elkander, de een den ander steunend, leidend, bemoedigend en vertroostend. Maar daarom zou ook — eens — hun beider sterven gewin zijn.
Deze twee spraken in hun bruidsdagen vaak over sterven. Omdat de oude heer zoo dikwijls den naam zijner jong gestorven vrouw en van zijn dochter Virginie noemde ? Soms scheen het, dat hij zijn lang vervlogen bruidsdagen herleefde ; soms, of hij zijn huwelijksdag verbeidde als het eind van alle leed en smart, en als het begin van een eeuwige hereeniging met de beiden, die hij overal miste. De dood sprak met zoo heldere stem hier op Vierspronck, maar omdat het de dood van in Christus herleefden was, die hier sprak, klonk die stem als een liefelijke klank uit de hemelen.
Als de grijsaard. Marie en Paul over sterven spraken, speelde er een wonderlijke glimlach om hun lippen en glansde er een zeldzaam licht uit hun oog. Want voor alle drie was het hoogste, het allerhoogste: eeuwig bij hun Heiland te zijn.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's