Kerk, School, Vereeniging.
NEDERLANDSCH HERVORMDE KERK.
Beroepen te Waarde H. Bogers te Zoelen ; te Hoek van Holland E. D. G. van der Horst te Ter Heijde ; te Made F. G. H. Nicolaï, cand. te Utrecht ; te Rijnsaterwoude A. J. Hoekzema, cand. te Nijkerk ; te Stedum G. Grootjans te de Meern ; te Oudelande M. J. Beukenhorst te Sluis ; te Zierikzee G. J. Waardenburg te Hansweert ; te Oud-Beijerland A. C. Enkelaar te Hasselt ; te Blijham O. J. Reinders te Koeten ; te Amstelveen J. Vermeulen te Noordwijk aan Zee.
Aangenomen naar Ankeveen C. M. Veenhuizen, cand. te Utrecht,
Bedankt voor Broek op Langendijk G. Grootjans te. de Meern ; voor Kamperveen W. Zijlstra te Neerlangbroek.
GEREFORMEERDE KERKEN.
Beroepen te Hendrik-Ido-Ambacht A. B. W. M. Kok te Wommels.
CHRISTELIJK GEREFORMEERDE KERK.
Beroepen te Vlaardingen D. Driessen te 's-Gravenzande.
De Herv. Kerk te Amsterdam. Blijkens het verslag in het Predikbeurtenblad kwam in de laatste vergadering van den Kerkeraad der Ned. Herv. Gem. te Amsterdam in behandeling het Concept van een namens den Kerkeraad uit te geven en te verspreiden brochure over de Eucharistie ter gelegenheid van het a.s. Eucharistisch Congres. Zij zal worden gepubliceerd op een voor die gelegenheid uit te geven extrabijblad van het Predikbeurtenblad. Het concept wordt in handen gesteld van een tweetal predikanten, die zich met de uitvoering van dit plan zullen belasten.
Door de Commissie van Advies inzake eene gewijzigde regeling der Jongeliedenbeurt werd een tweede rapport ingediend, waarin op splitsing van de jeugd werd aangedrongen. De Kerkeraad besloot in beginsel hiertoe over te gaan.
De Commissie zal opnieuw rapporteeren omtrent de uitvoering van dit besluit, waarover de meeningen uiteenloopen. In het algemeen wordt voor eene schifting in jongeren boven en beneden 16 jaar het meest gevoeld. Doch over de plaatsen, waar de samenkomsten zullen gehouden worden, bestaat verschil. Sommigen, vasthoudende aan de idee, dat een „Jongeliedenbeurt" een bijeenkomst is voor de rijpere jeugd boven 16 jaar, wenschen die in de Zuiderkerk te laten blijven en voor de kinderen eene andere gelegenheid te zoeken. Anderen zouden de jongeren liefst in de Zuiderkerk willen laten, en de Jongeliedenbeurt overbrengen naar een onzer kerken in het centrum der oude stad, , bijv. de Oude of Noorderkerk.
In de maand Juni zal de Commissie opnieuw advies uitbrengen en de Kerkeraad een decisie nemen.
Bij het nemen van bovengenoemd besluit gold bij de meerderheid in sterke mate de overweging, dat het gewenscht is, de godsdienstige samenkomsten der jongeren op den Zondag in kerkelijke banen te leiden.
— Volgende advertentie lazen wij in het Predikbeurtenblad :
„Tal van leden der Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam zien, dat door de leiding van het Centraal Comité der gezamenlijke Vriendenkringen de Gemeente wordt verscheurd en dat tengevolge daarvan twist en tweedracht wordt gekweekt in plaats van liefde en eendrachtig samenwerken tot heil der Kerk.
Zij meenen daarom te moeten komen tot het oprichten van een nieuwe Kiesvereeniging, welke zich ten doel stelt :
I. De bevordering van het om beurten beroepen van Predikanten der Gereformeerde, Kohlbruggiaansche en Gonfessioneele richtingen, welke Predikanten zullen worden aangewezen bij meerderheid van stemmen door de leden der vereeniging ;
II. Het werk der Kiesvereeniging niet dienstbaar te maken aan eenige politieke partij, welke ook ; en verder alles te doen wat bevorderlijk is tot uitbreiding van Gods Koninkrijk in het algemeen en tot bloei van de Nederd. Herv. Kerk in het bijzonder."
Woensdag werd in het Oranjehuis een vergadering gehouden.
De Herv. Kerkeraad van Utrecht. In de vergadering van den Kerkeraad der Ned. Herv. Gem. te Utrecht werd het voorstel van den heer Weener, om met het oog op de ontstemming in de Gemeente, gewekt door de aanvaarding van het Toorop-raam, waardoor de geestelijke belangen der gemeente worden geschaad, een commissie te benoemen met opdracht zich in verbinding te stellen met heeren Kerkvoogden en Notabelen, ten einde door bespreking te komen tot intrekking der genomen besluiten en van gedane toezeggingen, na breedvoerige discussie met meerderheid van stemmen verworpen.
Ingekomen was een verzoek om advies over een aanvrage om de Janskerk voor godsdienstige samenkomsten tweemaal per maand met de Protestantsche militairen, onder leiding van de legerpredikanten, welk verzoek gesteund wordt door een aanbevelend schrijven van den legerpredikant F. G. Peterse.
Na breedvoerige discussie wordt besloten heeren Kerkvoogden te adviseeren niet te voldoen aan het verzoek van de Legerpredikanten, omdat de Kerkeraad de verantwoordelijkheid voor de prediking van een legerpredikant, die niet predikt den Christus der Schriften, niet op zich kan nemen, maar tevens te berichten, dat gaarne een gunstig advies zou worden gegeven, als alleen leger predikanten optreden, die brengen een prediking als bovengenoemd, terwijl de Utr. Herv. Predikanten hen dan daarbij gaarne van dienst zullen zijn.
Bond Chr. Mulo-scholen. Bovengenoemde Bond heeft het volgend adres verzonden aan de Tweede Kamer :
Het Bestuur van den Bond van Chr. M. U. L. O. Scholen in Nederland, in spoedvergadering te Amsterdam bijeen ter bespreking van het Wetsvoorstel tot wijziging der L. O. Wet 1920, kennis genomen hebbende van de afwijzende houding door den Minisier van Onderwijs in de Memorie van Antwoord aangenomen tegenover de bezwaren in het Voorloopig Verslag der Tvvee de Kamer tegen het Wetsontwerp ingebracht, spreekt als zijn meening uit, dat ongewijzigde aanneming van dit Ontwerp van Wet voor het M.U.L.O. in het algemeen en voor het Chr. M. U. L. O. in 't bijzonder, met name voor het M. U. L. O. op het platteland noodlottige gevolgen zal hebben.
Deze meening is gegrond op de navolgende overwegingen :
1. Al mogen er hier en daar kleine U. L. O.-Scholen, Wet 1920, zijn, die geen voldoende bestaansrecht bezitten, de overgroote meerderheid dier scholen voorziet in een belangrijke behoefte van het platteland.
Veelal bieden deze scholen de eenige gelegenheid, om voortgezet onderwijs te genieten. Deze scholen zullen, ingevolge het voorgestelde nieuwe art. 28 in groote meerderheid van 3 mansscholen worden gedegradeerd tot 2 mans-of 1 mansscholen. Dat hierdoor aan het onderwijs, 't welk moet opleiden voor het M. U. L. O.-diploma, groote schade zal worden toegebracht, is onmiskenbaar.
In de meeste gevallen zal het niet mogelijk zijn het leerprogramma ook maar eenigszins tot zijn recht te laten komen.
2. Het vertrek van één der leden van het personeel, de eenige die een voor de school onmisbare bevoegdheid bezit, kan tengevolge hebben, dat heel de bestaansmogelijkheid der school wordt weggenomen, wijl hij door geen ander mag worden vervangen, tenzij op eigen kosten, wat in den regel tot de onmogelijkheden zal behooren.
Tevens is het Bestuur overtuigd, dat de splitsing der bestaande 9 klassige M. U. L. O.-Scholen, Wet 1878, zal leiden tot het tegenovergestelde van bezuiniging.
Vooral op het platteland voorzien deze scholen in een algemeen erkende behoefte. Bij splitsing in 2 scholen zal niet alleen meer personeel noodig zijn, doch zal tevens de 3-klassige kop, in een 4-klassige kopschool moeten veranderen, teneinde hetzelfde onderwijsresultaat te bereiken.
Bezuiniging kan er ook in gelegen zijn, dat de vrijheid behouden blijft of hersteld wordt, om personeel, aangewezen voor de klassen der L. S. in U. L. O. of omgekeerd werkzaam te doen zijn, voorzooverre deze scholen staan onder hetzelfde hoofd.
Dit zou bij vermindering van personeel, hetzij in de lagere of in de U. L. O.-klassen een belangrijk voordeel kunnen opleveren.
Hiertegen bestaat o.i. te minder bezwaar, omdat uit zoodanige vrijheid geen financieele nadeelen voor de schatkist kunnen voortvloeien.
Ten slotte vestigen wij Uwe aandacht er op, dat door het verbod van onderwijs in een der moderne talen in lagere leerjaren dan het zevende, de kosten van het onderwijs onnoodig worden verzwaard. Vele scholen toch zouden met een 3-jarigen cursus voor (M.) U. L. O. kunnen volstaan, indien in ten minste twee leerjaren der L. S. een moderne taal mocht worden onderwezen.
Bovengenoemd verbod dwingt de (M.) U. L. O.-Scholen een 4-jarigen cursus in te richten, omdat anders geen behoorlijk resultaat met het onderwijs in de moderne talen te bereiken is. Hierin meenen wij een bezuinigingsmaatregel te hebben aangewezen, die geen schade, doch enkel voordeel oplevert, wijl elke school vrij blijft, zich in te richten naar de behoeften der schoolbevolking.
Op bovengenoemde gronden, dringen wij er bij U ten zeerste op aan, zoodanige wijzigingen in bovengenoemd Wetsontwerp aan te brengen, dat aan de genoemde bezwaren wordt tegemoet gekomen.
Gereformeerd Schoolverband. Onder voorzitterschap van prof. dr. T. Hoekstra, uit Kampen, is te Utrecht de algemeene vergadering gehouden van het Gereformeerd Schoolverband.
Volgens het jaarverslag van den secretaris zijn aangesloten 332 scholen met 1609 onderwijzers en onderwijzeressen en 50432 leerlingen.
De volgende algemeene vergadering zal worden gehouden 20 Mei 1925 te Utrecht.
Aangenomen werd een voorstel van de commissie van uitvoering, bedoelende de regeling van het vaststellen van de inspectie op te schorten tot er met den aan de Vrije Universiteit te benoemen hoogleeraar in de paedagogiek overleg kan worden gepleegd.
De heer J. van Andel Jr. hield een referaat over het onderwerp : „In welken zin wenscht Gereformeerd Schoolverband herziening der Lager-Onderwijswet".
Spr. kwam daarin tot de volgende conclusies :
1. De lagere school worde gesticht en in stand gehouden, met financiëelen steun der Overheid, door de ouders der kinderen of wie deze daartoe willen machtigen.
2. De ouders betalen een door de wet vast te stellen proportioneel schoolgeld volgens eenvoudige regeling.
3. Alleen wanneer noch door ouders, noch door anderen tot schoolstichting wordt over gegaan, zal de overheid de stichting eener school ter hand nemen, maar steeds met de intentie deze zoo spoedig mogelijk aan een eigen schoolcommissie over te dragen.
4. De overheid steune het lager onderwijs :
a. door uitkeering van de door de wet vastgestelde jaarwedden der onderwijzers ;
b. door aanvulling (zoo noodig).van het totaal der opgebrachte schoolgelden (volgens 2) tot een bedrag, hetwelk voor de exploitatie eener lagere school noodig geacht wordt, overeenkomstig regelen door de wet te stellen ;
c. door uitkeering van een per leerling vast te stellen bedrag voor schoolbouw bij de stichting van een nieuwe school.
5. De gelden onder 4a worden verstrekt door het rijk, onder 4b en 4c door de gemeente, met dien verstande, dat geen andere bijdragen van welken aard ook uit de kas der overheid aan eenige lagere school mogen worden verstrekt.
6. De rijksoverheid stelle matige eischen ten opzichte van de leervakken en inrichting der gebouwen.
7. Aan iedere schoolcommissie worde vrijheid gelaten de onderwijzers te benoemen, het leerplan vast te stellen, hooger schoolgeld te vragen dan het onder 2 bedoelde en deze hoogere opbrengst te besteden naar eigen goedvinden tot verbetering van het onderwijs (hoogere salarieering, betere leermiddelen, 7de leerjaar, kleinere klassen, enz.).
Over dit referaat vond eenige bespreking plaats. Besloten werd geen conclusie te nemen, maar het volgend jaar weder een uitspraak over de huidige onderwijswet te doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's