Stichtelijke overdenking.
Schijn en wezen
Als onbekenden en nochtans bekend, als stervende en zie, wij leven. Als getuchtigd en niet gedood." 2 Corinthe 6 vers 9.
Onbekenden, ja inderdaad, dat zijn ze, de kinderen Gods. Vraag het in onze groote steden, aan menschen die daar geboren en getogen zijn, en die u dus wel zouden kunnen inlichten, vraag hun: Wie zijn hier de kinderen Gods, waar wonen ze? Men zou u vreemd aanzien en menigeen zou niet eens begrijpen wat ge eigenlijk bedoeldet, laat staan nog u zeggen wie de kinderen Gods waren.
Vraag wie de rijksten zijn of de besten op het gebied van sport en dergelijke, ja, dat zal men u kunnen zeggen, maar de kinderen Gods, onbekend.
De wereld wist het niet, toen ze daar worstelend, in zonde en schuld terneder lagen. De wereld wist niet van hun zijn onder den toorn Gods. De wereld wist niet van hun hijgen en verlangen naar God als een hert naar waterstroomen. Onbekend.
Ook wist de wereld het niet, toen ze door Gods rijke genade in de ruimte mochten gaan en aan hunne zielen ondervinden :
„Zoo ver het West verwijderd is van 't Oosten Zoover heeft Hij om onze ziel te troosten, van ons de schuld en zonden weggedaan."
In alles onbekend.
Ook hun verdere weg, waarop zij geleid werden; hun aanvechtingen, hun strijd, hun in 's Heeren kracht overwinnen, hun donkere dagen, hun lichtende morgens, hun hoogten, hun diepten. In alles onbekend.
Onbekend vaak aan eigen huisgenooten ; „den broederen vreemd." En nochtans bekend.
Zie maar, daar ontmoeten ze, door den Heere geleid, anderen, die dezelfde ervaringen hadden als zij...En nauwelijks waren ze begonnen voor elkander hun hart uit te storten, of het was alsof ze elkander reeds jaren kenden. Al waren het dan Parthers en Meders en Elamieten, Cretenzen en Arabieren, nochtans bekend. Hun spraak maakt hen openbaar, 't Is de taal des Heiligen Geestes, die zij spreken. Maar wat nog meer zegt, bekend zijn ze bij den Heere in den hemel. Zelfs reeds van eeuwigheid afaan. Hun namen bekend, geschreven in het boek des levens, des Lams. Hun weg — bij Hem bekend. Hun bloed, hun tranen, hun lijden, hun vreezen, hun hopen, hun klagen, hun zingen, alles bij Hem bekend. „Ik ken de mijnen en word van de mijnen gekend."
Wat hindert het dan of de wereld niet van hen weet en ze daar onbekend zijn, heerlijke troost „nochtans bekend", bekend bij God.
Paulus noemt hen verder : „als stervende, en zie wij leven."
Ja, hun geheele leven niet anders dan een dagelijks sterven. Christus moet wassen, zij minder worden. Zooals zij het ervaren, worden ze dan ook niet sterker, maar zwakker, niet rijker, maar armer, niet heiliger, maar zondiger, niet zelfstandiger, maar hulpbehoevender.
Langzamerhand gaat al hun „ik kan, ik wil, ik zal" er onder.
Als stervende. Als iemand, die op zijn uiterste ligt. Soms schijnt er weer opleving te komen, zelfs beterschap in te treden, maar de inzinking daarna is des te dieper. Zoo ook bij Gods volk. Soms is het alsof die oude mensch weer geheel zal opleven en heer en meester worden, als ze uit zwakheid in zonden vallen, weêrkeeren tot de wereld. Maar daarna, als de Heere: weer te sterk wordt, daarna weer sterven.
als stervende „en zie, wij leven", zegt de apostel.
't Blijft „ik ellendig mensch" ; sterven tot het laatste toe ; maar 't is tevens „ik vermag alle dingen, door Christus die mij krachten geeft."
Stervende, en zie zij leven.
Christus leeft in hen, en daarom leven zij.
Maar het is dan ook een ander leven dan zij vroeger leefden. Hetgeen zij vroeger leefden met de wereld, dat was maar een schijn-leven, een leven, dat eigenlijk niet anders was dan een sterven. Maar een ander sterven, dan we zooeven bespraken, een sterven niet aan de zonde, maar een sterven door de zonde. Een sterven, dat indien de Heere niet door Zijnen Geest was tusschengetreden, zou eindigen in den eeuwigen dood.
Neen, dit leven niet een, leven kunstmatig in stand gehouden door de verdorven bronnen dezer vervloekte aarde. Maar een leven, gevoed door de Levensbron, die van Boven is ; in stand gehouden door het Manna, dat in den hemel is.
En dan „als getuchtigd, en niet gedood."
Sinds de zondeval is het een aarde, die vervloekt is, doornen en distelen. Beeld van de vele moeiten en zorgen en tegenspoeden, die de mensch in dit leven ondervindt.
En ook dit wordt den kinderen Gods niet bespaard. „Hun bestraffing is er vaak elken morgen." 't Wordt telkens aan hen vervuld, „in de, wereld zult gij verdrukking hebben", maar niet gedood. De tuchtiging, of liever de straf, het oordeel, waarmede de Heere tot de goddeloozen komt, is ten doode. Denk aan den zondvloed, aan de verwoesting van Sodom en Gomorra ; denk aan den verstokten Farao. Allen getuchtigd en gedood. Maar bij Paulus en al Gods kinderen is het „getuchtigd, en niet gedood."
O ja, als die tuchtiging daar is, als het is slag op slag, als het is het eene onheil op het andere, dan is dat „geen zaak van blijdschap" en toch, „welke zoon is er, dien de Vader niet kastijdt ? "
En het einde ? Niet gedood. Integendeel, het wierp van zich „een vrucht der gerechtigheid."
Niet gedood, 't Werkt alles voor hen mede ten goede. Zoodat in het eind met den dichter getuigd kan worden :
„De Heer wou mij wel hard-kastijden, Maar stortte mij niet in den dood ; Verzachtte Vaderlijk mijn lijden, En redde mij uit allen nood."
L. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's