Eenvoudige Bijbellezing
Een opziener dan moet onberispelijk zijn. ééner vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leeren. 1 Tim. 3 vers 2.
1 TIMOTHEUS.
Iemand die weinig voor zichzelf vraagt en veel voor anderen wil zijn. Een opziener moet matig zijn. Zeker, deze reeks van deugden geldt niet slechts voor de ambtsdragers. Wij wezen er reeds op. Er is slechts ééne zedenwet, die aan alle menschen tot een levensregel gegeven is. En als de menschen aan een predikant of ouderling eischen stellen die zij zelf met geen vinger willen aanroeren, betoonen zij hun eigen zelfzuchtigheid en zijn, zonder dat zij het zelf bedenken, in roomsche wateren verzeild, leder mensch moet matig zijn. Dit is een algemeene christen-plicht. Maar daarom moet een herder zijn, Gemeente ook daarin voorgaan. Wel te preeken over het dooden van de begeerten des vleesches, maar ondertusschen zelf de weelderige maaltijden begeeren, komt niet uit! Wij moeten niet vergeten dat het vasten een Bijbelsch begrip is en niet maar een roomsche voorstelling bevat. De Heere Jezus zeide toch ook dat „dit geslacht niet uitvaart dan door bidden en vasten." En van dit bidden en vasten spreekt ook de apostel in den brief aan de Corinthiërs. De Hervorming heeft het vasten als kerkelijke verplichting opgeheven, maar wil niet zeggen, dat er nu niet meer mee gerekend moet worden. Lichaam en geest hebben een innig verband en alle „overmatige zorg" voor het lichaam schaadt het welzijn van de ziel. Laat in ieder geval de geest van het Bijbelsche voorschrift aangaande 't vasten en bidden in het midden der N.-Testamentische Gemeente wonen ! Het worde niet vergeten, dat het de leuze is der wereld : laat ons eten en laat ons drinken en laat ons vroolijk zijn, want morgen sterven wij. Een christen moet matig zijn en daarom ook een opziener. Ook hierin toone hij dat hij niet veel voor zichzelf vraagt.
Ook moet hij eerbaar zijn. Dat ziet meer op het uiterlijke verschijnen van den opziener. Bengel zegt het weer zoo mooi en zoo kort in zijn Gnomon : „innerlijk matig en uiterlijk eerbaar." Een ambtsdrager moet eerbaar in zijn woorden zijn. Alle „zot geklap" dat slechts dient om den lachlust op te wekken, misstaat een opziener. Hij moet in elk gezelschap de eer van zijn ambt weten hoog te houden, al behoeft hij er niet altijd te preeken. Hij mag best eens luimig, geestig zijn, zoodat er hartelijk gelachen wordt om wat hij zegt, maar zóó dat alles met „zout besprengd" is. De discipelen moeten door hun geloof het zout der aarde zijn. En dat zout mag in niets gemist worden. Eerbaar moeten de opzieners zijn.
Natuurlijk hebben wij hierbij ook aan de kleeding te denken. Dit geldt weer voor elk christen. Maar een herder moet ook hierin zijn schapen weer voorgaan. Nu is een eerbare kleeding niet hetzelfde als eene ouderwetsche kleeding. Er zijn menschen, die een predikant gaarne zien in eene kleeding, die uit de oude doos is. Met den steek en met de korte broek. Alleen vergeet men, dat een dergelijke klleeding voorheen de meest gewone, ja, eerst de meest wereldsche, mondaine was. Nu is zij uit den tijd geraakt. Maar een ambtskleeding is zij nooit geweest. Trouwens het protestantsche Christendom kent geen ambtskleeding. Maar toch zijn er menschen, die gaarne zien dat een dominé een paar eeuwen ten achter is in zijn kleeding. En dat noemen zij dan eerbaar ! Een predikant echter, die aan dien wensch voldoet, wekt onwillekeurig de gedachte dat het Evangelie ook „uit den tijd is en geen taak meer heeft in den tegenwoordigen tijd. Eerbaar moet een opziener zijn, ook in zijn kleeding. Eerbaar in den tijd, waarin hij leeft, waarin God hem plaatste. Er zijn nog steeds menschen die bij den protestanten leeraar een soort ambtskleed begeeren. Niet alleen als hij op den kansel staat, maar ook als hij zijn herderlijk werk verricht. Ik heb eens met ernst hooren beweren : zoo'n dominé met een hoogen hoed en een witte das is een versiering voor ons dorp ! Ach, laat men in deze dingen toch waar en eerlijk zijn ! Zou de reismantel van Paulus van een anderen snit zijn geweest dan men in zijn tijd droeg ? Ik geloof het niet. Eerbaar in de kleeding wil zeggen dat men is zooals elk christen hierin moet zijn. Alle buitensporigheid zij hierbij geweerd. Een ambtsdrager verschijne niet half gekleed of in een sportkostuum. Hij moet een kleeding dragen, waarmede hij komen kan in de huizen der aanzienlijken. Maar het is niet in de eerste plaats in 't kleed gelegen dat men draagt, maar wel in het woord dat men spreekt en in het getuigenis dat men aflegt. Dan schame men zich het Evangelie van Jezus Christus niet. Dan bedenke men dat aan Christus Zelf het kleed ontrukt is en dat Hij de schande heeft veracht om zondaren te redden. Dat Evangelie is het sieraad van de ambtsdragers. Daarvoor leven zij. Daarop hebben zij hun heerlijke roeping.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's