De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Maar ik z.al in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op den Naam des Heeren betrouwen. Zefanja 3 vers 12.

Een ellendig en arm volk.
De wegvoering van het volk van Juda in den staat der ballingschap was als straf op de zonden des volks. Deze geschiedde niet aleer God door Zijne profeten het volk gewaarschuwd had tegen de benauwde tijden, die aanstaande waren. Een der laatste profeten was Zefanja, welke leefde onder Koning Josia.
De inhoud zijner profetieën was in de eerste plaats het teekenen der zonden van het volk van Juda, vervolgens de oordeelen Gods en ten slotte de troost voor het overblijfsel naar de verkiezing der genade.
De verbolgenheid des Heeren zou des te heviger zijn over de zonde, daar het geregeerd werd door den vromen koning Josia. De gerichten des Heeren worden deswege aangekondigd, maar in het derde hoofdstuk vermeldt hij bemoedigende voor zijn verdrukt volk.
Wij zien des Heeren bemoeienissen in kwade tijden en wel zooals de tekst aanduidt, met een arm en ellendig volk, want Hij zal wegnemen die van vreugde opspringen over uwe hoovaardij, maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een arm en ellendig volk, die zullen op den Naam des Heeren betrouwen.
Het is dat overblijfsel, de keurbende Gods, die daar leeft te midden van een wereld, die in het booze ligt.
Al het aardsche. is aan de vergankelijkheid onderworpen, maar de Heere zal voor Zijn Kerk zorgen en de poorten der hel zullen haar geenszins overweldigen. Het leven van Gods volk is moeilijk hier beneden ; evenwel mogen zij moed scheppen uit het woord van den Koning der Kerk : In deze wereld zult ge verdrukking hebben, maar hebt goeden ni'oed, Ik heb de wereld overwonnen.
Maar ze zijn slechts weinigen in getal, die door Gods genade tot dat overblijfsel mogen behooren. Een handvol in vergelijking met de wereld, maar toch zijn ze een wereld ten opzichte van zichzelve, want ze zijn uit de wereld genomen. Inderdaad zijn ze slechts een paar ranken uit den wijnstok, of zooals Jeremia zegt : „Een uit een stad, twee uit een geslacht (Jer. 3 : 14). God zal echter voor de Zijnen zorgen en alhoewel zij weinigen zijn, hen beveiligen voor ramp en leed, want staan ze niet in eigemdomsbetrekking tot Hem ? Een aardsch vader heeft zorg voor zijne kinderen, maar nog meer de Hemelsche Vader voor Zijn uitverkorenen. Evenals er muren zijn rondom Jeruzalem, is de Heere rondom Zijn volk van nu aan tot in eeuwigheid.
In Zefanja's dagen zouden de oordeelen over Juda komen, maar Zijn gekenden zal de Heere noch begeven, noch verlaten. Heeft de Heere dat niet telkens getoond? Toen God de oude wereld wilde vernietigen, moest Noach in de ark gaan en Lot werd gedwongen Sodom te verlaten, daar de maat van Gods toorn vol was.
Wanneer de Heere straks brengt in den dag der dagen een algeheele vernietiging, zal Hij dat overblijfsel vergaderen uit alle geslacht èn taal èn volk èn natie.
Een gedenkboek ligt voor Hem, al hunne namen zijn erin gegraveerd. Niet één van hen kan omkomen ; hunne tranen, hunne voetstappen, hunne dagen zijn geteld.
Een bijzondere zorg heeft de Heere ten allen tijde voor Zijn overblijfsel, want zooals Christus zegt: Ze zullen niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken." Donkere tijden zijn er altoos voor Gods volk geweest, wanneer het in duistere wegen moest treden en betrokken worden in dezelfde oordeelen als de goddeloozen. Maar alle dingen - ook de kwade tijden — moeten medewerken ten goede, n.l. voor diegenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. De Heere zal toch verheerlijkt worden door Zijn eigen werk. De wereld moet weten, dat Hij hunner gedachtig is, zooals, het heet in Psalm 126 : 2, dat de heidenen zeggen : „Voorwaar, de Heere heeft groote dingen aan dezen gedaan." Ofschoon zij lijden, in ballingschap zijn, in vernedering zich bevinden, juist in dit lijden zal de glorie van Gods volk uitkomen. Blonk de heerlijkheid van Gods Kerk niet luistervol, toen Daniël in Babel was, en de drie mannen geworpen werden in den oven ? De smeltkroes der verdrukking werd wel heet gestookt, maar de trouw des Heeren was rondom hen.
Wanneer de wateren der verdrukking hen dreigen te verzwelgen, staat Hij aan den oever en steekt de reddende hand der verlossing uit. Christus draagt de Zijnen op het hart, evenals de Hoogepriester des Ouden Verbonds de namen der stammen Israels droeg op de borstlap, en daarom, hoe kan Hij dan de Zijnen vergeten ? Mogen de koninkrijken der aarde vernietigd worden, de wereld met al het kostbare vergaan; God zal Zijn uitverkoren bezit beveiligen. Immers Hij zegt: Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk." Een ellendig en arm volk, dat is hun staat en toestand, waarin al hunne omstandigheden in deze wereld vervat zijn. Het is zooals het Hebreeuwsche woord aangeeft een bedroefd en uitgeput volk, een verzwakt en krachteloos volk. Maar desniettegen staande hun druk en-tegenspoed dn deze wereld, ligt hierin een zegen verborgen. Want de Heere doet wel overblijven een arm en ellendig volk in zichzelf, maar het is toch rijk in God ; zij zullen betrouwen op den Naam des Heeren. De staat van Gods vdk op aarde is meerendeels bedroevend en arm in zijn uitwendige bedeeling. Voorwaar, er zijn dagen van goede boodschap, maar het meest gaan de kinderen Gods in deze wereld onder wolken van donkerheid. Maar hoe zou het anders kunnen, daar hun Hoofd en Middelaar worstelde in het strijdperk van "dit" leven voor het behoud van Zijn volk, in een staat van de diepste vernedering en moeten daarom dezulken, die door God verkoren zijn, niet denzelfden staat van vernedering ingaan, zullen zij het heil verkrijgen dat Christus heeft verworven ? Het lichaam moet gelijkvormig gemaakt worden aan het Hoofd in den Hemel. „Van mijn jeugd af", zegt de dichter, „hebben zij mij benauwd, ploegers hebben op mijn rug geploegd, zij hebben hunne voren lang getogen." (Ps. 129 : 3). De Heere in Zijn wijsheid weet zoo goed, dat ze aldus gedrukt hun pad moeten gaan, al gaat het ook tegen vleesch en bloed, want een weelderig leven zou hun vertrouwen op God verzwakken en henzelf verhoovaardigen. Gelukkig dat de Heere weet wat maaksel wij zijn, gedachtig dat wij stof zijn.
Zooals ge ziet, heeft de Heere reden om alzoo met de Zijnen te handelen en God moet gebillijkt worden in Zijn heilig recht, wanneer Hij zulk een weg der vernedering met ons komt te houden. Hij weet alleen wat goed is voor de ziel en wanneer Gods kind zijn weg moet bewandelen in armoede en druk, straks zal de druk veranderd worden in geluk.
Waarom worden arm en ellendig met elkaar vereenigd? Wel hierom, omdat armoede is ellendigheid en ellendigheid gepaard gaat met armoede. Deze toestand brengt vernedering met zich en is een droefheid op zichzelve. Er wordt hier bedoeld geen arm zijn naar de wereld, doch „arm van geest", zij, die het verstaan te zoeken niet de schatten dezer wereld, maar hebben geleerd in de school des Heiligen Geestes dat zulk een arm zijn kan vervuld worden met de weldaden van Christus.
God heiligt ellende en armoede als het inwendig goed der ziele van Zijne kinderen. Droefheid en armoede des geestes zijn een macht om ons tot God te brengen en om op te richten als wij gevallen zijn. Zij doen ons tot onszelf inkeeren, zooals wij zien in Manasse en den verloren zoon. Daarom zijn de armen van geest in geenen deele te verachten, maar veeleer te benijden. Gods kind is rijk met hetgeen hij éénmaal zal beërven; hij heeft geluk en vrede en is rijk aan beloften, die in Christus Jezus ja en amen zijn, want alles is uwe, zegt de apostel, en gij zijt van Christus en Christus is Gods.
En zij zullen vertrouwen op den Naam des Heeren. In deze woorden ligt besloten, hoe Gods kind in druk en tegenspoed een Rots heeft om zich aan vast te klemmen. Naarmate de Heere gekend wordt, wordt Hij ook betrouwd. De Heere komt Zichzelven bekend te maken als Jehovah, de God des betrouwens, door Zijn Woord en Geest.
Daarom moet er ook een overgave der ziel meer en meer gevonden worden. Hij zegt zoo dringend: Doe uwen mond wijd open en Ik zal hem vervullen. In die fontein is meer voorraad dan wij voor onze dorstige zielen noodig hebben. En toch ondanks alles moet er genade in de ziel zijn om voor den Heere te verschijnen. Daar moet zijn eene ledige hand om te ontvangen wat de ziel behoeft. De ontmoeting van ledigheid en volheid, armoede en rijkdom, zwakheid en sterkte, geeft de schoonste overeenstemming. Op God te vertrouwen is zich geheel op Hem te verlaten in leven en in dood.
Daarom heeft Godd deze genade gegeven, als Hij zegt in den tekst: „Zij zullen betrouwen op den Naam des Heeren." En zij mogen tot Hem gaan als tot een genadig Vader in Christus. Hij is de Immanuël, de Rots der Eeuwen. Dat vast betrouwen op den Heere geeft kracht in moedelooze tijden, het is een macht om de ziel gerust te doen zijn, ondanks al 't verontrustende rond om haar. Wat buigt ge u neder, o mijne ziele en zijt onrustig in mij, zoo zegt David, maar de strijd werd bekroond, want de ontroerde wateren, geweldig in haar bruisen, werden kalm en effen, hij mocht met de taal des geloofs tot zijn ziel inkeeren en zeggen : „Vertrouw op God, Hij is uw God." Daarom kan Gods kind zich vastklemmen door het geloof aan de beloften Gods, die Hij niet laat varen.
Mogen wij nu gerekend worden tot dat ellendig en arm volk, dat op de Naam des Heeren betrouwt ?
De mensch, die rijk is, en geens dings gebrek meent te hebben en zijn verwachting stelt op deze wereld, zal in den dag der dagen zijn eeuwige armoede ervaren.
Zalig dan diegenen, die op dien groeten en heiligen Naam des Heeren mogen betrouwen en den dichter nazingen :
Als Ik, omrngd door tegenspoed, Bezwijken moet, Schenkt Gij mij leven.
L.

G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's