Uit het kerkelijk leven.
Het voorstel van de Bij-gemeenten.
II.
De N.R. Cour. is nu niet zoo héél hoopvol in betrekking tot dit wonderlijke voorstel van enkelen uit den kring der Hervormde Broederschap en velen van de Vrijzinnig Hervormden, met dr. Niemeyer als generaal.
Wij willen nu ook nog een en ander mededeelen uit een artikel van den modernen dominé van Breda, dr. Van Mourik Broekman, geschreven in het Weekblad voor Vrijz. Hervormden met dr. Niemeyer als generaal vooróp.
In den laatsten tijd was er gezegd, dat dit voorstel van de vrijzinnigen het laatste was, waar ze mee komen. Lukt dit niet, dan gaan ze heen !
Zoo werd gezegd. Waarbij wij eens gelachen hebben. Omdat er al zooveel heengegaan zijn, die dus niet meer behoeven te gaan ; en omdat zij die zeggen : dan gaan wij, toch niet gaan.
Hier over is min of meer een correspondentie in de liberale pers ontstaan tusschen de morne predikanten van Wijhe en van Mourik Broekman, waarbij de eerste zegt: als het voorstel niet aangenomen wordt, dan moeten wij, vrijzinnigen, toch maar in de Herv. Kerk „blijven voortmodderen", terwijl de laatste van andere gedachten is.
Laat ons nu iets van die gedachten van dr. van Mourik Broekman hier mogen weergeven. Hij schrijft :
„1. Ik zie in de Hervormde Kerk sinds jaren, versterkt in de laatste, een opschuiving naar rechts. Als hiertegen niet nu, door de aanneming van he pacificatie-voorstel, een dam wordt opgeworpen, hetgeen alleen kan, als de orthodoxe middengroepen positief uitspreken : Wij willen de vrijzinnigen in de Kerk behouden, dan verwacht ik voortgaande opschuiving naar rechts.
Als nu de ethischen niet beslist voor pacificatie optreden, dan voorzie ik, dat zij zich steeds meer van de vrijzinnigen zullen afwenden. Ik geloof, dat ménschen als ds. Hoek te Amsterdam in dezen niet de leiding zouden blijken te hebben, hoe gaarne ik het zou willen, en dat, mede door het vrouwenkiesrecht de massa, zelfs der gematigden, niet tot ons zou komen. De werkelijke sympathie — dit is een beteekenisvolle factor — gaat niét uit naar de vrijzinnigen.
2°. Inmiddels zie ik een verloop in de vrijzinnige geloofswereld van Hervormden voortschrijden. De toestand voor de groote steden is in vele gevallen onhoudbaar ; als er geen spoedige vooruitzichten geboden worden dan zullen de afdeelingen aldaar uiteenvallen of collectief iets nieuws beginnen. Men zal kunnen wachten tot na de beslissing over het pacificatievoorstel, maar daar na is het uit. De toestanden in de kleinere steden en op het platteland zijn veelal ook niet rooskleurig. Men moge tijdelijk nieuwe afdeelingen oprichten, maar niemand, die de innerlijke gesteldheden kent, zal daarvan te groote verwachtingen koesteren, daarop althans zijn toekomst-hoop bouwen. Het is helaas maar al te waar, dat de vrijzinnig Hervormden door te geringen gemeenschapszin, waaraan ten grondslag ligt te weinig geloofsbezieling, hun eigen bestaan in de Hervormde Kerk hebben ondermijnd. Historisch en principieel hebben de vrijzinnigen, naar mijn overtuiging, volle recht in de Hervormde Kerk, moreel hebben zij, als groep genomen, het bestaansrecht in menige gemeente verspeeld. Het is pijnlijk, dit te erkennen, maar is het niet de waarheid? "
Na die twee overwegingen ziet de schrijver dan op het heden en op de toekomst. En veronderstellend, dat het pacificatie-voorstel wel niet zal worden aangenomen zegt hij dan :
„Niet in een wanhoopsstemmihg, maar in een besef van verplichting om zelfs een groot offer te brengen, hetgeen het prijsgeven der Kerk zou zijn, tevens in het verwachten van goede dingen voor het vrij-rellgieuze geloofsleven — daarnim toch gaat het in diepste wezen — zou ik willen oproepen, om bij verwerping van het pacificatie-voorstel zelfstandig verder te gaan. Ik zie hierin deze mogelijkheden en voordeelen :
1. Men zal een schifting krijgen in eigen gelederen. Nu bestaat toch de malle toestand, dat iedereen, die krachtens geboorte of lidmaatschap tot de Hervormde Kerk behoort, en niet orthodox is, tot de vrijzinnigen wordt gerekend. Wat heeft men in een beweging aan de velen, die er niets of bijna niets voor voelen, een zeker groot getal opbouwen, maar verder niet ? De opinie van ernstige orthodoxe geloovigen zou veel gunstiger zijn, als zij niet altijd zagen op dien buitenmuur van onverschilligheid, uit vele steenen én niet zielen opgebouwd. Ons is noodig selectie.
2°. Bij verlies van menige gemeente en bij afname van het aantal leden, schijnbaar een groot verlies, zou dit gewonnen zijn, dat men innerlijk krachtiger kon worden. Door versterking van 't verantwoordelijkheidsbesef allereerst. Moet men bang zijn voor het kleine en onaanzienlijke ? Persoonlijk meen ik, dat de vrijzinnige beweging nooit een grooten volksaanhang kan krijgen — op zielkundige gronden vooral —, maar dat zij wel flinke degelijke kernen zal kunnen vormen. Daarin zal tot uiting moeten komen of waarlijk geloofskracht en bezieling bestaat. Het is bet oude probleem, dat een beweging toonen moet „uit God of uit menschen" te zijn. Het eerste alleen waanborgt toekomst.
3°. In zelfstandigheid zal men zich kunnen reorganiseeren, naar aanleg en behoeften. Ik wil handhaving in de Hervormde Kerk 't liefste, en stel hoog het dooreengaan en elkander beïnvloeden van de verschillende stroomingen in die Kerk, maar wanneer dit niet langer kan en niet langer gewild wordt door de meerderheden, dan zal het voordeel zijn, dat men de handen vrij krijgt om, zich afvragende of op dezelfde ouderwetsche wijze van kerkvorming en voorgangerschap; moet voortgegaan worden, in de toekomst meer ot minder ingrijpende veranderingen aan te brengen. Het zou wel kunnen gebeuren, dat men goede dingen vond en tot een nieuwe ontwikkeling van verhoudingen en inzichten kwam, die nu niet recht zich kunnen uiten, omdat men in een groot verband zit, waardoor initiatief tegengehouden wordt, zoo goed als verandering.
4. Een zelfstandige voortgang van vrijzinnigen zal den invloed op anderen, hun meer of minder verwant, niet opheffen, eerder zuiverder en misschien krachtiger doen worden, het is niet te duchten, dat in de Hervormde Kerk, ook als zij zich confessioneeler ging richten, aan den omtrek zich geen vrijere groepen bleven bewegen. Misschien zullen deze eens genoopt worden ook heen te gaan. In de federatie-idee schuilen mogelijikheden van verbintenis, maar de vrijzinnigheid zou sterker staan als zij zichzelve is geworden.
Eens zou zij, zij het klein naar omvang, toch van beteekenis kunnen zijn, en dan een zekere leiding kunnen nemen, terwijl zij thans in de groote Kerk een bijkomstigheid is. Wat gaat nu van haar uit dat eerbied afdwingt en een positie schept? "
Wij zouden zeggen : dr. van Mourik Broekman zegt hier veel ware, verstandige dingen.
Er is in de Hervormde Kerk een opschuiving naar rechts, in de steden en in de dorpen.
Er is een verloopen in en van de vrijzinnigen in de Hervormde Kerk. Zelfs wordt hier gezegd, „moreel hebben zij, als groep genomen, het bestaansrecht in menige gemeente verspeeld. Het is pijnlijk, dit te erkennen, maar is het niet de waarheid? "
Verder zegt hij, dat de vrijzinnigheid thans in de Groote Kerk een bijkomstigheid is en vraagt : Wat gaat nu van haar uit, dat eerbied afdwingt en een positie schept?
Allemaal ware dingen.
Waarbij wij zeggen: dat komt, omdat de vrijzinnigheid „niet uit God, maar uit menschen is." En 't komt ook, omdat de vrijzinnigen historisch en principiëel geen recht hebben in de Hervormde Kerk en slechts bestaan door „onwaarachtig geschipper" en „ellendig geknoei."
Waarom kiezen de vrijzinnigen tóch niet een „eigen" weg en een „eigen" Kerk?
Er teekent zich dan — volgens dr. Van Mourik Broekman —een zoo mooi verschiet aan hun oog af. Laat men het ideaal grijpen en niet „voortmodderen"!
Als slot zegt de schrijver nog : „Allicht zal gezegd worden, dat het alles te theoretisch is en de praktijk anders zal worden. Collega van Wijhe heeft geschreven, dat die en die gemeenten zich nooit zullen prijsgeven; anderen hebben geroepen : De velen, die van het kerkelijk vraagstuk nauwelijks weten, zullen zeggen : Wij blijven, laat ze praten. Ik ben ook maar een Profeet, die brood eet, predikanten-brood nog wel, maar als mijn vermoeden uitkomt, dat bij verwerping van het pacificatievoorstel de opschuiving naar rechts voortgaat, dan zou men wel eens gedwongen kunnen worden. Ik voorzie dan een ellendige periode; van grootendeels on-geestelijken strijd. In Arnhem zoowel als te Amsterdam verleden jaar is verklaard : Wij willen in de Hervormde Kerk blijven, maar op bepaalde voorwaarden. Welke, is niet gezegd.
Persoonlijk ben ik geneigd te zeggen thans: Op voorwaarde, dat wij niet geduld worden, maar in rechte erkend. Als bewijs daarvan aanvaarde de Kerk als geheel het pacificatie-voorstel; Ging de vrijzinnige beweging in de Hervormde Kerk dit positief uitspreken — in een besluit eener algemeene vergadering zoo mogelijk — dan zouden de linker-groepen der orthodoxie gedwongen zijn zich hiervan ook met het oog op haar eigen toekomst, rekenschap te geven, terwijl nu allicht gedacht wordt : voor ons zitten er geen consekwenties in. Niet als een bedreiging zij dit voorgesteld, maar als een oproep tot principiëeler en daadwerkelijke zuivering van toestanden.
Over een eventueel proces van uiteengaan heb ik wel mijn gedachten, maar deze behoeven in dit verband zeker nog niet
uitgesproken te worden ? "
Wij voor ons zouden die gedachten over „een eventueel uiteengaan" wel eens willen hooren. 't Komt ons voor, dat daar wel wat mee te beginnen is.
De Classicale agenda
A.s. Woensdag is de Classicale Vergadering. Dat niemand verzuime ; dat allen present zijn ! Friesland heeft verleden jaar geleerd, wat thuisblijvers bederven kunnen. Vooral bij de bestuursverkiezing moet, althans rechts, iemand ontbreken. We moeten roeien met de riemen die we hebben of de boot prijs geven. En dat doen alleen die moedeloos, zijn dat doen alleen lafaards.
Overigens is de Classicale agenda dun. Verschrikkelijk onbenullig. Misschien omdat men verleden jaar in de Synode op de groote Synode gerekend heeft en dus dacht, dat er heel andere toestanden zouden zijn nu, in ons kerkelijk samenleven. Helaas is dat verijdeld geworden; door de Waalsche Commissie die voor zoo'n onbenullig klein aantal Waalsche Kerken, met zoon buitengewoon klein aantal leden, veel te veel invloed heeft in de Synode en zoo onbescheiden en brutaal is, om van dien onevenredig grooten invloed steeds ten volle gebruik te maken, om de Hervormde Kerk in handen te spelen van de vrijzinnigen.
intusschen is de Classicale agenda dun.
En om den invloed van de Waalsche Kerken wat in te perken, is er reden te over.....
Wij achten het totaal overbodig de verschillende voorloopig door de Synode aangenomen voorstellen afzonderlijk hier te bespreken.
Dat verhooging van de quota noodig is door de wijziging in de samenstelling der Synode (zie voorstel V) vervalt natuurlijk geheel, want de samenstelling van de Synode is niet gewijzigd ! Voorstel VI, Regl. op het Pensioenfonds enz., is het belangrijkst.
Daarover schrijven we hieronder dan ook afzonderlijk.
Het Reglement op het pensioenfonds ten bate van predicanten der Ned. Herv. Kerk.
De Dordtsche Kerkorde heeft van ouds den weg gewezen ten opzichte van de verzorging van oude en gebrekkige predikanten, ook van predikantsweduwen en weezen. De plaatselijke gemeente heeft voor den emeritus te zorgen, ook voor de weduwe en de weezen.
Men weet, dat er onder ons niets van komt, van 't geen onze Gereformeerde vaderen wilden. En nu blijft de dominé totdat hij niet meer kan en sterft dan : of als hij emeritaat vraagt is het spoedig : uit het oog, uit het hart; en de plaatselijke gemeente doet niets voor de emeriti, noch voor de weduwen, noch voor de weezen. Dat is er in onze Ned. Hervormde Kerk van dit belangrijke stuk der verzorging van emeriti enz. overgebleven ! Met veel armoe en ellende voor de betrokken personen, als nasleep ; te veel en te vreeselijk om onder woorden te brengen.
Nu is er een ontwerp van wet, 't welk op de a.s. Classicale Vergadering ter tafel koMt, waarvan het doel en de opzet is : het scheppen van een mogelijkheid om bij volbrachten diensttijd van 40 jaren den predikanten een pensioen te verzekeren: En — de Kerkvoogden kunnen gerust zijn en behoeven niet te wapen te worden geroepen — de predikanten zelf zullen dat moeten betalen ; zij alléén ! Waarbij het Reglement, om de zaak eenigszins vastigheid te geven, de verplichting aan alle ^dienstdoende predikanten, die den leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt, oplegt om mee te doen.
Op bizonderheden gaan we hier niet in. we stippelen even de hoofdlijnen uit, en wel van die bovengenoemde verplichte deelneming.
En dan wordt vierderlei pensioen onderscheiden : l. emeritaats-pensioen tot een maximum van ƒ 1500.— 's jaars, bij emeritaat. na * 40-jarige ambtsvervulling 2. ouderdoms-pensioen eveneens tot een maximum van ƒ1500.—. Dat pensioen gaat in bij het bereiken van den 65-jarigen leeftijd ; 3. invaliditeits-pensioen, bij blijvende algeheele invaliditeit van den deelnemer ; 4. weduwen-en weezen-pensioen, 't welk éénderde bedraagt van het emeritaats-of ouderdomspensioen (dus maximum ƒ 500.—).
De normale premie voor dit pensioenfonds is ƒ250.— per jaar, welke geldt voor die verplichte deelnemers, die op 25-jarigen leeftijd worden ingeschreven en die op dat oogenblik gehuwd zijn. De verplichte deelnemers die ouder zijn enz. moeten ook hooger jaar-premie betalen, tot ƒ 300.—-verhoogd. De bij-bepalingen, in deze, welke allerlei schommelingen geven, slaan we hier maar over.
In een slotartikel wordt gezegd, dat de winst bij dit fonds, voortspruitende uitgiften, schenkingen, legaten enz. aan de verplichte deelnemers ten goede komt.
De verplichte deelnemers zullen bij aanneming van het Reglement met Jan. 1925 moeten beginnen te betalen ; in normale gevallen zal de totaal premie dan 40 jaar lang ƒ250.— per jaar zijn = ƒ l0.000; —, door de predikanten zelf te betalen, om na 40 jaar trouwen dienst zichzelf dan ƒ 1500.— per jaar pensioen te verzekeren.
Is de premie (rente op rente gerekend) niet te duur ? en is het bedrag, dat als pensioen uitgekeerd wordt, niet te laag ? Zullen de predikanten dat kunnen betalen?
't Is weer de oude kwestie : de kring van deelnemers is te klein, dan wordt de onderneming te duur.
Met gevolg — dat er wéér niets gebeurt, ter verzorging van emeriti; van zieke, oude of jongere predikanten ; van predikantsweduwen en - weezen.
Mag dat ? Immers neen !
Immers neen ! En daarom zouden wij zonder meer dit Regl. ook niet willen verwerpen ; maar er dan tegelijk op wijzen, dat hier voor de plaatselijke gemeente, in casu de Kerkvoogdij, een roeping ligt en wel om den plaatselijken predikant in het betalen van zijn jaarpremie geheel of gedeeltelijk te hulp te komen.
Wat wij vroeger reeds hebben voorgesteld, ook in de Synode, kan toch gemakkelijk, n.l. dat op den beroepsbrief kome een post : bijdrage van de kerkelijke administratie inzake pensioneering van emeriti en invalide predikanten ; en predikantsweduwen en - weezen.
Zoo'n post van honderd, tweehonderd ; of driehonderd gulden zou den beroepsbrief sieren.
Gaat men, bij mogelijk aannemen van dit Reglement—; waarover vooral de predikanten in dit geval bizonder zullen moeten oordeelen — daarom het voorstel doen (en dat m.oet vooral door de ouderlingen worden naar voren gebracht) om den beroepsbrief in bovenaangegeven zin te wijzige en aan te vullen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's