Stichtelijke overdenking.
Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide ! Ezechiël 34 vers 31a.
Schapen Mijner weide.
God en de mensch, welk een tegenstelling ontzaglijk groot!
God is de Hoogverhevene, die in de eeuwigheid woont, de Schepper en Onderhouder en Regeerder aller dingen, in Wiens hand aller lot en leven is.
En de mensch? Hij mag over anderen heerschen ; zijn gunst mag worden gezocht, zijn toorn gevreesd ; hij mag anderen doen sidderen en beven, — toch is hij niets anders dan een nietige aardworm, een zondig stofje !
God is de Eeuwige, zonder begin, zonder vervolg of onderscheid van tijd, zonder einde.
En de mensch, hoe vast hij staat, is enkel ijdelheid, vergankelijkheid, nietigheid en geringheid.
God is de Heilige, de volmaakt Heilige, de Heiligheid zelve, een licht, waarin gansch geen duisternis is.
En de mensoh in zonden ontvangen, in ongerechtigheid geboren, door de zonde doortrokken, gelijk het zuurdeeg het meel doortrekt.
God is de Alwijze, de Volzalige, de Algenoegzame in zich zelf.
En de mensch ? Wie zal hem schetsen in zijn diepe en volslagen afhankelijkheid van den Heere, in zijn hulpeloosheid, maChteloosheid en kraohteloosheid, dn zijn verduisterdheid en verdwaasdheid, vijandschap en opstand tegen God.
God is de Rechtvaardige, de Rechter der gansche aarde, die aan alle schepselen het recht toeweegt.
En wat is de mensch ? Onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad van nature. Met de melaatschheid der zonde bedekt van den hoofdschedel af tot de voetzool toe, zoo dat hij wel reden heeft om den hartdoorborenden kreet uit te stooten : Onrein ! Onrein.!
O, welk een diepe klove ligt daar tusschen God en den mensch !
En toch, o onuitsprekelijk wonder ! wil de Heere met menschen, met zulke menschen bemoeienis hebben.
Dat toont Hij op velerlei wijze.
Dat heeft Hij getoond door alle lijden heen en Hij toont het nog in al de weldaden en zegeningen, die Hij hun doet toekomen, maar ook in al de tegenheden, in al de verdrukkingen en beproevingen, waarmede Hij hen bezoekt. En in de zending van Zijn lieven Zoon Jezus Christus heeft Hij 't op bijzondere wijze getoond, ter wille van Wiens volbrachte werk der verlossing Hij menschen uit hun verderf verlost en eeuwig zalig maakt.
O ! de vrijgekochten des Heeren in de hemelsche heerlijkheid roemen de wonderbare ontferming des Heeren en zaligmakende bemoeienis Gods, met hen gehouden en zij belijden het : „Het is door U, o Heere ! door U alleen, om het eeuwig welbehagen, dat onze voeten staan in uwe poorten, o hemelsch Jeruzalem!"
Maar ook op aarde roepen alle begenadigde gunstgenooten Gods het uit ! AlIes wat wij zijn en hebben zijn wij alleen verschuldigd aan de vrije gunste en goedertierenheid des Heeren ! Het is genade en niets dan genade en genade alleen !
Want wie waren ze in hun zondig verleden!
Ja, wie zijn ze nog in en van zich zelf! 't Is dan maar gelukkig, dat zij met een onveranderlijken God te doen mogen hebben, wiens trouw door hunne ontrouw niet te niet gedaan wordt en die voltooien zal, wat Zijn hand begon.
De Heere Heere profeteert in ons teksthoofdstuk tegen zulke herders van Zijn volk, die het vette eten en zich bekleeden met de wol, die het gemeste slachten, maar de schapen niet weiden, zoodat deze verstrooid zijn tot spijs voor al het wild gedierte des velds.
Die herders, zegt Hij, zal Hij oordeelen.
En Hij zelf zal naar die schapen vragen. Hij zal ze opzoeken en redden en vergaderen. Hij zal ze weiden op de bergen Israels, op een goede, vette weide. Het verlorene zal Hij zoeken, het weggedrevene wederbrengen, het gebrokene verbinden, het kranke sterken, maar het vette en sterke verdelgen. „Ik zal ze", zegt de Heere, „weiden met oordeel. Ik zal richten tusschen klein vee en groot vee, tusschen de rammen en de bokken."
En dat zal de Heere doen door een eenigen herder over hen te verwekken en hij zal ze weiden en die zal hun tot een herder zijn ; terwijl de volheid der genade onder zijne regeering hun deel zal worden.
En ten slotte roept de Heere hun toe: „Gij nu, o mijne schapen, schapen mijner weide ! gij zijt menschen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere Heere."
„Gij nu, o mijne schapen, schapen mijner weide."
Wij hebben hier een naam, waarmede het oude volk Israël wordt aangesproken, maar verder ook al het volk des Heeren, al degenen, die in waarheid Hem vreezen en dienen, die Hem erkennen als hun Heere en die geleerd hebben zich neder te buigen onder de heerschappij van Zijne genade ; diegenen, die de Heere riep bij hun naam en uitleidde, die Zijn stem hooren en Hem alleen volgen, maar ook worden er onder begrepen de lammeren, de kleinen, de zwakken, de eerstbeginnenden onder dat volk van God, de kleingelovigen, die een Herder zoo in 't bijzonder van noode hebben.
In de Heilige Schrift wordt die naam meermalen gelezen. Denk maar aan het woord in Psalm 95 : „Want Hij is onze God en wij zijn het volk Zijner weide en de schapen Zijner hand." En aan het woord van den' Heere Jezus : „Ik stel mijn leven voor de schapen." Ook worden ze wel een kudde schapen genoemd in dat woord: Vrees niet gij klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven.
Die naam is wel van belang als wij opmerken, dat de Heere zelf hen daarmede aanspreekt.
En waarlijk, er is een schoone ver gelijking te maken tusschen dien teekenenden naam schapen en de kinderen des Heeren.
Door dien naam wordt van Gods volk gezegd, dat zij rein zijn als de schapen, die tot de reine dieren werden gerekend. Zij zijn in het bloed van Jezus Christus gereinigd en gewasschen van alle zonden. Vanwege de toegerekende gerechtigheid van Christus zijn zij in Christus rechtvaardig voor God. Christus heeft alles voor hen volbracht. In de zonde vinden zij ook niet meer hun element, maar zijn ook rein, omdat hun hart door den Heiligen Geest is vernieuwd. In verstand, hart en keuze is een verandering gekomen. Vroeger hadden zij geen lust in Gods Woord, maar nu is hun begeerte het te onderzoeken, 't Volk des Heeren liet hen vroeger onverschillig, maar nu hebben zij het lief en begeeren er mede te leven en te sterven. Voorheen zochten ze zich te vermaken in zondedienst en wereldsche begeerlijkheid, maar nu hebben zij lust om den Heere te vreezen. Het smart hen, dat zij nog zoo weinig Gods beeld vertoonen en zij klagen : „Ik, ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods !"
Die naam wijst op hun geduld, lijdzaamheid, eenvoudigheid, zachtmoedigheid en oprechtheid. Zij tobben een begeerte om in ootmoed! en in stille onderwerping, zonder dat hun ziel in opstand is, voor het aangezicht des Heeren te leven. Niet dat dit altijd het geval is, maar het is toch hun begeerte. Zonder murmureeren dragen zij het kruis, dat de Heere hun oplegt en zwijgen den Heere, als
Hij hun den beker der bittere smarte aan de lippen zet. Zij zeggen : „Want Gij, Heere, hebt het gedaan."
Die naam duidt aan hoe volslagen hulpeloos en vreesachtig zij zij U tegenover de vijanden. Zij zijn zonder middelen tot verweer. Zij kwijnen niet éen vijand door eigen vermogen verslaan. Mochten zij dat maar recht beseffen. Maar ach ! de kracht van den vijand wordt dikwerf te gering geacht en eigen sterkte groot gewaand. Droevige toestand ! Maar als zij dan als gansch van hulp onblooten, als onmachtigen en weerloozen met vreezen en beving mogen vluchten en zuchten tot hun Herder, die alle macht heeft en trouwe houdt tot in eeuwigheid, dan is Zijn woord hun tot troost en bemoediging : „Mijne genade is u genoeg : want mijne kracht wordt in zwakheid volbracht."
Die naam zegt ook, hoe licht zij wegdolen. „Wij dwaalden allen als schapen" roept Jesaja uit ! Als het dwaalzieke schaap onbedacht zijn herder heeft verloren, hoe eenzaam en verlaten gevoelt het zich dan. Zie zijn onrustige blik, hoor zijii klagend geblaat ! Wat al wanhopige inspanning om den rechten weg terug te vinden door zich naar verschillende zijden te wenden ! Zoo kunnen de schapen van den goeden Herder niet gerust zijn, voordat zij weer bij Hem en Zijn kudde zijn weergekeerd. „Ik heb gedwaald .als een verloren schaap ; zoek uwen knecht, want uwe geboden heb ik niet vergeten."
En die schapen hebben een meester. Zij zijn het eigendom van een ander en ontvangen van den eigenaar een merkteeken ten bewijze, dat zij hem toebehooren. Zoo ook met 's Heeren volk. Het is Gods eigendom. „Ik zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn, " zegt de Heere. Christus komt hun dit door Zijn Geest te verzekeren. Die verzekering, dat zij Christus toebehooren te gevoelen in het hart, daarop komt het aan. De Herder kent hen. Zij zijn de gekenden des Heeren. Hij kent hen allen bij name, al de Zijnen, door en door. En zij kennen Hem, al is het een kennen ten deele, zij kennen Hem toch. Zij kennen Zijn stem, de stem van hun Liefste, Zijn onnaspeurlijken rijkdom. Zijn algenoegzame volheid en zij mogen het bij bevinding leeren kennen: „De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken."
Zij zijn Zijne schapem Zij zijn van eeuwigheid door God en Christus daartoe voorgekend. De goede Herder heeft Zijn leven voor hen gesteld. Zijne schapen zijn zij, want Hij heeft hen liefgehad met een eeuwige liefde. Hij heeft hen getrokken, gezocht, toegebracht en terecht gebracht. Wat moest er een arbeid aan hen geschieden ! Hoeveel opstand moest in hen worden verbroken ! Hoeveel vijandschap moest in hen worden weggenomen ! Hoeveel eigenzinnigheid en onwilligheid ten onder gebracht in hen. Zij laten zich, ook al kennen zij den Heere, zoo dikwerf te vergeefs roepen en waarschuwen, als het hun goed gaat. Zij gaan wel tegen alle vermaan in, maar dan komt de Heere ze ook tegen, en even als het schaap bij het naderen van den nacht den herder tegemoet loopt, zoo zien zij ook vaak nacht en donkerheid over zich gebracht, opdat zij in hun gemis weer den herder noodig zouden hebben. En dit bedoelt nu de Heere met dat troostrijke woord: „Gij nu, o Mijne schapen !" „Het is voor u een bange tijd o gedrukte zielen, bij u zelven evenmin als bij anderen vindt gij baat, maar gij zijt toch Mijn schapen ! Mijn in Christus geheiligden. Mijn eigendom. Ik heb u verlost. Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijne."
Mijne schapen, schapen Mijner weide.
Niet de weide der zonde en der ongerechtigheid, waar de duivel de zijnen rusteloos weidt, met schoonschijnend bedrog, listige voorspiegelingen en leugenachtige inblazingen hen omleidende.
In die weide worden de begeerlijkheden der wereld en des vleesches en de grootschheid des levens nagejaagd, om daarin heil te zoeken. Maar dat is een verschrikkelijke weide, waarvan het einde is de eeuwige rampzaligheid,
In die weide des Heeren echter is de Heere Zelf de spijze en drank Zijner schapen. Hij voedt hen met Zich zelven. Daar behooren zij en niet op alle bergen en allen hoogen heuvel. Daarom roept Hij hen en leidt hen en bewaart hen. De Heere zal hen nimmer om doen komen. Daar is hun brood zeker en hun water gewis.
Het mag hier gaan door vele tegenspoeden en verdrukkingen, door donkere dalen en bange proefwegen, door lijden en strijden, het werkt hun mede ten goede. Hoe dieper zij zelve dalen, hoe hooger de Herder rijst in schoonheid en heerlijkheid. Zijn gunst en goedertiereneid is hun genoeg. En verkwikt Hij hunne ziel aan dien stroom der genade, die stroom is onuitputtelijk.
En eenmaal brengt die groote Herder der schapen hen over in de weide der eeuwige heerlijkheid. Dan wordt door hen genoten verzadiging van vreugde en liefelijkheden aan Gods rechterhand eeuwiglijk en altoos, want het Lam, dat in het midden des troons is, zal ze weiden en zal hun een Leidsman zijn tot levende wateren; en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen.
Dan zal het waarheid blijken te zijn voor de schapen Zijner weide, wat op het monument van den grooten hervormer Calvijn te Genève staat gegrift: „Na duisternis licht !"
Behoort gij tot Zijne schapen ? Zijt gij een van de schapen Zijner weide?
Welgelukzalig gij, indien gij gerekend kunt worden een schaap te zijn van het kleine kuddeke van den goeden Herder !
Vreeselijk evenwel, als gij nog doolt langs eigengekozen paden in de giftige weide van den Satan. Nog vreeselijker als de vorst der verschrikking u in, dien beklagenswaardigen staat wegrukt en voor den rechterstoel van Christus brengt om overgeleverd te worden aan den vorst der duisternis onder zijn ijzeren roede in de eeuwige rampzaligheid.
Als gij slechts voor het uiterlijke een schaap van 's Heeren kudde schijnt, dat zal vruchteloos zijn. Dan zijt gij met schaapskleederen bekleed, maar van binnen een grijpende wolf. Dan hebt gij slechts de gedaante der godzaligheid.
Och ! dat uwe ziel het er waarlijk om te doen mocht zijn in waarheid te zijn of te worden innerlijk door hartveranderende genade een schaap van den oversten Herder, een schaap Zijner weide. Mocht gij uzelven nauw, ja, zeer nauw onderz'oeken bij bet licht van den Geest en het Woord des Heeren, of gij Zijn merkteeken hebt ontvangen. Dat is alleen onfeilbare 'troost en doet u de eeuwige erfenis genieten. Mocht dan bet Amen uwer ziel zijn :Zoo zullen wij, de schapen uwer weiden in eeuwigheid uw lol, uw eer verbreiden, En zingen van geslachten tot geslachten Uw trouw, uw roem, uw onverwinbre krachten.
Wouterswoude.
W. WESSELDIJK
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's