Uit het kerkelijk leven.
De Synode.
Dat is bij ons een wonderlijk ding, en het is voor een gewoon mensch altijd weer een heele prestatie om te zeggen, hoe die Synode wordt samengesteld en hoe die Synode er zal uitzien.
Wat geeft de Dordtsche Kerkorde in deze toch een ander geluid ; met andere en betere beginselen voor Kerkregeering!
Maar we zitten er eenmaal mee, en de modernen doen alle mogelijke moeite om alle pogingen tot reorganisatie in 't riet te sturen. Zij voelen, als we wat anders krijgen in deze, dan is het vast niet wat beters — voor hen.
Hoe de Synode dan samengesteld is ? Uit 13 predikanten en 6 ouderlingen (of oud-ouderlingen), afgevaardigd door de Provinciale Kerkbesturen en de Waalsche Commissie.
Zooals de Prov. Kerkbesturen zijn én de W. C, zóó is ook de Synode, wat de kleur of de richting (orthodox of modern) aangaat.
Omdat het Prov. Kerkbestuur van Friesland, door 't wegbliiven van enkele orthodoxe leden op de Class. Verg. van Franeker in 1922, is „omgegaan" en in meerderheid modern is geworden, zijn de afgevaardigden naar de Synode nu óók modern (al is er dit jaar nog één orthodox, n.l. Ds. Zoete van de Lemmer, die nog zitting heeft tot 1926).
Met de „lagere" Besturen gaat het „hoogste" Kerkbestuur dus op en neer. Elk Prov. Kerkbestuur vaardigt dus af naar de Synode ; en daar naast de Waalsche Commissie.
Niet elk Prov. Kerkbestuur vaardigt echter elk jaar op dezelfde wijze af. Dat varieert nog al. En dat is mee de oorzaak van de schommelingen naar rechts of naar links in de Synode.
De groote Provincies zenden elk jaar twee leden, n.l. Gelderland, Z.-Holland, N.-Holland, Friesland en Groningen. Dat verandert nooit; hoewel het nu eens twee predikanten, dan weer één predikant en één ouderling zijn ; zóó, dat deze 5 Prov. Kerkbesturen, die „recht hebben" op 10 afgevaardigden altijd samen 7 predikanten en 3 ouderlingen zenden.
De kleinere Provincies: Zeeland, Utrecht, Overijsel, N.-Brabant en Limburg, Drenthe en de W. C. vaardigen elk één predikant af en bij beurtwisseling te zamen 3 ouderlingen ; zoodat b.v. Zeeland 3 jaar achter elkaar 1 afgev. zendt en dan weer 3 jaar achter elkaar 2, terwijl dan een ander van die kleine provincies weer 1 zendt in plaats van 2, alles volgens rooster. Zoo zenden nu, in 1924 de Prov. Kerkbesturen van Zeeland, Utrecht, en, de W. C. twee afgevaardigden en Overijsel, N. Brabant + Limburg en Drenthe een.
Het lijstje wordt dus: Gelderland (altijd) 2 ; Zuid-Holland (altijd) 2 ; N. Holland (altijd) 2; Zeeland (nu) 2 ; Utrecht (nu) 2 ; Friesland (altijd) 2 ; Overijsel (nu) 1 ; Groningen (altijd) 2 ; N. Brabant + Limburg (nu) 1 ; Drenthe (nu) 1 ; W. C. (nu) 2.
Hiervan zenden Gelderland, Zuid-Holland, Zeeland, Utrecht, Groningen, en de W. C, ieder 1, samen 6 in getal, ouderlingen.
Weet men nu de gesteldheid van de Prov. Kerkbesturen dan weet men ook de kleur van de afgevaardigden en dus ook de kleur van het opperste Kerkbestuur.
Gelderland, Zuid-Holland, Zeeland, Utrecht en Overijsel zijn orthodox ; N. Holland is rechts geweest maar is weer omgezwaaid naar links (dat zit soms héél eigenaardig vast aan de gesteldheid van een bepaalde classis) ; Friesland dito, dito ; Groningen is altijd links ; N. Brabant + Limburg is rechts, maar stemt nog goedig links en de W. C. is geprononceerd links en is mee de rotte plek bij de samenstelling van de Synode, door het onevenredig groot aandeel dat aan die weinig bescheiden Franschen gegeven is.
De samenstelling zal dus ongeveer zijn. Gelderland 2 rechtzinnig, Z.-Holland 2 rechtzinnig ; N.-Holland 2 vrijzinnig ; Zeeland 2 rechtzinnig, Utrecht 2 rechtzinnig, Friesland 1 rechtzinnig (Ds. Zoete) en 1 modern (Dr. Niemeyer) : Overijsel 1 rechtzinnig ; Groningen 2 modern ; Noord-Brabant + Limburg 1 modern-evangelisch (Dr. Deeleman) ; Drenthe 1 orthodox (Ds. W. Wagter van Koekange ; de moderne afgevaardigde Ds. Frank van Veenhuizen valt dit jaar uit) en de W. C. 2 modernen.
Volgens dit lijstje krijgen we dan : 2 en 2 en 2 en 2 en 1 en 1 en 1 = 11 orthodoxen en 8 modernen.
Bovendien zullen dit jaar de kerkelijke hoogleeraren Prof. Dr. H. M. van Nes van Leiden en Prof. Dr. A. M. Brouwer van Utrecht met praeadviseerende stem zitting hebben. Dr. L. W. Bakhuizen van den Brink is secretaris ; eveneens met raadgevende (geen beslissende) stem.
Een verstandig besluit.
Dezer dagen vergaderde de Synode derEvangelisch-Luthersche Kerk, wel te onderscheiden van de Hersteld-Ev. Luthersche Kerk, Ook daar, in de Luthersche Kerk, is immers scheuring gekomen en wel omdat de Ev. Luthersche Kerk zich veel te veel van het Evangelie en van Luthér had losgemaakt door invloed van modernisten; toen hebben zich rechtzinnigen afgescheiden en hebben zich vereenigd in de hersteld Ev. Luth. Kerk. Dat is 't eerst gebeurd in 1791 te Amsterdam, waarna enkele andere gemeenten gevolgd zijn en wel Enkhuizen, Gorinchem, Harlingen, Helder, Hoorn, Medemblik en Zwolle ; acht gemeenten met 10 predikantsplaatsen.
Het Herst. Ev. Luthersch Kerkgenootschap is beslist belijdend. Het vraagt van allen, die haar dienen, instemming met het grondbeginsel der reformatie : „zalig uit genade door het geloof in Jezus Christus". Van een moderne stroomimg is daar geen sprake, al is er natuurlijk nuanceering van orthodoxie. Ook haar Kweekschool is van positief karakter en zij heeft er niet tegenop gezien om deze Opleidingsschool in 1915 van Amsterdam naar Utrecht te verplaatsen, omdat de omgeving te Amsterdam te modern was. (Hoogleeraar is Dr. J. W. Pont; aantal studenten die ingeschreven zijn 3).
Het Ev., Luthersch Kerkgenootschap kan men noemen „gewild kleurloos". Men maakt daar geen onderscheid tusschen orthodoxen en modernen ; men erkent evengoed niet-gedoopten als leden der Kerk als wèl-gedoopten. De heerschende partij in de Synode is altijd modern geweest den laatsten tijd en de gemeenten zijn deels orthodox, deels vrijzinnig. De opleiding der studenten is geheel in moderne handen geweest. En sinds 1915 staat in het Alg. Regl. een artikel, waarin wordt verklaard : „geen reglement, verordening of besluit mag iets bevatten, dat de geloofsvrijheid der gemeenten of bijzondere personen aantast." Vroeger was er leertucht.; maar dat is al lang voorbij.
Maar er is kentering. De orthodoxie gaat er niet op achteruit en de invloed van het modernisme is wat aan 't minderen.
De Synode was dit jaar „om", de meerderheid was rechts, al was 't een kleine meerderheid.
En nu deed zich juist een merkwaardig feit voor. Er was — ach, wat lijkt de geschiedenis van den een soms wonderveel op de geschiedenis van een ander — een reglement tot regeling van de rechten van de minderheden op de Synodale tafel gelogd.
Juist nu ; nu de orthodoxie in kracht wint en het modernisme taant.
Wat zou de Synode, in meerderheid nu rechtzinnig, doen?
Zou zij „de brutaliteit" hebben om van een kleine meerderheid „misbruik" te maken en zou men dat pracht reglement, waarin zulke heerlijk-schoone dingen door uiterst verdraagzame vrijzinnigen in verwerkt waren, durven verwerpen ?
Er werd naar uitgezien in den lande, wat er zou gebeuren.
En tot onze groote blijdschap heeft men na eenige bespreking van rechts en links — geen lange discussie is het geweest — met meerderheid van stemmen besloten, het reglement niet in behandeling te nemen !
Een verstandig besluit.
Wil men z'n Kerk heelemaal om hals helpen, dat moet men op zulke, voor een Kerk onmogelijke, voorstellen ingaan ! Dan raakt men alle crediet en allen invloed kwijt.
En daarom verblijden wij ons grootelijks voor het Ev. Luthersch Kerkgenootschap, dat die zaak daar geen gehoor heeft gekregen.
Nu ook terug naar de fundamenteele waarheid in Jezus Christus geopenbaard, in Gods Woord ons bekend gemaakt!
Laten anderen dan maar leven bij „den neerslag van het vroom gemoed" —dat in zulke gevallen juist altijd niet weten wil van Jezus Christus en dien gekruist — doch laten de Lutheranen terug keeren tot en vasthouden aan het Woord, ook Luther, door Gods genade, zoo dierbaar !
Ook wat een eventueele benoeming van een Luth. hoogleeraar aan het Seminarie te A'dam betreft, werd 'n blijde klank gehoord — al is ons in deze niet alles duidelijk. Immers nu er een modern professor heengaat n.l. Prof. Völter, werd er bij de bespreking aangaande de vervulling van die vacature door Prof. van Bakel opgemerkt, dat de theol. faculteit der Gem. Universiteit, als Prof. Völter in 1925 den leeftijd van 70 jaar bereikt heeft en ook van de Gem. Universiteit afscheid zal moeten nemen, in zijn plaats dan een rechtzinnig theoloog, Nieuw-Testamentious, zal voordragen ; wel iemand die niet Luthersch is, maar die beloofd heeft Luthersch te zullen worden. In aansluiting hieraan adviseerde hij, dat de Synode nu nog geen hoogleeraar aan het Seminarie zou benoemen (dat zou dan wel een rechtzinnig man geworden zijn, b.v. Dr. Rust, van Utrecht), maar te wachten tot 't volgend jaar en dan den man te nemen, die de stad Amsterdam als professor aan de Gem. Universiteit zal benoemen.
Wel wat vreemde, geheimzinnige geschiedenis (iemand die niet Luthersch is, maar 't wel worden zal ; iemand die nog niet benoemd is, maar 't wel worden zal enz. enz.) maar m elk geval, ook hier klanken van „rechtzinnig", waar 't vroeger alles „vrijzinnig" was, zonder uitzondering. (Ja — de vrijzinnigen zijn o ! zoo lief als ze in de minderheid zijn, maar wee u als hun haan koning kraait.)
Toch verblijdende dingen dus; al maakt één zwaluw nog geen lente.
Wij hopen, dat de Herv. Synode in dit opzicht even verstandig zal zijn, om het „vredes-voorstel"-van Dr. Niemeyer cs. naast zich neer te leggen.
Laat onze Herv. Synode liever opkomen voor het belijdend karakter onzer Hervormde Kerk, rondom het Woord onzes Gods en Jezus Christus, den van God gegeven Zaligmaker, die gestorven is voor onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Rom. 4 : 25).
Het recht om af te wijken van... ? Men weet hét zoo mooi voor te stellen. En men speelt dan de verdrukte onschuld !
Immers, als men spreekt van de rechten der minderheden, dan komt het hierop neer — zegt men — dat men toch het recht moet hebben, om iets anders te denken, te gelooven, te belijden, dan in formules van driehonderd jaar oud, staat geschreven.
Is de wetenschap dan niet vooruitgegaan ?
Is de omschrijving der dingen niet gewijzigd ?
Moet men dan maar altijd bij het oude zweren en mag men niet iets nieuws in deze nieuwe tijden leeren ?
Wat onschuldig ziet dat er uit ! Om meelij mee te krijgen.
Die verstokte Gereformeerden ook. Met die uitgedroogde formules, zoo dood, zoo taai, zoo hard als perkament !
Doch - — wat is nu eigenlijk de werkelijkheid in deze ?
Laat men er nu eens geen doekjes om winden !
Dan komt het hier op neer — om maar enkele dingen te noemen —dat men met den Bijbel in 't geheel niet accoord gaat en van den Christus der Schriften niets wil weten. Dus, 't is inderdaad geen verschillen van de belijdenisschriften in de 16de eeuw opgesteld en als accoord van gemeenschappelijk geloof door de Gereformeerde Kerken, van provincie tot provincie, aangenomen. Maar 't gaat terug tot den Bijbel, tot 't geen de Evangelisten en Paulus gesproken en geschreven hebben, voorgelicht door den H. Geest. Hun Bijbelbeschouwing is anders ; bij die lieden nl. die zoo roepen om de rechten der minderheden, speciaal de modernen.
Daar willen zij het recht toe hebben, in het midden van Christus' Kerk, om principieel anders te mogen staan tegenover Gods Woord en principiëel anders te gelooven en te leeren dan ons de Schriften verkondigen aangaande Jezus van Nazareth, van Wien de Kerk van ouds heeft beleden, dat Hij is Gods Zoon die mensch geworden is — Immanuël — gestorven voor onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
Dat gaat over geen kleinigheden.
Dat gaat ook niet over geschriften, drie honderd jaar geleden door menschen als Guido de Bres, of de Dordtsche Vaderen opgesteld.
Neen, laat men eerlijk zijn ! 't gaat om heel wat grootere en oudere dingen nog. 't Gaat om 't geen door alle tijden heen het fundament voor Gods Kerk is geweest, het heilig credo van alle tijden : Gods Woord en Jezus Christus, de Gekruiste.
Men trekt den Bijbel onder een heel ander licht.
En het kruis van Golgotha.
Niet om in een letter of in een jaartal of in de uitlegging van een tekst te verschillen ten opzichte van de H. Schrift. Maar men loochent het werk van den H. Geest, die ons het Woord gaf. Men wederstaat den Geest, die ons het Woord gaf. En men staat tegenover de Evangelisten en Apostelen, hen beschuldigend van fantastisch geschrijf, dat aan de werkelijkheid vreemd is.
Zoo wederstaat men den H. Geest en bedroeft Hem ; zoo spreekt men den H. Geest tegen en loochent wat Hij ons gaf. Dat is heel ernstig.
Dat raakt groote; de grootste dingen. De stem van de Schrift is de stem des Geestes, want de heilige mannen Gods, door den H. Geest gedreven zijnde, hebben deze woorden gesproken en geschreven.
Wil men hooren wat de Geest tot de gemeenten zegt, dan is de eerste voorwaarde voor de gemeenten, voor de Kerk, voor ieder persoonlijk, dat men dit Woord aanneemt vóór wat, het waarlijk is : het Woord van God.
En dat doet men niet, dat wil men niet — bij de modernen — om met dingen te komen, die heel, heel anders zijn dan het Woord ons brengt; dingen, die het Woord tot leugen, tot fantasie, tot legende maken ; dingen, die zich zelf aanprijzen als „de neerslag van het vroom gemoed" ; maar met Gods Woord in strijd, vreemd aan Jezus Christus en dien gekruist.
Doch de H. Geest spreekt zich zelf immers niet tegen. Die openbaart de waarheid niet aan 't vroom gemoed buiten de H. Schrift om nog minder als een waarheid, die vierkant anders is dan de H. Schrift ons brengt. De H. Geest bedient zich van de Schrift en brengt den Christus der Schriften, om uit dien Christus te nemen en het toe te passen aan des zondaars hart, tot zegen en troost voor leven en sterven beide; steeds in het midden plaatsend Hem, die voor de zonden Zijns volks stierf en opgewekt is tot hunne rechtvaardigmaking.
Wij moeten tegenover dat Boek komen staan als begeerig zijnde, om te mogen hooren wat de Geest tot de gemeenten, tot het harte spreekt. En alle eigen opinies, eigen ideeën, eigen stelsels loslatend, moet de H. Schrift over ons heerschen en de H. Geest ons leiden in al die waarheid, waarbij het harte waarachtig vreugde vindt, in den weg des geloofs.
Het gaat hier dus om het Woord en om den Christus.
Waarbij de modernen — zij met name — vierkant staan tegenover de waarheid, die tot zaligheid is.
Bewijzen zijn er te over.
Wat zegt de H. Schrift méér beslist, dan dat Jezus Christus Gods Zoon is, ontvangen van den H. Geest, geboren uit de maagd Maria : dat wonder, God geopenbaard in het vleesch, Immanuël, waarbij Christus' Kerk geloovig het hoofd buigt.
Wat zegt Bakels in z'n „Het Nieuwe Testament voor leeken leesbaar gemaakt" ?
We doen maar een greep : „De theorie, dat Jezus nimmer bestaan heeft, doch dat het Nieuwtestamentisch Christusbeeld een kristallisatie is van allerlei denkbeelden, welke in het begin onzer jaartelling rondgingen, vindt steeds meer aanhangers. Hoewel ik in Jezus' historiciteit blijf gelooven, ben ik toch wel steeds meer gaan meenen, dat allerlei trekken uit het Nieuwtestamentisch Christusbeeld niet op werkelijk gebeurde feiten berust, maar neerslag zijn van genoemde denkbeelden."
De Bijbel, het N. Testament „een bloemlezing uit de Oud Christelijke letterkunde" — zooals prof. Meyboom in het inleidend woord in bovengenoemd boek van Bakels zich uitdrukt ; en wat die Bijbel geeft „een neerslag van de denkbeelden der menschen die in het begin onzer jaartelling leefden."
Wat een verschil met 't geen de Bijbel zelf ons voorlegt. Daar is 't de stellige waarheid, die onmisbaar is tot zaligheid. En bij de modernen „figuurlijke beteekenis" en de neerslag van de denkbeelden der menschen, die in het begin onzer jaartelling leefden !
Vandaar de ergerlijke wijze waarop menschen als Bakels en Theesing en in den grond der zaak alle modernen over den ouden God, den God van vroeger, den God van het O.T. spreken en de ergerlijke wijze, waarop zij spreken over den leeraar Jezus, loochenend Zijn zoendood en Zijn opstanding ; loochenend alles wat het Woord ons zegt.
Hoort weer hoe Bakels begint : „ Toen stond op : Jozua of Jezus, zoon van Maria ; de aardsche vader is onbekend gebleven tot op dezen dag". Is het al dadelijk niet ergerlijk, om zóó te spreken van Jezus, van "Wien die H. Schrift zoo héél anders spreekt?
Bakels vervolgt dan : voor de verbreiding van zijn overtuiging gaf hij zich alle moeite, deed hij alle opoffering ; hij zwierf het gansche land door, ja tot over de grenzen, tot de stad Tyrus toe, om deze Boodschap (eene goede boodschap, een evangelion) bekend te maken op alle dorpjes, in alle steden; hij sloofde zich af langs stoffige, zonnige wegen, gaf zijn nachtrust om er nog verder over na te denken, sprak aan heg en steg en weg, op straat en drempel en in tempel, aan maaltijd en bruiloft, bij put en aan meer en op 't schip, tot de schare en onder vier oogen ; hij ging zelfs tot de hoofdlieden van zijn volk om 't hunzelven toch op 't hart te drukken, dat ze hun ouderwetsch wettisch idee van 't Verbond moesten laten varen. En toen zijn deze hoofdlieden boos geworden ; maar toen heeft Jezus zijne meening niet opgegeven, maar hij heeft haar volgehouden, maar hij heeft er voor gegeven zijne tranen, zijn angstzweet, zijn hartebloed in eenen angstvollen nacht in Gethsémané, en in een wreeden doodsstrijd, die heeft geduurd van Vrijdagmorgen 9 uur tot 's middags 3 uur toe." Hier is de Overtuiging, de Meening van den Meester, waarvoor hij als martelaar gestorven is, de blijde Boodschap, en die Meening van den goeden Meester moet alom verkondigd worden : „liefde zijnde verhouding tusschen God en mensch" ! Alsof de Schrift den kruisdood, met al het lijden van den Zaligmaker, niet heel, héél anders ziet en anders brengt ! Sla den Catechismus maar eens op ; Zondag 15. Daar lezen we : „Dat Hij aan lichaam en ziel, den ganschen tijd zijns levens op aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts gedragen heeft ; opdat Hij met zijn lijden, als met het eenige zoenoffer, ons naar lichaam en ziel van de eeuwige verdoemenis verloste en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierve." Dat is het leven en het lijden van den Heiland anders gezien ! Dan is Hij geen Meester met een Meening en een Overtuiging, waarvoor Hij als martelaar sterft. Jezus staat niet in de rij der martelaren.
De martelaren staan door Hem, maar Hij niet als hunner één.
Hij is principieel onderscheiden van hen.
Hij staat als Heiland, Borg, Zaligmaker, die den rijkdom verwerft, waarbij de martelaren sterven kunnen, stervend juichend, ook in 't midden der vlammen. Maar Hij is de Borg, de Plaatsbekleeder, die den last des toorns Gods draagt en alle gerechtigheid vervult, waardoor Zijn kruisdood de vervloeking, die op den zondaar ligt, wegneemt voor een iegelijk die in Hem gelooft en Hem van den Vader is gegeven.
Het kruis is geen folterpaal, maar de plaats des gerichts.
De Man van smarten is geen Martelaar, die valt voor zijn Meening, maar een gevonniste, die onder Gods hand valt, om in Zijn dood het leven aan te brengen. „Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt was op Hem en door Zijne striemen is ons genezing geworden." „Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden."
Het zoenoffer ! Het Lam Gods !
Zóó spreekt de Schrift. Zoo spreken, zoo getuigen, zoo schrijven de Evangelisten en Apostelen. Zoo spreekt de Geest, door het Woord, tot aan de einden der aarde, opdat alle vleesch zal belijden Jezus, Sions Borg en Middelaar,
En dat rooven de modernen ons ; dat grissen zij weg voor het oog der menschen ; dat loochenen zij voor de ooren van velen ; dat ontkennen zij in woord en geschrift; een anderen Christus, een ander evangelie verkondigend. Omdat zij niet gelooven het Woord, niet gelooven de Apostelen ; omdat zij niet spreken van den H. Geest, die alzoo in en door het Woord getuigt ; maar omdat zij spreken van „den neerslag van de denkbeelden dergenen die in het begin onzer jaartelling geleefd hebben" ; en dus omdat zij het relaas van Gods Woord en van de mannen Gods als fantasie der menschen uit de eerste eeuw onzer jaartelling achten!
Christus, eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen — ja, dat predikt Petrus wel (1 Petrus 3 vers 18), maar dat is maar fantasie van Petrus.
Doch — dan gaat het tusschen ons en de modernen niet om kleine dingen ; niet om variatie of nuanceering der Waarheid ; maar 't gaat om het grootste, om het heiligste, om het heerlijkste, 't Gaat om onzen Bijbel, 't Gaat om Jezus Christus, Gods Zoon, Sions Borg en Middelaar, 't Gaat om het ware Evangelie, het Evangelie des Kruises. 't Gaat om het hart der zaligheid en der verzoening en der verlossing en des nieuwen levens en der heerlijkheid. Het gaat om de eere Gods en de eere van Christus en de eere des H. Geestes.
En neen —dan spreekt de H. Schrift niet van rechten der minderhéeen en van een pacificatie-voorstel.
Wij weten beter.
Wie aan het recht Gods tekort doet en den dood van Christus niet predikt naar de Schriften, die heeft geen recht om in Gods Kerk vrij de leugens te verkondigen en zich ongestoord in te richten. Die moeten door Gods Kerk krachtiglijk worden tegengestaan, ernstig bestreden en zoo zij zich verharden, naar uitwijzen van het Woord, uitgebannen worden, opdat zij anderen niet verleiden en den toorn Gods niet brengen over de gansche gemeente.
Woord en Sacrament zijn te teer, te heilig, te heerlijk voor Christus' Kerk, dan dat zij onverschillig zou aanzien wanneer het heilige wordt geloochend of aangerand.
Dan is van verdraagzaamheid geen sprake.
„Gedenkt gij niet, dat ik nog bij u zijnde u deze dingen gezegd heb", lezen we in 2 Thess. 2 vers 5.
Dat geldt ook hier. Jezus heeft zulke dingen voorspeld, dat ze komen zouden. De Apostelen hebben de Kerk gewaarschuwd en voorbereid op hetgeen aanstaande was.
En 't is gekomen. Ook nu. Telkens weer.
En dan verdraagzaam, ? Dan een pacificatie-voorstel ?
Wij weten beter !
Dat 'sHeeren Kerk in dezen lande mocht opwaken en zich niet verkoopen in de handen der vijanden van het kruis van Christus, maar leere waken, bidden, strijden, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus Christus, wandelend en handelend naar uitwijzen van Gods Woord !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's