De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

 HOOFDSTUK XXXI.
Dit zou hun trouwdag zijn geweest.
De bruidegom lag in 't lijkkleed in dezelfde kamer, waar hij freule Virginie haar laatsten slaap had zien slapen.
De bruid zat er naast als een versteening ; alleen geweldige zenuwschokken toonden dat er nog leven in haar was. Geen enkele traan nog had de ontzaggelijke zielepijn verzacht. Haar oogen staarden verglaasd naar den hemelschen glimlach en glans op 't gelaat van den doode. Ze had nog niets genuttigd, spijs noch drank, sedert ze met den dokter haar lieven Paul hier had neergelegd.
Éénmaal slechts had hij, gistermorgen, de oogen geopend, en — terstond had hij haar herkend, en gezegd :
„Marie !" •— de Herder " Ze drukte een kus op zijn lippen en daarna was hij weer buiten kennis geraakt, totdat hij even later stamelde : „O — Jezus " En kort daarop had zij hem den geest zien geven.
Slechts met teer geweld had men haar van hem kunnen verwijderen, zoolang, tot een paar vrouwen zijn lijk hadden afgelegd. Nu zat ze nog altijd daar, zooals ze er gisteren was gaan zitten, als een lijk naast een lijk.
Geen klacht, geen wensch, geen vrees, geen verlangen scheen er in haar hart te zijn. 't Was in haar binnenste als de ruïnen van een, door een aardbeving verwoeste en half bedolven vorstenstad, voor even nog daverend van 't rijke leven, nu een onoverzienbaar graf, dat alle geluk en weelde had verzwolgen ; een woestenij van uiterste verlatenheid, waar zelfs geen raaf de lucht doorkliefde en met zijn krassend geroep de omgeving vervulde.
Mijnheer en mevrouw August van Olmwold en de dokter waren dag en nacht beurtelings in haar nabijheid. Men had alles gedaan en tot haar gezegd, wat men meende, dat haar tot bezinning zou brengen, maar iets had gebaat.
De oude Dilleman, de kuiper en zijn rouw, die hem ook hadden zien sterven en eveneens vreeselijk bedroefd waren, vermochten niets op haar. Zelfs 't smartelijk jammeren van den ouden vader op dezen morgen scheen haar koud gelaten te hebben.
Toen was de predikant gekomen, en zoodra de oude Dilleman hem zag, smeekte hij: „O, dominee ! nu moeten we bidden voor onze Marie."
En de dominee bad, en met hem baden mijnheer en mevrouw, de oude herder en allen in huis, die daartoe werden saamgeroepen in de lijkkamer. Aller harten stortten zich uit, smeekend tot God, weenend en snikkend, voor die arme, arme bruid. Alles drong tot bidden, en als de predikant al „Amen !" had gezegd, baden de herder, de dienstboden, de koetsiersvrouw en de tuinbaas nog voort. Ze wilden God niet laten gaan, vóór Hij die arme Marie uit die vreeselijke verstarring verloste. En toch gaven ze 't op : God scheen niet naar hen te hooren.
Daar kwam mijnheer Frederik, alsof hij hier ook thuis behoorde, door de achterdeur naar binnen. De ondergeschikten en de oude Dilleman verwijderden zich terstond. En zoodra mijnheer Frederik de kamer binnentrad, zonder op iemand acht te slaan, en allen, behalve Marie, de kamer verlieten om nu met den predikant zich te vereenigen om 't bed van vader van Olmwold, stapte hij met bijna onhoorbare schreden naast de lijksponde. Heftig bewogen vatte hij de hand van zijn gestorven vriend en begon dan bitter als een kind te schreien. „Mijn goede, lieve Paul Dilleman ! ik hield toch zooveel van je !" klaagde hij smartelijk. „God ! waarom hebt Gij juist hem van ons weggenomen ? Hij maakte ons allen zoo gelukkig !" Zijn eigen gejammer onderbrak één wijle zijn luide klacht naar omhoog. Doch opnieuw begon hij : „God ! waarom juist hem, dien we zoo lief hadden, de voortreffelijkste van allen ? O waarom toch ? "
En als een echo, maar hartverscheurend, als ontwrongen aan de ontzettende smart, klonken die woorden nog eens, doch nu geprangd uit de keel der arme bruid : „O God, waarom toch ? "
Ze begon te schokken en te snikken, te huilen en te jammeren, en gilde 't uit als een waanzinnige. Mijnheer Frederik plaatste zich terstond achter haar stoel en legde zijn handen op haar schouders, en zoo stond, hij heel lang, tot ze kalmer werd. Hij kon 't niet laten om nog eens en weer eens te zeggen, hoeveel hij van Paul Dilleman hield, en hoe gelukkig die hem maakte, en hoe bitter 't hem smartte, dat die lieve vriend nu gestorven was.
Zij luisterde naar die hartelijke woorden, die haar ziel verkwikten, gelijk enkele verfrisschende droppels water den versmachtende van dorst.
„Maar hij is nu toch gelukkig, nietwaar juffrouw ? " vroeg hij op den toon van een kind aan een oudere zuster.
„Al zijn wij nu ongelukkig, hij is nu toch zeer gelukkig, niet waar ? " ging hij kinderlijk voort. „Dat is toch een groot geluk, dat hij nu gelukkig is, gelukkiger dan op aarde. Als ik zoo was als Dilleman, zou 'k wel dadelijk willen sterven. Zóó te sterven, dat is 't allerhoogste geluk I"
In de andere kamer had men het uitjammeren van Marie gehoord, en mevrouw was stilletjes naar de gang gegaan, terstond gevolgd door haar man. Beiden hoorden ze de woorden van mijnheer Frederik, wenkten elkander beteekenisvol en zagen in elkanders blik de verrassing over die woorden uit den mond van dezen man. Zij meenden Marie te hooren spreken, en nu het ijs gebroken was, ging mevrouw de kamer in, en de hand om Marie slaand, zei ze :
„Juffrouw I pa vraagt telkens naar u !" Marie droogde haar beschreid gelaat en zeide :
„Ja mevrouw ! ik zal komen !" Mevrouw richtte zich nu naar mijnheer Frederik met de woorden :
„U hieldt ook veel van hem, niet waar ? " „Marie was reeds opgestaan en zou al heengegaan zijn, maar ze wachtte nu op meer goede woorden van mijnheer Frederik.
„Mevrouw !" — zei hij — „ik ben nog nooit zoo bedroefd geweest. Ik hoopte, door hem een ander, een beter mensch te worden ; de noodzakelijkheid daarvan heeft hij mij zóó duidelijk doen zien, dat ik in alles zijn raad volgde, en nu — is 't gedaan, voor eeuwig gedaan —"
De oude heer scheen de pijn aan zijn gewond been te vergeten, zoodra hij Marie naar hem toe zag komen.
Zij stak hem haar hand toe, en terwijl hij die vasthield, zei hij :
„Moeder is nu al lang daar, en Virginie ook al, en nu weer Dilleman : zóó haalt de Herder Zijn schaapjes thuis, en ons laat Hij nog hier, om zoo maar voort te doen, onder Zijn oog en hoede. Hij weet het wel, kind ! dat wij zoo bedroefd zijn ; Hij weet alles. Maar Hij zal ook ons tot Zich nemen, en dan is alle smart vergeten en zullen we immer blijde zijn."

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's