De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

4 minuten leestijd

Het misbruiken van den Zondag.
Er openbaart zich, voor zoover dit in den laatsten tijd aan den dag is gekomen op het stuk van de Zondagsrust voor het personeel in openbaren dienst een tegengestelde meening tusschen den Minister van Waterstaat en de overige leden van het Kabinet, althans zoo wij, wat de laatste bewindslieden betreft, dezen in één adem mogen noemen met het Hoofd van het Departement van Binnenlandsche Zaken en Landbouw.
Het standpunt van laatstgenoemden titularis vindt men in het Ontwerp-Zondagswet, waarin omtrent het bovengenoemde personeel wordt bepaald : „Bij openbare middelen van vervoer wordt de dienst op Zondag zooveel mogelijk beperkt."
Ter toelichting van dezen maatregel schrijft Minister Ruys : „Van de Overheid kan met grond verwacht worden, dat zij zelve bij het inrichten en regelen van den publieken dienst het goede voorbeeld geeft en dat zij voorts maatregelen treft, welke voorkomen dat de wijding van den Zondag buiten bepaalde noodzaak worde verstoord, welke de mogelijkheid van vervulling van godsdienstplichten in den ruimsten ziin bevorderen, welke eindelijk tegengaan, dat aan de uitspanning van sommigen de rust van anderen worde opgeofferd."
Zoowel met de bepaling van artikel 3 als met de gegeven toelichting gaan wij volkomen acooord. Het lijkt ons het juiste standpunt dat een Kabinet, hetwelk zich op het christelijk levensbeginsel plaatst, behoort in te nemen.
Maar zoo schijnt de Minister van Waterstaat niet over de zaak te denken. Eerst kwam dit uit, toen bij de Vlootwet-demonstratie te Amsterdam meer dan 40 extra treinen uit alle deelen des lands de betoogers op Zondag naar de hoofdstad des lands vervoerden.
En hetzelfde gebeurde onlangs in verband met een te Antwerpen gehouden voetbalwedstrijd op Zondag.
Ook bij deze gelegenheid sprak Minister van Swaay, die daarover werd geinterpelleerd, als zijn meening uit, dat wat zich ten vervoer aanbiedt ook vervoerd moet worden; zoo noodig in vóór-, volg-of extra treinen.
Echter wat thans plaats heeft, loopt de spuigaten uit.
De Nederiandsche Spoorwegen geeft dezen zomer, te beginnen met 15 Juni, goedkoope retourkaarten uit voor de lijn Rotterdam—Hoek van Holland, uitsluitend op Zondag.
Op deze manier lokt de Directie der Spoorwegen zelf het publiek uit om op Zondag te gaan reizen en komt er dan een overstelpende drukte aan de stations, veroorzaakt door de menschen, die van het goedkoope spoorkaartje willen gebruik maken, dan heeft zij den Minister aan haar zijde, die van oordeel is, dat wie zich aanmeldt, ook recht heeft op vervoer.
Zoo neemt opzettelijk ontheiliging van den Dag des Heeren gaandeweg toe.
Het is te hopen, dat de Ministerraad met bekwamen spoed den Minister van Waterstaat aan het verstand brengt, dat hij zijn onverschilligheid op het punt, waarom het hier gaat, laat varen.
Aan het misbruiken van den Zondag behoort een einde te komen.

Principieel debat.
In langen tijid is er in 's Lands raadszaal niet een principieel debat gevoerd, dat zoo scherp de beginselen belijnde als de vorige week, toen het in verband met de weigering van de Koninklijke goedkeuring op de gewijzigde Statuten van de Vereeniging „De Dageraad" ging over de goede zeden als grondslag van de moraal en van het zedelijk leven.
Zooals onze lezers zich zullen herinneren, werd de goedkeuring geweigerd, omdat de Vrijdenkersvereeniging, „beoogende een vanuit atheïstisch standpunt na te streven vrije en volledige ontwikkeling der menschelijke persoonlijkheid, de in God haar oorsprong vindende normen voor het leven terzijde stelt en mitsdien in beginsel zich richt tegen de goede zeden."
Met zoo de kwestie te stellen, stonden de twee levensrichtingen, door de scheidingslijn van het ongeloof getrokken, vierkant tegenover elkander geplaatst.
De eene levensovertuiging, waarin het beginsel naar voren treedt, dat de Overheid, die zich dienaresse Gods weet en zich uit dien
hoofde gebonden acht aan wat Hij als Zijn wil en wet heeft geopenbaard.
De andere levensbeschouwing, die het beginsel huldigt van den mensch in vrije ontwikkeling op den grondslag, dat God niet bestaat, alzoo de mensch, doende wat hij verkiest, omdat hij geen macht erkent, die boven hem staat.
Deze groote tegenstelling beheerschte het debat, dat bijna twee volle dagen duurde en waarin de geheele linkerzijde als een eenig man optrok tegen de regeering en de haar steunende rechterzijde.
Opnieuw werd hier gedemonstreerd hoe diep de antithese zich ook in het leven van ons volk heeft ingewerkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's