Staat en Maatschappij.
Het ambtsgebed.
In den laatsten tijd gaan de Gemeenteraden er meer en meer toe over om het ambtsgebed bij den aanvang der werkzaamheden in te voeren.
Jammer, dat nog in zoo menige gemeente, ook al is de Raad in meerderheid rechts, op dit punt geen eenstemmigbeid bestaat.
Zoo verzet b.v. „De Nederlander", het hoofdorgaan van de Chr. Hist. Unie, zich nog steeds tegen „opgelegde ambtsgebeden". De reden daarvan is, dat men van dien kant het invoeren van het gebed in strijd met de gewetensvrijheid acht.
Anders staat het bij de Antirevolutionairen en Staatkundig Gereformeerden.
Zij belijden, dat de Overheid geroepen is om in hare vergaderingen door een publiek gebed Gods souvereiniteit te erkennen.
Reeds het eenvoudige gebed kan daar uiting aan geven.
Zoo lazen wij onlangs een Gemeenteraadsgebed, dat van dezen inhoud was : „Almachtige God, wij bidden U om Uwen onmisbaren zegen bij de volbrenging der werkzaamheden, die ons zijn opgelegd. Amen."
Welke bezwaren kunnen tegen zulk een gebed bestaan ?
Ons dunkt, dat een leider — atheïsten misschien uitgezonderd — aan zulk een gebed kan deelnemen.
Gewoonlijk behooren de tegenstanders van het ambtsgebed tot de partijen der linkerzijde, zoodat menigmaal de invoering op den onwil van deze personen afstuit.
Ook al is het hier en daar mogelijk om het ambtsgebed in te voeren, er zal toch ook hiermede moeten worden gerekend, dat, wanneer de continuïteit van de politieke richting niet vaststaat, een voorzichtig optreden gewenscht is, wil het invoeren van het ambtsgebed de teederheid van de zaak, waarom het gaat, niet schaden.
's Lands financiën.
Hoe het op dit oogenblik met den finianciëelen toestand des lands staat? Op die vraag heeft Minister Colijn de vorige week in een radio-rede voor den zender van de Hilversumsche Seintoestellenfabriek een antwoord gegeven. . Wij laten het ongewone van de wijze, waarop de Min. van Financiën sprak, rusten, en bepalen ons alleen maar tot de feiten, die hij in zijn rede naar voren bracht.
En dan as het zeker verblijdend uiit den mond van den Minister te mogen vernemen, dat er kans bestaat dat het jaar 1925 een sluitende begrooting zal opleveren.
Wel leverde de versobering van den Staatsdienst instede van 40 millioen, zooals deze was geraamd, slechts 25 millioen op, maar tegenover dezen tegenvaller staat, dat het Onderwijswetje 12'/2 milliioen en de bezuiniging op de militaire uitgaven een zelfde bedrag zal opleveren. Het tekort op de spoorwegen en de posterijen komt te vervallen, dank zij een aanzienlijk overschot op den laatsten dienst.
Met deze baten is reeds driekwart Van de noodzakelijke bezuiniging gevonden.
Het restant van de besparing zal worden verkregen uit den verhoogden bieraccijns, de thee-en rijwielbelasting, welke reeds zijn aangenomen, terwijl de andere maatregelen als de wijziging van het tarief, de verhooging van den accijns op tabak, enz., in wetsontwerpen aanhangig zijn.
De Minister kon dan ook zeggen, wat het deel van zijn arbeid betreft, dat dit is afgewerkt.
Niet ten onrechte mocht de President van de Nederlandsche Bank in zijn jaarverslag 1923—1924 met groote waardeering constateeren; dat de Nederlandsche Regeering met veel ernst zich toelegt op het doen verdwijnen van het tekort op de Staatsbegrooting.
Het vaststellen van dit feit door mr. Vissering, waarbij ook met ingenomenheid wordt gewaagd van het richtige regeeringsbeleid op finaniciëel gebied in onze Oost-Indische Koloniën, zal voor het Kabinet een genoegdoening zijn en tevens een spoorslag wezen om maatregelen te treffen tot het verkrijgen van een blijvende verbetering van 's lands financiën.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's