Uit het kerkelijk leven.
Des Heeren heilig Avondmaal.
Jezus Christus is en blijft het middelpunt van het geloofsleven ; het middelpunt van de prediking ; en dan, zooals Paulus gezegd heeft : Jezus Christus en die gekruist.
Daar moet de ziele telkens weer heen vluchten, waar het kruis staat. Want daar volbrengt Sions Borg en Middelaar al het werk, dat er tot verlossing en zaligheid van een arm zondaarsvolk bij God te doen is.
Vandaar dat Jezus Zelf ook gezegd heeft, dat het Avondmaal, tot op den laatsten dag toe, door de Gemeente in eere moet worden gehouden, om daar bizonderlijk, bij gebroken brood en bij wijn die vergoten wordt, den dood des Heeren te gedenken.
Laten Gods kinderen, de kleinen in 't geloof en de meer gevorderden saam, dat toch niet vergeten, dat het Heilig Avondmaal van Christus Zelf is ingesteld, om vertroost, gesterkt en bemoedigd te worden, tot eere Gods en tot welstand der ziele.
Wat de kenmerken van de ware Avondmaalgangers zijn ?
Allereerst dat zij zich weten inbegrepen in gansch het menschengeslacht, dat van God is afgevallen en voor God verdoemelijk ligt. (Rom. 3 : 10). Die levensen wereldbeschouwing moet den Avondmaalganger eigen zijn ; geheel in overeenstemming met hetgeen de H. Schrift ons leert.
Maar eigen zonde en eigen schuld moet daarbij op den voorgrond staan. Want de Heere schept er geen welbehagen in, dat wij van oordeel zijn, dat onze buurman een zondaar is, maar dat ons harte verbroken en ónze geest gansch verslagen is vanwege onze zonden en ónze verlorenheid.
Worden zóó Gods heiligen in de Schrift niet telkens geteekend, als roepende uit de diepte van ellende tot God, Hem smeekende om genadige verzoening van de schuld en lieflijke bedekking van hetgeen is misdreven ?
Door geestelijke blindheid en dwaze hoogmoed verstonden de Farizeën en de Schriftgeleerden dat in Jezus' dagen niet. Die roemden maar in de vrijheid en prezen zichzelf gelukkig vanwege hun deugd en braafheid, niet wetende, dat hun vader de duivel was en hun kleed der gerechtigheid voor God verwerpelijk werd bevonden.
Daarom moet als het eerste kenmerk van den waren Avondmaalganger genoemd worden : een mishagen aan zichzelf te hebben vanwege de zonden, die daar liggen voor Gods heilig aangezicht. En de Heiliege Geest, die dat werkt, lokt en trekt dan tot Christus.
De mondbelijder en de eigengerechtige verstaat dat niet. Die praat over de zonde, terwijl hij niet weet wat zonde is.
En alzoo pratend over dingen die hij niet kent, ervaart hij ook niet, dat de Geest er lust in heeft om een zondaarsziel te lokken en te trekken tot Christus.
Dat is het tweede kenmerk van den waren Avondmaalganger : een hartelijk begeeren naar Christus, Slons Borg en Middelaar, die op Golgotha gestorven is, om te kunnen zeggen : „Komt laat ons te zamen rechten en al waren uwe zonden als scharlaken, ik wil ze wasschen en maken witter dan sneeuw."
Juist aan de Avondmaalstafel wil de verhoogde en verheerlijkte Heiland in 't midden van een arm zondaarsvolk rondgaan met Zijne vertroostingen, welke alle voortkomen uit dat bloed, dat reinigt van alle zonden.
Wat ongelukkig dan, wanneer wij zeggen : dat wij geen zonden hebben ; dan liegen wij en de waarheid is in ons niet. Maar welgelukzalig de ziel, die hare zonden en haar schuld voor den Heere in oprechtheid mag bekennen ; want dan ligt er een rijke vertroosting, dat de Heere getrouw en rechtvaardig is, dat Hij ons de zonden wil vergeven ; wat alleen kan en zal geschieden om de wille van hetgeen Christus voor Zijn volk heeft verworven aan Golgotha's kruis.
Zalig voorrecht voor arme zondaren, dat er in den weg Jezus Christus verzoening is van alle schuld bij den Heere, die Zich als de God aller genade aan Zijn Sion heeft bekend gemaakt.
„'k Bekende, o Heer, aan U oprecht mijn zonden, 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden, Maar ik beleed, na ernstig overleg. Mijn booze daan", zoo mag de dichter van Psalm 32 zeggen ; om dan te laten volgen : „Gij naamt die gunstig weg."
Dat is de verzekering des geloofs voor Gods kinderen in en door de vergeving der zonden, enkel uit genade, om des Middelaars
bloed : „Gij naamt die gunstig weg."
En daarbij moeten Gods kinderen middellijk gevoed en gesterkt worden. Dat gaat maar niet vanzelf; evenmin als de mensch, wat zijn natuurlijk leven betreft, zonder voedsel en drank tot zich te nemen, bestaan kan. De middelen, van God Zelf daartoe verordineerd, moeten daarom door Gods kinderen geloovig worden gebruikt en dat zijn dan: het Woord en de Sacramenten; bizonderlijk in dit geval: het Sacrament van het Heilig Avondhiaal.
Of heeft onze belijdenis niet van ouds 't zóó gezegd: „Wij gelooven en belijden, dat onze Zaligmaker Jezus Christus het sacrament des heiligen Avondmaals heeft verordend en ingesteld, om te voeden en te onderhouden degenen, die Hij alreede wedergeboren en in Zijn huisgezin, hetwelk is Zijne Kerk, ingelijfd heeft. Nu hebben degenen, die wedergeboren zijn, in zich tweeërlei leven : het ééne lichamelijk en tijdelijk, het andere is geestelijk en hemelsch. Om het geestelijk en hemelsch leven te onderhouden, hetwelk de geloovigen hebben, heeft Hij hun gezonden een levend brood, dat van den hemel nedergedaald is, te weten, Jezus Christus (Joh. 6), welke het geestelijke leven der geloovigen voedt en onderhoudt, als Hij gegeten, dat is : toegeeigend en ontvangen wordt door het geloof in den geest. Om ons dit geestelijk en hemelsch brood af te bedden, heeft Christus verordend een aardsch en zienlijk brood, hetwelk een sacrament is van Zijn lichaam en den wijn een sacrament van Zijn bloed, om ons te betuigen, dat, zoo waarachtiglijk als wij het sacrament ontvangen en houden in onze handen en hetzelve eten en drinken met onzen mond, waarmede ons leven daarna onderhouden wordt, wij ook zoo waarachtiglijk door het geloof, hetwelk de hand en de mond onzer ziel is, het ware lichaam en het ware bloed van Christus, onzen eenigen Zaligmaker, ontvangt in onze zielen tot ons geestelijk leven."
Nu, zoo is het zeker en ongetwijfeld, dat ons Jezus Christus Zijne Sacramenten niet tevergeefs heeft bevolen ; en werkt Hij dan in ons, al wat Hii door deze heilige teekenen ons voor oogen stelt, hoewel de manier waarop dat geschiedt ons verstand te boven gaat en ons onbegrijpelijk is, gelijk de werking van den Heiligen Geest verborgen en onbegrijpelijk is."
Waarop de Ned. Geloofsbelijdenis dan doet volgen :
„Alzoo dan blijft Jezus Christus altijd zittende ter Rechterhand Gods Zijns Vaders in de hemelen en laat toch daarom niet na Zichzelven ons deelachtig te maken door het geloof.
Deze maaltijd is eene geestelijke tafel, aan dewelke Christus Zichzelven ons meedeelt met al Zijne goederen en doet ons aan dezelve genieten, zoowel Zichzelven als de verdiensten Zijns lijdens en stervens, voedende, sterkende en vertroostende onze arme troostelooze ziel door het eten Zijns vleesches en haar verkwikkende en vermakende door den drank Zijns bloeds."
Dat is de altijd weer versche weg, door Christus gebaand, om met verzoening der zonden God te ontmoeten met vrede en vroolijkheid.
Aan dien weg ontgroeit de Gemeente des Heeren nooit en wanneer de schapen van Christus wèl geweid worden, zullen zij altijd weer gewezen worden in dezen weg te gaan, waarbij de herder niet zal achterblijven om z'n schapen, hem van Godswege toevertrouwd, in liefde te dwingen en te dringen van deze dingen niet af te wijken en in deze niet te verkoelen noch te verachteren.
Wij hooren aangaande deze dingen soms wonderlijke berichten èn wat de herders èn wat de schapen aangaat.
Verstaat men niet meer, dat de Heilige Geest altijd op Christus aanwerkt, om uit Christus te riemen en het voor armen en ellendigen uit te spreiden, waarbij de Christus Zelf zegt : „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven" ?
Dat de wereld hier den neus voor optrekt, is te verstaan.
Dat de ongeloovige mensch, die boven Gods Woord uitgegroeid is in wijsheid, niet wetende een dwaas te zijn, deze oude dingen als oude dwaalbegrippen en verouderde plechtigheden opzij zet, verwondere ons niet.
Maar dat in het midden van de Gemeente des Heeren de vertroostende kant van des Heeren heilig Avondmaal zoo weinig naar voren gebracht wordt voor kleinmoedigen bedroeft ons ; waar bij bewust of onbewust, gepredikt wordt dat de mensch eerst dit en eerst dat moet hebben ervaren en doorgemaakt, alvorens hij (of zij) aan den disch des Verbonds mag aanzitten.
Dan gaat de mensch oordeelen, dat hij (of zij) de vrijmoedigheid moet ontleenen aan eigen heerlijkheid of boetvaardigheid of geloof of gebed of werkzaamheid of belijdenis — terwijl het Evangelie des Kruises is : om als een arm, verloren zondaar in den weg des bloeds te smeeken om genade en geen recht; de kinderen Gods, de kleinen en de grooten, opwekkend om met vrijmoedigheid in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een verschen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is door Zijn vleesch." (Hebr. 10 vers 20).
Niets, niets behoeven we mee te brengen dan een heilig begeeren naar Jezus Christus en dien gekruisigd ; dat is het boetekleed dat ons siert voor God ; dat is het bruiloftskleed, dat ons mee doet aanzitten in het midden van Gods gemeente.
Zalig dan die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid ; want zij zullen verzadigd worden.
En zij het ook onder ons, in deze weken van Avondmaalsviering gelijk de Ned. Geloofsbelijdenis zegt : „Wij ontvangen het heilige Sacrament in de verzameling van het volk Gods met ootmoedigheid en eerbied, onder ons houdende eene heilige gedachtenis van den dood van Christus, onzen Zaligmaker, met dankzegging, en doen aldaar belijdenis 'van ons geloof en van de Christelijke Religie." (Art. 35 Ned. Gel. bel.).
Gelooven op gezag.
Wat is er al niet veel geschreven over de vraag : waarop steunt ons geloof ? wat is de grond van ons geloof ?
Bestaan de dingen, omdat wij ze denken en gevoelen en gelooven ?
Of gelooven wij, weten wij, belijden wij, omdat de dingen bestaan ?
En als het bestaan de grond is van ons denken, voelen en gelooven — en niet omgekeerd — hoe komen wij dan aan de kennis van de dingen die bestaan, hoe gelooven wij; wat is het wezen van het geloof, wat is de grond van het geloof des christens ?
De christen spreekt dan van ouds gaarne van de autoriteit of het gezag van Gods Woord ; Gods Woord, den Bijbel, beschouwend als de bizondere Godsopenbaring.
In den weg van die bizondere Godsopenbaring komt de christen, door Gods Geest die Zich van het Woord bedient, tot het waar zaligmakend geloof, dat in wezen een vast vertrouwen is op God in Christus, inhoud en helderheid ontvangend door het Woord, van God gegeven.
Het is de Christus der Schriften, waar om het gaat.
Het is het Evangelie der Schriften, wat geloofd wordt.
Het is een Schriftuurlijk geloof, waar van de christen spreekt.
En zoo komt er gezag, autoriteit _— en wel goddelijk gezag en goddelijke autoriteit voor den christen, waaronder hij zich gewillig buigt en waarop hij gaarne van harte en oprecht gelooft, omhelzende Jezus Christus, Sions volkomen Borg en Middelaar, in alles de Christus der Schriften.
Wat zijn de orthodoxe christenen onder ons uitgelachen door de vrijzinnigen om dat gezag en om die autoriteit, welke zij minachten, sprekend van een vrij geloof, naar de inspraak van het hart en van het geweten.
Alle gezag weg! Vrijheid, blijheid. Vrije vroomheid.
Waarbij de Schrift in het gedrang kwam ; waarnij de Christus der Schriften verworpen werd; waarbij het Schriftuurlijk geloof had afgedaan ; alles plaats makend voor vrije vroomheid.
De moderne wilde niet onder een juk leven en wilde niet onder gezag zich bukken. Niet bemerkend, dat hij zoo kwam onder een ander juk en onder andere autoriteit; en wel onder een hard juk, n.l. het juk van den vromen mensch.
Men lachte Rome uit met Kerk en traditie en paus.
Men lachte den orthodoxen protestant uit met z'n Bijbel, dien papieren paus ; en met de belijdenis der Kerk, zijnde dood formalisme.
En nu begint men wat terug te krabbelen.
De vrije vroomheid laat in den steek. Men zoekt naar iets anders ; naar iets dat houvast kan geven in geloofszaken. Men begint ook te vragen naar gezag en autoriteit; 't welk de mensch noodig heeft voor leven en sterven.
Immers op de Noord-Hollandsche Predikantenvergadering zal 7 Juli a.s. ds. G. J. J. Rensink van Westzaan over deze dingen spreken en hij zal daarbij deze stellingen verdedigen:
a. Onder gezagserkenning wordt verstaan de erkenning van stellingen en geboden als normatief, op grond van het feit, dat zij afkomstig zijn van iemand, wiens autoriteit men erkent.
b. Er is geen godsdienst denkbaar zonder gezagserkenning.
c. De „gezagskwestie" bij de richtingsverschillen in het Christendom aldus gesteld, alsof de orthodoxie zou gelooven op gezag, het modemisme geen uitwendig gezag zou erkennen, bestaat in werkelijikheid niet.
d. Het verschil in gezagsopvatting tusschen Katholiek, Orthodox en modern Protestant betreft niet het gezag zelf, doch uitsluitend de practische vraag waar de Gezaghebber spreekt : in de kerk, in den Bijbel of in het menschenhart.
Heeft dit niet iets tot ons te zeggen ?
Daar gaat de vrije, vrome mensch, die al de schatten wilde uitgraven uit zichzelf, uit eigen ervaren, uit eigen weten, uit eigen denken, uit eigen geloof.
En de keus moet gedaan : óf de Kerk (Rome) óf de Bijbel (het echte Protestantisme) óf het menschenhart (de modern religieuse).
Hebben de groote Reformatoren het zoo geheel mis gehad ?
Heeft de orthodoxie, de gezonde orthodoxie, het zoo geheel mis ?
We leven wel in merkwaardige tijden. Onlangs schreef een ethisch theoloog in „Bergopwaarts", dat de ethischen zoo verkeerd hebben gedaan, om zoo laag neer te zien op de dogmatiek. En er werd geroepen om meer dogmatische studie, meer dogmatische kennis, meer dogmatische preeken !
En nu in moderne kringen wordt de stelling verdedigd : er is geen godsdienst denkbaar zonder gezagserkenning. Waarbij het gezag van „eigen hart" wel wat in twijfel getrokken wordt......
Zou men èn in ethische kringen èn onder de modernen niet wijs doen, om terug te keeren en méér terug te keeren tot Gods Woord, tot den Bijbel, tot den Christus der Schriften, tot ons Bijbelsch geloof, tot dat geloof en die belijdenis, door onze Gereformeerde Vaderen omhelsd, verdedigd en uiteengezet, zooals de aloude belijdenis der Kerk onder ons nog doet hooren ?
Zóó een geestelijk bad is voor ons tegenwoordig geslacht wel noodig. Het kan niet anders dan heilzaam en versterkend werken, tot geestelijken wasdom en blijdschap.
De Waalsche Gemeenten.
Er worden wel eens dingen aan de hand gehouden, die men waarlijk wel kon laten schieten, omdat ze afgedaan hebben.
Vooral de modernen staan nog al eens klaar met het verwijt aan ons adres, dat wij, als verstokte conservatieven, zoo 'n massa dingen, die al lang uit den tijd zijn, willen bewaren; onder welke dingen, die verouderd zijn, zij dan ook rekenen de hoofdwaarheden van ons christelijk geloof.
Zoo zouden ze liefst heel onze belijdenis maar aan kant zetten. En van de drie Formulieren van Eenigheid willen ze niet weten. Zulke oude dingen, wat heeft men er aan ?
Betere dingen konden zij nu evenwel doen. Heel de regeling met de Waalsche Gemeenten is uit den tijd ; dat past absoluut niet meer in het kader van ons kerkelijk leven ; laten, vooral de modernen, nu eens meehelpen om hier alles radicaal te wijzigen ! 't Is noodig !
De Waalsche Kerken worden èn door de Regeering èn door de Synodale organisatie voor „vol" aangezien. En ze zijn dat in werkelijkheid niet; wat bij den eersten aanblik duidelijk is.
Laat ons hier nog eens een lijstje geven :
1. A'dam met 3387 gemeenteleden en 2 pred. 2. Arnhem mett 142 gemeenteleden en 1 pred. 3. Breda met 75 gemeemteleden en 1 pred. 4. Delft met 102 gemeenteleden en 1 pred. 5. Dordt met 160 gemeenteleden en 1 pred. 6. Den Haag met 1857 gemeenteleden en 2 pred. 7. Groningen met 85 gemeenteleden en 1 pred. 8. Haarlem met 240 gemeenteleden en 1 pred. 9. 's Hertogenbosch met 21 gemeenteleden 1 pred. 10. Leiden met 423 gemeenteleden en 2 pred. 11. Maastricht met 33 gemeenteleden en 1 pred. 12. Middelburg met 90 gemeenteleden en 1 pred. 13. Nijmegen met 138 gemeenteleden en 1 pred. 14. Rotterdam met 834 gemeenteleden en 3 pred. 15. Utrecht met 343 gemeenteleden en 1 pred. 16. Voorburg met 10 gemeenteleden en O pred. 17. Zwolle met 36 gemeenteleden en l.pred.
Dat zijn dus 16 (17) gemeenten, waarvan er zijn met 21, 23, 33, 36, 75, 85, 90 enz. leden, samen rnet 21 predikanten !
Die gemeenten genieten Rijkstractement: Amsterdam ƒ 4469.— met Rijksemeritaatspenwioen van ƒ 2800.— ; Amhem ƒ 1050.—met Rijks emeritaatspensioen van ƒ 1470.—-; Breda ƒ 1000.— met Rijks emeritaatspens. van ƒ 1400.—; Den Haag met ƒ 3050.— + ƒ 2850.--= ƒ 5900.— Rijkstractement en ƒ 2800.— + ƒ 2660.— = ƒ 5460.— Rijkspensioen enz. enz.
Hoe vindt men nu zulke toestanden, politiek genomen ?
Groningen met 85 leden geniet ƒ 1300 Rijkstractement met een Rijksemeritaats pensioen van ƒ 1820.— per jaar ; Maastricht met 33 leden krijgt ƒ 1600 Rijkstractement rnet een Rijksemeritaatspensioen van ƒ 2240.— per jaar.
Kon dat nu niet gemakkelijk anders ? Kunnen die uitgaven uit 's Rijks schatkist niet beter besteed worden ? b. v. door er predikantsplaatsen van de Hervormde Gemeente van te maken ? Zou bet geld uit de Nederlandsche schatkist dan niet meer beantwoorden aan de behoeften, die er zijn ?
Maar om nu te blijven bij de plaats die de Waalsche Kerken in het midden van ons kerkelijk leven en ten opzichte van de Synode innemen : is het billijk en is het te verdedigen, dat die 16 gemeenten, waarvan er verscheidene buitengewoon klein zijn (21, 23, 33, 75, 85, 90 enz. leden tellend) gelijk staan met een provincie ten onzent en b.v. nu weer twee leden afvaardigen (^/^ van het geheel) ?
Niemand die dat zal kunnen verdedigen !
Temeer waar b.v. een provincie als Limburg eenvoudig niet gerekend wordt bij de afvaandiging naar de Synode, door dat het bij Noord-Brabant is ingedeeld. Zoo zenden Noord-Brabant en Limburg samen dit jaar één afgevaardigde naar de Synode, terwijl de Waalsche Commissie er twee zendt !
En Limburg telt nog 19 gemeenten, waarvan Maastricht 1500, Meerssen 140, Heerlen 5000, Hoensbroek 2500, Brunssum 2000, Kerkrade 2000, Sittard 400, Roermond 800, Venlo 600 enz. leden heeft, saam met 23 predikanten.
De Waalsche Kerken, 16 in getal, met 21 predikanten, vaardigen dus in 1924 twee leden af.
De Nederlandsche Kerken in Limburg, 19 in getal, met 23 predikanten, tellen niet mee. Moet dat nu niet veranderen ? Het antwoord kan niet twijfelachtig wezen, zelfs bij de modernen niet, al zijn ze soms nóg zoo conservatief, als 't in hun kraam te pas komt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's