Stichtelijke overdenking.
Een Eerste Ontmoeting.
En Izak was uitgegaan om te midden, in het veld, tegen het naken van den avond ; en hij hief zijn oogen op, en zag toe, en ziet! de kemelen kwamen. Rebekka hief ook haar oogen op, en zij zag Izak ; en zij viel van den kemel af. En zij zeide tot den knecht: Wie is die man die ons in het veld tegemoet wandelt ? En de knecht zeide: Dat is mijn Heer! Toen nam zij den sluier en bedekte zich. En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had. En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouwe, en hij had haar lief. Alzoo werd Izak getroost na zijn moeders dood. Genesis 24 vers 63—67.
Sam's tent was leeg. Sedert ongeveer drie jaren rustte het stoffelijk overschot dezer moeder in Machpela's spelonk, door Abraham gekocht voor den gevraagden prijs van de zonen van Heth. Zij was de eerste, die aldaar werd bijgezet. Maar velen kwamen haar later volgen : Abraham en Izak en Lea en Jacob, een gansch geslacht van Adamskinderen, nademaal het immers den mensch gezet is te sterven, en de rouwklagers, over de straten gaande, zullen afkondigen zijn heenreis naar het eeuwig huis.
Sara's tent was ledig. Wat dat voor Izak, den zoon des ouderdoms, het troetelkind zijner ouders, inhield, kunnen zij onder onze lezers zich het best voorstellen, die zelf een dierbare moeder grafwaarts hebben gebracht. Tranen welden op in zijn oogen, zijn ingewand kromp ineen, wanneer hij voorbij de eenzame tent zijner moeder wandelde. Dan vernam hij haar stem niet meer. Hoe menigmaal was hij daar in-en uitgegaan, om lief en leed met de dierbare te bespreken. Maar dat al was voorbij, onherroepelijk voorbij. — Eén troost echter bezat hij, een rijken, heerlijken troost : zijn moeder was vertrokken naar den hemel, het land der ruste voor Gods kinderen. Daar zou hij haar wedervinden ; op de scheiding zou hereeniging volgen in het Vaderhuis met de vele woningen, waar nimmer een tent ledig zal komen te staan.
Sara's stille tent zal weer worden vervuld. Jonge voeten zullen er loopen, een jonge stem zal er klinken. Een jonge gestalte, vol gratie, zal er zich bewegen. En dat zal Izak's bruid zijn. Immers leezer, de knecht des huizes, was met tien kamelen heengereisd naar verren lande, om een vrouw voor hem te zoeken. En welhaast zou de knecht wederkomen, en met zich voeren den kostbaren last.
In het veld bad Izak, in 't frissche open veld, op 't groene grastapijt, tusschen de geurige, fleurige bloemen, bij zangerige vogelen, onder het koepeldak van blauwwelvende luchten, in rood-doortintelden schemerschijn, bij zinkende zonne. Daar zong het in zijn ziel:
De gouden zon weet, waar zij schuil moet gaan ; De wisseling der wisselende maan, Aan tijd en loop op 't wonderbaarst verbonden, Verschijnt ons oog op haar bepaaIde stonden.
Daar verloor zijn ziel zich in de grootheid en liefde van Eloihim. Daar verrees ook het beeld van Messias voor zijn geestesoog. Dien hij zelf eenmaal had afgebeeld, toen op Moria's berg zijn vader voor hem stond met scherpgewet mes, doch de Engel des Heeren geroepen had : „Strek uwe hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets, want nu weet ik, dat gij Godvreezend zijt, en uw zoon, uw eenigen van Mij niet hebt onthouden !" —Daar dacht hij ook aan zijn bruid, die Eliëzer voor hem zocht, die de Heere hem als met Zijne hand zou toevoeren, die hij nog nimmer had aanschouwd, en toch reeds beminde, wijl hij gebed voor haar had, wijl de Hemel hem haar schonk, en de heilige band des huwelijks hen straks samensnoeren zou.
Daar zóó de liefde viel, Smolt liefde ziel met ziel. En hart met hart tegader. Die liefde is sterker dan de dood ; Geen liefde komt Gods liefde nader. Noch is zoo groot.
Meditatiën en smeekbeden, dankzeggingen en lofprijzingen vermenigvuldigden zich nu lzak's hart, als met vleugelen steeg zijn ziel omhoog. — Maar welke geluiden treffen zijn oor ? Geroes en gezuis, klingelen van bellen, zingen van drijvers, dreunen van dierenvoeten, al de bekende geluiden eener naderende karavaan. „En hij hief zijn oogen op, en zag toe, en ziet! de kemelen kwamen."
Rebekka, de jonge, schoone maagd, woonde vèr weg, aan de andere zijde der onafzienbare zandzee, bij haar vader Bethuël, haar moeder, en haar broeder Laban ; en zij was gelukkig, naar zij meende, zonder Izak. Ach, zij kende hem slechts bij name, maar zijn liefde kende zij niet. — Zoo leeft ook de onbekeerde zondaar schijngelukkig in de wereld, die, ja, van Jezus hoorde, maar uit de bron Zijner reine hemelliefde nimmer dronk. Maar de ziel, die eenmaal Jezus leerde leven, blijft door gouden ketenen van eeuwige liefde aan Jezus gebonden. Hemelliefde toch wekt wederliefde, ontstekend een vlam, die door vele wateren niet kan worden uitgebluscht, ja, de rivieren zouden haar niet kunnen verdrinken, en al bood iemand al het goud van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten. Maar in Rebekka's leven greep een geweldige ommekeer plaats. Tot haar hart kwam een. roepstem, als die van den Psalm der liefde :
O dochter, hoor en zie en neig uw ooren ! Verlaat, vergeet, wat ooit u kon bekoren : Uws vaders huis, uw volk, en wat voorheen U dierbaar en beminnenswaardig scheen !
Eliëzer noodigde, en zij ging. Geen tien dagen bleef zij, hoe zeer ook verlokt. Een gelukkig, alle aarzelen uitsluitend : „Ik zal trekken !" sprak zij.
Lang duurde de reis. Vleugelen had zij wenschen te bezitten. Het beeld van den haar nog onbekenden Izak zweefde haar gedurig voor oogen. Duizend gedachten gingen in haar om. — Aldus trekt ook de door God den Heiligen Geest aan zonde ontdekte ziel uit de wereld, die buiten God ligt, naar haar Bruidegom, naar Koning Jezus.
Eindelijk in het zoele Zuiderland van Kanaan gekomen, heft Rebekka haar oogen op, en aanschouwt den bidder in het veld. Dan vraagt ze naar dien man. En ze laat zich met haast van den kemel glijden, bedekt haar schaamrood aangezicht met den sluier, en vernedert zich, naar Oostersche zede, voor den aanzienlijken herders vorst in het stof.
Maar Izak nadert en brengt haar in de ledige tent zijner moeder, en huwt haar, en heeft haar lief. En Rebekka's liefde droogt, als de morgenzon, den dauw zijner tranen, over een teed're moeder geschreid, doet de wolken van zijn voorhoofd wegzweven, en maakt hem gelukkig als nimmer te voren.
Alzoo ontmoet ook eenmaal de ziel voor het eerst haar Jezus. Hebt gij er kennis aan, mijn lezer ? Zoo ja, o hoe gelukkig zijt gij. Moogt ge maar veel wederliefde betoonen ! Zoo niet, het is nog tijd, ge zijt nog in het heden. Mocht ge op uw knieën in waarheid, ootmoedig, aanhoudend, om deze weergalooze liefde leeren bedelen ! Want de Heere Jezus is het zoo waard, en gij ? Zoudt er zoo goed mee zijn ! En de ontmoeting is zoo onvergetelijk zalig, als de zoekende Bruidegom en de zoekende ziel elkander vinden. Dan is het stondetje der minne daar ; dan vallen de snoeren in liefelijke plaatsen. Dan neemt Immanuël Zijn uitverkorene op in geesteiijiken ondertrouw. Dan smaakt de ziel ongekend geluk, reeds hier beneden, zacht en streelend. Wat zal het dan wel Boven zijn. Voor des Heeren troon van heiligheid en heerlijkheid.
Dan vind ik tot in eeuwigheên bij U mijn vreugd en rust. Bij U, Wiens voeten 'k met geween Op aarde heb gekust.
Poederooijen. A. PRINS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's