Uit het kerkelijk leven.
De deur om in te gaan.
Er zijn er, die meenen, dat de Heere nauwelijks gewillig is, om een zondaar te behouden. Hij houdt de deur der genade meer gesloten, dan dat Hij ze open zet. En nu moeten arme zondaren aan 't werk gezet worden, om door verootmoediging en tranen den Heere allengs te verteederen en te bewegen om genadig te zijn. Daarbij blijft dan natuurlijk de vraag bij die arme tobbers, die in het werkhuis dienst doen, of zij er nu wel in geslaagd zijn, om den Heere te verteederen de deur open te zetten. Soms is er wel wat hoop voor hen, als ze met allerlei kenmerken komen aandragen, waarbij niet zelden veel is. dat zij hebben afgekeken van anderen en dat zij als een rol van een tooneelspeler hebben ingestudeerd en als een tweede natuur hebben aangenomen. Dan hebben ze het soms aardig ver gebracht en ze zijn toch veel beter dan die en dan die, die in taal en vorm toch maar veel van hen verschilt en bij hen achterstaat! Ze loopen aldoor met laddertjes, om over den muur heen te klimmen en als steltloopers, hoog gegroeid in hun z.g.n. bevinding, steken ze boven anderen uit. Maar, de vrees komt telkens weer terug. De deur staat op een kier en zullen zij wel kunnen ingaan ? Meestal is het vrees. En het slaat om in angst. Ach, waren zij maar als die of als die, dan zou de Heere wel met hen van doen willen hebben. En ach, wat ontbreekt er nog veel bij hen. En dan de verkiezing. De zaligheid is toch maar voor de uitverkorenen. Het Evangelie is toch maar een aanbod van genade alleen voor Gods kinderen. En daarom, wat is er veel, véél noodig tot het geloof. Zou men het woord geloof nog wel noemen ? En zou men wel zeggen : geloof in den Heere Jezus en gij zult zalig worden ? en is zoo gewoon geraakt aan het optellen van reeksen van kenmerken en en is zóó gewend geworden, om te hooren van dit en van dat, — dat men van het eenvoudige Evangelie des Kruises voor arme zondaren niet meer weet; dat men niet meer weet, dat Ghristus alles is voor degenen die niets zijn.
Er is bij dezulken blijkbaar veel méér noodig dan geloof.
O ! dat men terug mocht keeren tot het bevel Christi: „Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie allen creaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden ; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden."
Zóó wil de Heere Zijn gemeente vergaderen om in te gaan tot het eeuwige leven, waartoe Hij gaf Zijnen eeniggeboren Zoon.
Waarom legt men den menschen lasten op, daar Ghristus voor verdoemelijke zondaren al den last van Gods toorn gedragen heeft en het Evangelie de blijde boodschap bevat, dat in Hem alle gerechtigheid ligt voor een iegelijk die in Hem gelooft ?
Dat is het eeuwig wonder, dat een arm verloren zondaar leert kennen in den weg des geloofs, dat een goddelooze om niet gerechtvaardigd wordt zonder de werken der wet, in en door Jezus Christus. En waarom gaat men dan weer een fundament leggen in 't vleesch ? Waarom gaat men het Evangelie van Gods vrije genade dan omtuinen?
„Dit is, dit is de poort des Heeren, Daar zal 't rechtvaardig volk door treên, om hunnen God ootmoedig 't eeren. Voor 't maken Zijner zaligheên."
Die poort is Ghristus. En* Christus zegt: Ik ben de Deur, indien iemand door Mij 'ingaat, die zal •behouden worden ; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden." (Joh. 10 : 9). 'O ! dat men door de 'wettige deur mocht binnengaan en dat men naliet om met een ladder van „kenmerken" over 'den muur te willen klimmen. Want dat laatste geeft hals-en beenenbre'kerij, en het eerste geeft het eeuwige leven !
Om de eere Gods.
Voor den Gereformeerde komt alles op uit den wil Gods en gaat alles naar Zijn raad en welbehagen. Ef. 1:11: Die alle dingen werkt naar den raad Zijns willens." Hand. 15 : 18 : „Gode zijn al Zijne werken van eeuwigheid bekend."
Zoo komt ook de Kerk des Heeren op uit een wortel en wel uit den wortel der verkiezing.
Gelijk de boom geen stam, geen takken, geen bladeren zou hebben, indien er geen wortel, geen levende wortel zich onder den grond verborgen hield, zoó zou er ook geen volk des Heeren, geen Kerk van Christus zijn, indien daar in de eeuwigheid niet lag de verkiezing Gods tot Zaligheid. Ef. 1 : 4 : „Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem (nl. Christus) vóór de grondlegging der wereld."
Uit die wetenschap groeit de wereld- en levensbeschouwing van den christen, die niet anders wenscht te weten dan Gods Woord ons openbaart in deze.
Zoo is de leer dier uitverkiezing het hart van onze gereformeerde geloofsleer, omdat de almacht en vrijmacht Gods hier 't duidelijkst uitkomt. 2 Tim. 2 : 19 : „Het vaste fundament Gods staat, hebbende dezen zegel: de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn."
De gangen des Heeren over gansch de aarde zijn dus naar Zijn Raad en welbehagen ; en het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, blijft vast. (Rom. 9 vers 11).
Staande in dat geloof is de levens- en wereldbeschouwing van den christen — met name van den Gereformeerde — breed en wijd. Want hij mag het weten en gelooven, dat de verkiezing Gods dat over alle geslachten en volken en dat Zijn welbehagen zich uitstrekt tot de uiterste einden der aarde. Hij gelooft het vastelijk, dat geen taal ontbreken zal in den hemel en dat van alle vleesch zal komen tot de aanbidding van Christus. 2 Cor. 5 : 19 : „Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende" Ef. 1 : l0 : „Om in de bedeeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is en dat op de aarde is." (Col. 1 : 19, 20).
Dat steunt dan niet hierop, dat de mensch tenslotte nog zoo slecht niet is en dat allen zich zullen verbeteren en bekeeren en zullen ingaan in de eeuwige heerlijkheid. Want die den hemel op die pilaren wil vastzetten, zal straks een huis van teleurstelling zien.
't Steunt ook niet hierop, dat de eene mensch zoo lief en zoo vriendelijk is voor den anderen mensch, om hem van de einden der aarde te halen en binnen te brengen in het Koninkrijk Gods. Want als het hiervan komen moest, zou de feestzaal ledig blijven.
Maar 't steunt enkel en alleen op het vrijmachtig en eeuwig welbehagen des Heeren, waarbij Vader en Zoon en Heilige Geest tot in eeuwigheid de aanbidding en de dankzegging toekomt. „Ja Vader !" zoo betuigde de Heiland toen Hij op aarde wandelde, „want alzoó is geweest het welbehagen voor U." '(Math. 11 : 26). Waarbij van den Zoon getuigd wordt in den 40sten Psalm : „Toen zeide ik : zie ik kom; in de rol des boeks is voor mij geschreven. Ik heb lust, o, mijn God ! om Uw welbehagen te doen en Uw wet is in het midden mijns ingewands." En van den Heiligen Geest weten wij, dat Hij vrijwillig op Zich genomen heeft het werk der zaligheid, dat is Jezus Ghristus, aan Sion bekend te maken en toe te passen, naar den wil van Vader en Zoon.
Waar nu in de eeuwigheid die wortelen van Gods welbehagen, van Zijn Raad, van Zijn verkiezing tot zaligheid liggen, gaande over een arme, in zonden verlorene wereld ; welke wereld Hij zóó liefgehad heeft, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk , die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe — daarom zal er ook een arm zondaarsvolk, uit alle natiën en landen saamvergaard, zalig worden en de Kerk van Christus zal uitgeplant en tot openbaring komen tot aan de uiterste einden der aarde ; in den hemel der heerlijkheid zal straks van alle vleesch verschijnen, om eeuwig bij God te wonen, prijzende het Lam, dat hen Gode kocht door Zijn bloed.
Hier is de eere Gods mee gemoeid. Het is Gods wil, dat het alzoó zal geschieden. Hij moet en zal er in verheerlijkt worden. „Ja ! elk der vorsten zal zich buigen, en vallen voor Hem neer ; al 't heidendom Zijn lof getuigen, dienstvaardig tot Zijn eer."
Dit beheerscht de Kerk van Christus ook in haar Zendingswerk. Als 't goed is, zal zij daarvan moeten uitgaan.
Niet naar het vleesch zal haar redeneering moeten zijn ; en haar arbeid zal niet moeten voortkomen uit den lieven mensch, die het zoo goed bedoelt met zichzelf en het zoo goed bedoelt met zijn naaste
Want dat is een fontein, die spoedig opdroogt en het water, dat er uit voortkomt, is geen water des levens. Neen ! de Kerk van Christus zal moeten uitgaan van hetgeen ons in Gods Woord in deze is geopenbaard en de eere Gods is er mee gemoeid, dat de Kerk van Christus in deze doet wat haar hand vindt om te doen en dat zij getrouw is bij 't geen Christus Zelf haar opdroeg.
Gods verkiezende genade. Zijn welbehagen in Christus gaat over alle vleesch. Van alle vleesch zal komen tot aanbidding van het Lam Gods, dat schande en kruis verachtte voor de vreugde Hem voorgesteld : om een gemeente van alle laatsen als een reine maagd den Heere voor te stellen en op te nemen in heerlijkheid.
Daartoe heeft Christus Zelf gezegd tot Zijn Kerk : „Predikt het Evangelie allen creaturen." En, in Zijn bevel heeft Hij tegelijk een belofte gelegd, toen Hij zeide : „een iegelijk die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden." Want dat zou Hij niet gezegd hebben, indien de Zendingsarbeid ijdel zou zijn en blijven. Ja, ze zullen komen al de schapen, welke de Goede Herder kent en voor welke Hij Zijn leven liet. Van welken stal ze ook zijn. Hij kent de Zijnen en zal straks door de Zijnen gekend worden ; zij zullen Hem volgen en het eeuwige leven beërven. „Dan zal, na zooveel gunstbewijzen, 't gezegend heidendom 't geluk van dezen Koning prijzen, die Davids troon beklom."
Tot Jood, heiden en Mohammedaan heeft de Kerk van Christus dus uit te gaan, predikende het Woord. En de Heere heeft beloofd, dat Zijn Woord niet ledig tot Hem zal wederkeeren, maar doen zal wat Hem behaagt; het zal voorspoedig zijn in 't geen, waartoe Hij 't zendt.
Dien rugsteun hebben wij bij het Zendingswerk. Die drijfveer bij het prediken van Gods Woord aan alle vleesch. Gods verkiezende genade is er en de belofte, dat ze zullen komen van Noord en Zuid, van Oost en West. „God zal hen zelf bevestigen en schragen en op Zijn rol, daar Hij de volk'ren schrijft, hen tellen, als in Isrel ingelijfd en doen den naam van Slons kind'ren dragen."
Men voelt de wortel van deze zaak, van dat Zendingswerk, ligt niet in de beweging des vleesches — naar de beschouwing van den Gereformeerde. Het is hier niet de lieve, medelijdende mensch die uit zichzelf voor de volkeren der aarde zooveel goeds voortbrengt ! 't Zou wat ! Neen, de primeur heeft hier iets anders.
De wortel van deze zaak ligt in den Heere des Welbehagens ; in de verkiezing tot zaligheid in Christus van alle vleesch.
Dit standpunt wordt niet verstaan en verkeerd beoordeeld door den vrijzinnige. Dat bleek ons weer uit een geschrift van den vrijzinnigen Groningschen hoogleeraar professor Lindeboom. Want in zijn brochure : „De Psychologische beteekenis der richtingsverschillen" bizonderlijk in een noot op blz. 25, laat hij voelen, dat er hier verschil ligt bij den gereformeerde (den orthodoxe in 't algemeen) en den vrijzinnige ; en hij onderscheidt dan in rechts-ethiek (bij den gereformeerde) en liefdes-ethiek (bij den vrijzinnige).
De orthodoxen zouden tot de heidenen gaan met het Woord Gods, omdat zij wenschen te ijveren voor het recht Gods. (Dat noemt hij rechts-ethiek).
De vrijzinnigen zouden in deze handelen uit liefde en door liefde bewogen ; 't welk natuurlijk volgens prof. L. hóóger staat dan het eerste en 't welk hij liefdes-ethiek noemt.
Men voelt, dat hier de mensoh weer de eere wil hebben.
De mensoh is dan de fontein van liefde, die liefde uitgiet over den naaste. De mensch is dan de bewogene, die zich ontfermt over de volkeren.
Waarbij de Godsbeschouwlng, de beschouwing van het Woord, de beschouwing van het werk der zaligheid en van de Kerk, geheel van karakter verandert. De barmhartigheden des menschen worden op den voorgrond geschoven. Maar is dit geen bewijs, dat men in 't geheel niet begrijpt waar het bij den gereformeerde om gaat en wat er bij hen in deze leeft ?
Want ja, bij den gereformeerde gaat het om de eere Gods en om het recht Gods. God heeft er recht op, dat de volkeren Hem loven en de eere van Zijnen Naam zal worden verhoogd, als van alle natie komt om zich voor Hem te buigen. Daarin is ook Zijn lust en Zijn welbehagen. En daar moet dan ook de Kerk van Christus haar aanvang, haar bron, haar sterkte, haar moed vinden en ontvangen voor en bij dezen arbeid. Maar — wil dat nu zeggen, dat de „liefdes-ethiek" bij den gereformeerde ontbreekt ; dat hier onderscheid moet worden gemaakt en dat de gereformeerde dan moet krijgen de „rechts-ethiek" en dat voor den vrijzinnige zou overblijven de „liefdesethiek" ?
Wij ontzeggen den vrijzinnige het recht om zichzelf uitsluitend en alleen „de liefde" toe te eigenen, alsof zij de liefde-menschen zouden zijn, die alleen lief hebben den naaste, den Jood, den heiden en den Mohammedaan.
Want die liefde-menschen zijn zij niet. En wat zij geven en brengen is ook niet de hoogste liefde ; omdat zij niet brengen de liefde Gods in Jezus Christus onzen Heere, naar de Schriften. Ten slotte brengen zij steenen voor brood.
Ten slotte brengen zij, waarbij de mensch, de Jood, de heiden, de Mohammedaan niet leven kan ; niet leven kan naar het woord van den Heiland Zelf, die van Zichzelf getuigt, dat Hij de deur is, de deur, — terwijl degenen die van elders inklimmen dieven en moordenaars zijn.
Daarom zeggen wij heel ernstig, dat degenen die den Christus der Schriften, den gekruisten Christus niet kennen en brengen ; en niet leven bij het welbehagen Gods, in den Zoon Zijner liefde, Sions schuldovernemenden Borg en Middelaar, geopenbaard — niet de ware liefde tot den naaste hebben en de liefde Gods niet verstaan.
Terwijl we getuigen, dat bij Christus' Kerk, levende bij en uit die liefdie Gods, ook gevonden wordt een innerlijk ontfermen over een afgevallen wereld en een van Christus' wege bidden : laat u met God verzoenen !
En zoo hebben wij dus eigenlijk — als 't goed met ons staat — een dubbel beginsel, waaruit onze arbeid in de prediking des Woords hier en elders gestuurd en bewogen en gevoed wordt. Het is : de eere Gods ; het recht Gods ; de verheerlijking Zijns Naams. En het is : het welzijn van onzen naaste, waartoe de liefde dringt, verkondigende de blijde boodschap des Evangelies.
Neen, laat de vrijzinnige ten opzichte van ons geen onderscheid maken tusschen „rechts-ethiek" en „liefdes-ethiek" om dan op de „liefdes-ethiek" voor zichzelf de hand te leggen en van óns te zeggen, dat wij slechts „rechts-ethiek" kennen en bezitten.
Want — als 't wel is — dan, ja, dan mag er een opkomen voor de eere Gods zijn bij ons ; een spreken van Zijn recht en een ingaan tot onzen naaste, opdat hij mee zich zal leeren buigen voor dien God, in Christus.
Maar uit de liefde levend, welke de Heere in Christus aan Zijn volk komt openbaren, mag de gereformeerde iets kennen van het liefhebben van God — maar ook van het liefhebben van den naaste ; om in liefde uit te gaan en aan armen en ellendigen woorden des eeuwigen levens te brengen en in het land der duisternis te getuigen van het licht.
Liefde tot God, tot Gods eer, wekt liefde tot den naaste, tot den Jood; den heiden en den Mohammedaan. En door liefde bewogen zal dan gepredikt worden : laat u met God verzoenen, nu het 't heden der genade is en de Heere spreekt : komt tot Mij, en leeft. Zeker, wij komen veel, héél veel te kort in deze.
De beste onder ons zal de hand in eigen boezem moeten steken om hem er melaatsch uit te voorschijn te halen.
Ach — als de Jood, de heiden, de Mohammedaan het hebben moest van ónze liefde en ónze „liefdes-ethiek" — ach, arme ! Maar als de liefde Gods in Christus gekend mag worden, dan mag er ook iets worden ervaren van liefde tot den naaste. En de hoogste liefde van den eenen broeder tot den anderen is, om hem bekend te maken den Zaligmaker, die van Zichzelf getuigd heeft : Ik ben de Deur — die door Mij ingaat heeft het eeuwige leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's