De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verschoppelingen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verschoppelingen

Feuilleton.

6 minuten leestijd

EEN OORSPRONKELIJK VERHAAL DAT AANVANGT ONGEVEER 1870

HOOFDSTUK XXXIII.
Toen de oude heer begraven was, zou Marie eens uitrusten van haar moeilijk, ingespannen verzorgen en verplegen. Ze voelde zich nu geheel vrij van „Vierspronck" met zijn bewoners. Daar was haar taak afgedaan. Ze zou nu eens uitrusten bij haar eigen ouden vader en ziekelijke moeder!
Reeds de freule had gezorgd, dat hier geen gebrek behoefde geleden te worden, en zij zelf had, met wat de freule haar had toegemaakt, nog rijkelijker gezorgd. Haar jongste zuster had het de laatste jaren niet gemakkelijk gehad bij vader en moeder ; zij zelf zou nu moeder verplegen, dan kreeg Trijntje het wat vrijer. Ze hoopte zoo, dat eindelijk de oude mehschen hun strijd tegen God zouden opgeven, dat ze eindelijk als oude zondaren zich tot Christus zouden wenden. Maar ach, haar hoop vervloog geheel. Moeder op haar ziekbed begon te tieren en vader te spotten, als Marie met hen over hun eeuwige belangen sprak. En Trijntje liet haar zuster praten, zonder er zich iets van aan te trekken. O, dat was zoo ontzaglijk hard vóór Marie. Maar zooveel te ijveriger hielp zi} alle drie. En wat werd haar hulp noodig! Eerst — in Februari — kreeg vader Kooijker een beroerte, waardoor hij half verlamde en als een kind moest geholpen worden. Marie was nacht en dag gereed, om op den eersten wenk haar ouders bij te staan. 't. Arme schepsel vermagerde van al de zorgen." Zij had wél gaarne zich van gehuurde hulp willen bedienen, maar vader en moeder hadden nooit vreemden in huis willen hebben.
En zoowaar, in Maart kreeg Trijntje een zwerenden vinger : nu kon ze de koeien niet melken. Doch Marie kende en kon het nog, en de eerste twee dagen deed ze 't; maar trad tevens als meesteres in huis op en huurde een flinke boerenmeid. En zelfs toen Trijntjes vinger al lang weer genezen was, bleef er de meid.
In 't voorjaar stierf vader en in 't najaar moeder, 't Boerderijtje moest verkocht worden ; daarvan zou niets, overschieten voor de kinderen, zoodat Trijntje, die allang een „vrijer" had, niet anders dacht, dan dat ze zou moeten dienen. Marie echter had den „vrijer" als een flinken kerel leeren kennen, en ried hem en haar zuster aan te trouwen : zij zou de boerderij koopen, en Trijntje en haar man zouden er dan kunnen boeren.
Marie had nu weer een taak volbracht en kon weer uitrusten. Op „Vierspronck" rekende men er op, dat juffrouw Kooijker nu allereerst daar eens een poosje zou door brengen. Zoodra ze kon, ging ze er ook terstond heen ; doch nu was haar eerste verzoek, dat Martens haar even naar Winnewoud bracht, omdat ze zoo verlangde naar vader Dilleman. 't Bezoek te Winnewoud kon slechts kort zijn, omdat ze daar maar moeilijk — enkel bij den kuiper — kon logeeren, en ze zou dus spoedig terug zijn, om dan rustig een tijdje op "Vierspronck" te verkeeren.
Den volgenden morgen zat ze al vroeg tijdig in 't rijtuig, blijde, dat ze nu spoedig „vader" Dilleman én de kuipersfamilie zou weerzien.
In dezelfde richting, op den zelfden, eenzamen weg bewoog zich in de verte een wonderbaarlijk gedoe.
De koetsier had het al een poosje waargenomen en maakte er eindelijk ook juffrouw Kooijker opmerkzaam op. 't Was een allerbehelperigste woonwagen, Iets, wat hier geheel vreemd was, omdat het slag woonwagen-menschen hier in woonschuiten — soms zeer ellendig — leefde en 't land doortrok.
Uit pure nieuwsgierigheid zette Martens de paarden Wat sneller aan, en dichtbij gekomen, hield hij ze in, om het havelooze zaakje wat beter te kunnen opnemen. Achter den wagen liep een vrouw, in de allerschamelste plunje, te duwen, en naast haar hield een jongetje, half naakt en op bloote voetjes zich aan den wagen vast. „Hebt U ooit iets zóó ellendigs gezien ? " zei Martens, zich naar Marie keerend. „Dat roept ten hemel ! ~ zei ze — Arme schepsels !"
Dan plotseling hoorden ze een mail de verschrikkelijkste vloeken uitbraken, en op 't zelfde oogenblik wipte de tweewielige woonkar op, zoodat de disselboomen, vier ruwe latten, naar de lucht wezen, en — tusschen de latten in spartelden nu, hangend, drie magere, wezenlooze trekhonden. De kerel, inplaats van de kar terstond neer te wippen, zoodat de honden weer op hun pooten konden komen, greep een knuppel en sloeg, als een krankzinnige, er de arme onschuldige dieren mee.
„Beul ! wil je dat laten ? " schreeuwde Marie, waar het rijtuig nu de kar had ingehaald.
De onmensch had dat zeker verstaan, want terstond trok hij de dissels omlaag ; maar schudde met zijn vuist naar Marie en schold en vloekte zoo vreeselijk als zij 't nog nooit had gehoord. En nu was bovendien het halfnaakte ventje door 't wippen van de kar onder den voet geraakt, doch 't wijf greep naar het kind, sleurde 't overeind, en schudde 't arme kereltje door elkander alsof 't maar een takkebos was. En wat Marie, en ook Martens, het meest aangreep, was, dat het kind al evenmin durfde te huilen, als de honden 't waagden, van pijn te janken.
„Och, Heere God ! dat arme kind ! Martens ! ik wil er uit !" Dadelijk stonden de paarden stil ; maar nu hoorden ze toch het kind schreien ; en — nu hoorde 't zeker ook de vader, want, de plaats naast de honden verlatend, kwam hij naar achteren, greep het kind bij den hals, braakte den ijselijksten vloek uit en schreeuwde :
"Hou je smoel, of ik smoor je !" Toen slingerde hij 't kind in den slootwal. Martens was fouten zich zelf van toorn, sprong van de bok, wierp haastig 't portier open en wilde met de zweep den on­mensch te lijf. Maar de kerel haalde terstond een groot mes te voorschijn, en 't wijf greep een lat ; samen vielen ze den koetsier aan, doch van het tumult begonnen de paarden te steigeren, en daar schenen de vagebonden 't niet op begrepen te hebben. Daarbij, de drie hondenbrokken met al hun hebben en houden weg, en de eigenaars schenen niets beters te weten, dan zich met hun gerei snel uit de voeten te maken.
Marie had het ventje opgenomen. Er was bloed aan zijn beentjes en aan zijn hoofdje. „Martens, maak mijn zakdoek even nat in de sloot, kletsnat!" In een ommezien was de koetsier daarmee klaar, en daarop begon ze het vuile en bebloede kind te wasschen. 't Scheen wel, dat het geen letsel had dan een paar schrammen.
„Heb je pijn, mijn jongen? " Hij schudde van neen. Even drukte ze hem aan haar hart, en plots dacht ze aan de vroegste jeugd van haar Paul. Zij kuste zijn voorhoofdje en droeg hem in 't rijtuig. „Heb je honger? " vroeg ze. En 't ventje knikte van ja.
„Martens ! nu maar dadelijk terug !" De koetsier was zoo blij, alsof hij een grooten schat had gevonden. Hij moest ook even uiting geven aan zijn gevoel en streelde zijn hand over de ingevallen wangen van den kleinen stakkerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Verschoppelingen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1924

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's