Stichtelijke overdenking.
Op reis.
Zij wandelden samen en waren in druk gesprek. Op eens stonden zij stil, hunne oogen vielen op een groot, witgeverfd hek voor een eenvoudige, landelijke hoeve, waarop in groote zwarte letters geschilderd was : „Zelden Rust". „Ziezoo", sprak de een, „daar woon ik óók !"
„Ja", antwoordde de ander, „maar ik ook!". Zij waren beiden „op reis" en zij gevoelden zich beiden thuis ! Thuis ?
Ach, neen, dat nu juist niet, zij zochten een ander, een beter vaderland, zij trokken slechts door !
Thuis, één hierin, dat zij van hooger hand hadden geleerd dat er wel een rust overblijft voor het volk van God, doch dat die rust hier slechts in beginsel, snippersgewijze en dan nog maar slechts zelden wordt geproefd en gesmaakt. En toch gelukkige wandelaars, niet waar !
TEKST : Hebreën 13 vers 14 : „Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende"
Jeruzalem !
Kent gij, waarde lezer, één woord dat den Israëliet van echten stempel meer treft en in vervoering brengt ? De stad, zijn stad, de stad van zijn God ! Derwaarts liggen niet alleen zijne schreden, daar ligt zijn hart ! Dit wist de groote apostel der nieuwe bedeling, Paulus ! Hij kende het aardsche en was geen vreemdeling in het hemelsche. Vandaar zijn dringende vermaning om toch gaarne te willen lijden om Christus' wille ; m.a.w. het hart moest afgetrokken van Jeruzalem, d.i. van den ganschen schaduwdienst. De voortreffelijkheid van de Nieuw Islamentische bedeeling moest worden ingezien. De roem moest zijn in een ootmoedig, afhankelijk geloofsleven ; in Hem, die, als de groote Hoogepriester van het huis Gods Zichzelven ten schuldoffer geofferd, eene eeuwige gerechtigheid heeft teweeggebracht. Laat ons, zegt Paulus als 't ware, de geloovige Hebreen, ons Zijns niet schamen ! Laat ons roemen in Zijn kruis, wandelen in Zijn weg. Hem navolgen door bezaaide en onbezaaide wegen, lijden om Zijn Naam. Wij hebben er redenen voor. Wij toch weten wat wij doen : „Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende."
Jeruzalem geen blijvende stad? Neen, dat wilde er bij den zoon van Abraham niet in, hiervoor diende even zeer de christen gewaarschuwd ! Was 't geluid der oud-profetische bazuin niet onzeker in deze geweest, het Licht der wereld, Christus, de Heere, van onder een Korenmaat (Bethlehem) eenmaal uitgekomen op den kandelaar (Jeruzalem) vaagde in deze alle schaduw, alle onzekerheid weg. Als kind van nauwelijks 12 jaren was hij te midden der Joodsche doctoren zijner dagen in de dingen zijns Vaders, als Man van smarten stond hij, met de weegschaal der toekomst in de hand, weenende tegenover Jeruzalem (Lukas 13: 34 en 35), bepleitte Hij de zaak Zijns volks voor den aardschen, weifelenden Pilatus (Joh. 10: 36 en 37) om ten slotte op Golgotha den boetvaardigen moordenaar Zijn Koninkrijk, ja, 't hemelsche Paradijs toe te zeggen, het Jeruzalem, dat boven is !
De godvruchtige Joden onderscheiden drieerlei hemel. De eerste, de wolkenhemel, die wij voelen ; de tweede, de sterrenhemel, die wij zien ; en de derde hemel of de hemel der hemelen, waarin wij gelooven. Antwoordde de Heere Zijnen knecht Job uit een onweder, hem vragend : „Wie kan de wolken met wijsheid tellen ? " (Job 38 : 37), of riep Jesaja op last van Zijnen Zender de Kerke Gods op het oog hemelwaarts te richten, als hij haar toeroept : „Heft uwe oogen op omhoog, en ziet wie deze dingen geschapen heeft; die in getal hun heir (de sterren) voortbrengt, die ze alle bij name roept vanwege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is : daar wordt er niet één gemist" (Jes. 40 : 26), Paulus kende „een mensch, die opgetrokken was geweest tot in den derden hemel!" (2 Cor. 12 : 2). O, gelukkige Paulus ! Hoe bevindelijk en gestaltelijk was die mensch, waart gij eens vereenigd met uwen God in het geloof! Geen wonder, dat gij, hoewel met 'n pijnlijken doorn in 't vleesch en telkens, geslagen door den vuist des Satans, in den weg van vrije en ondersteunende genade, uwe geliefde kinderen. Abrahams geestelijk zaad, óók uwe Hebreen in woord en daad predikt en vermaant om met Christus hier een wijle te lijden om daarna in de opstanding uit de dooden voor eeuwig opgenomen te worden in heerlijkheid ! Want wij hebben hier (nu eenmaal) geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende !"
Het is een algemeen, een zuiver menschelijk verschijnsel, de mensch wil — hoe dan ook — hier blijven. Hoe dan ook ? Ja, hoe dan ook ! Naamloos toch is het lijden van het menschenkind sedert zijn bondshoofd Adam in het Paradijs uit den staat der rechtheid uitviel in den staat der slechtheid. Het uitnemendste toch van dit leven, wat is het, wat blijft het ? Moeite en verdriet! Hoe zoo ? Vanwege de zonde en de daaruit voortvloeiende schuld. Babel's dwaze torenbouwers zijn niet uitgestorven en het spotlied uit Noach's dagen : „Laat ons eten en drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven wij !" is bij dag en nacht nog het refrein bij elk levenslied Er is ongerustheid, gejaagdheid op alle gebied des levens, onder alle rangen en standen, op elken leeftijd.
Waarom? Men is wat kwijt. Onvergenoegd leeft de natuurlijke mensch zijn leven, zonder God in de wereld, verdreven van huis, het Paradijs. Hij jaagt in dezen staat naar iets blijvends en hoe dikwijls is niet bittere teleurstelling zijn deel! Hoe vaak is het waar : „Het bezit van de zaak is het eind van 't vermaak." Neen, hier beneden is het niet ! En toch, verdwaasd blijft bij het zoeken in dit ondermaansche, ja, op schier alle terrein verstaat men maar al te goed het gezegde van zeker kardinaal van Parijs, die zijn geprangden boezem eens aldus ontlastte : „O, God, laat mij in Parijs ; ik laat U het Paradijs !" uit de aarde zoo aardsch ! Lijden en nog eens lijden, ten einde toe en daarna ? O, schrikkelijke gedachte !
Maar wij zoeken de toekomende ! Wie ? De waarlijk zoekend gemaakten. Zij, die als de tak leven uit den wortel, de vruchtdragende ranken des wijnstoks. De wijnstok zoekt het in het verborgene en wordt daarin ook openbaar, zijn zoetigheid wordt gesmaakt en geproefd uit de vrucht zijner ranken, (Joh. 15:4). Het zoeken van Jezus, reeds vanuit de stille eeuwigheid (Ps. 40 : 8 en Hebr. 10 : 7), is de eenige bevoor het zoeken van Gods kinderen. Van dien Jezus gaat uit de bede : „Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Trooster zenden, en bij u zal blijven tot in eeuwigheid." Van Hem gaat, in de zekere verhooring des gebeds, ook de Geest der gebeden uit, als Hij spreekt ; „Ontvangt den Heiligen Geest!" Die Geest ontdekt hen den Zone Amrams, Mozes, met zijn doornenstok, hen makende rade-, rede-en reddeloos, maar het is ook weder diezelfde Geest, die hen in al de Waarheid leidt en hen de noodzakelijkheid, de dierbaarheid en gepastheid van Maria's wonderkind, Jezus, in het weenende hart beschrijft en voorstelt. In dezen weg blijft er dan ook niets meer over, voor tijd en eeuwigheid, dan Jezus alleen !
Geef mij Jezus of ik sterf, buiten Jezus is 't geen leven, maar een eeuwig zielsverderf !"
De godvruchtige Joden, sprekende van Jeruzalem, het Sion Gods, gewaagden van vier voorname poorten om hetzelve in te gaan.
a. Aan de Noordzijde de Poort des gebeds. Vluchtende en zuchtende van den vuurspuwenden Sinaï komen Gods kinderen als de tollenaar op boetvaardige voeten, met boetvaardige handen en oogen en schreeuwen als met Habakuk ten kele uit : „O, God, wees mij zondaar genadig !"
Aan de Westzijde bevond zich de zoogenaamde lage Poort. Laag ? Ja, want deze voert naar de diepte. Hierdoor komende verstaan zij de les van Vader Lodesteijn : „Graaf maar dieper, en gij zult meer gruwelen vinden !" Hier komen zij; onder het heilig recht des Vaders, dat, in Adam geschonden, nog dagelijks in zijn nakomelingschap schending vindt in woorden, gedachten en daden. Hieronder moeten zij uit! Maar, ach, hoe benauwd ! Geen wonder dat de stokbewaarder als in wanhoop de hand wil slaan aan eigen leven, daar onder in de diepte ! En toch, het kan ver ko'en te ver gaat 't niet! Van des Heeren knechten komen de troostwoorden : „Doe u zelf geen kwaad, wij zijn allen hier !" Ja, meer dan een nietig schepsel, meer dan een Paulus en Silas, de Heere Zelf staat in die ure, dat Zijn kinderen het behoeven, hen ontfermend nabij. Hij voert ze Zelf uit den ruischenden kuil, uit modderig slijk. Jezus alleen !
c. Aan de Zuidzijde de Traanpoort. Hierdoor geraken zij als echte knechten Benhadads met de koorden om den hals en den zak om de lendenen, gelijk Jeremia aanteekent in hoofdst. 31 : 9 : „Zij zullen komen met geween, en met smeekingen zal ik hen voeren aan waterbeken in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stooten ; want Ik ben Israël tot een vader en Ephraïm is mijn eerstgeborene." Hier schenkt de Geest hun licht in en gezicht over hunne zonden onder het gemis van Jezus en den onvrede met Zijn Vader. Hier wordt Manasse belijder en belever van zijnen God. Hier staat Maria, de Kerke Gods, weenende-zoekende, bij het geopende graf van Christus, zich wendende tot den hovenier, zich verliezende in haren Rabbouni! Hier worden de steenen van zorgeloosheid, van onwetendheid en ongeloof weggenomen en de weg geopend en geëffend tot de laatste of
d. De Poort aan de Oostzijde, de Poort der Blijdschap. Het volle licht des Evangelies gaat hier op, de Zonne der gerechtigheid valt hier in vollen glans op Jezus' zwarte bruid en den zwarten kamerling. De witte kleederen der gerechtigheid, de palm ter overwinning, ze komen in zicht. En alle tranen, zij zullen eens van de oogen worden gewischt. Het oude ging voorbij, ziet, het is al nieuw geworden. Bewondering, verwondering— in voorsmaak zalig ! En, met de vrouw op haar sterfbed, roept het hier doortrekkend erfdeel des Heeren, dat reist naar het Jeruzalem, dat boven is, ons aller moeder, stervend nog uit : „Nog 'n oogenblikje en dan ben ik thuis !"
Opheusden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's