Uit het kerkelijk leven.
Het Ethisch beginsel.
In „de Reformatie", weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerd leven (onder redactie van prof. Hepp, dr. Dijk en dr. Wielenga) schrijft ds. F. C. Meijster van Rotterdam een paar artikelen over „het Ethisch beginsel". Laten we hier een en ander uit het eerste
artikel meedeelen.
Ds. M. zegt, dat hij met deze artikelen geen polemische, maar een instructieve bedoeling heeft. Dus niet „vechten", maar op de zaak zelve ingaan, om zakelijk te oriënteeren en te onderrichten. Zij handelen niet over „de ethischen" ; bieden evenmin portretten van de groote voortrekkers der ethische richting; er wordt alleen gesproken over het ethisch beginsel, en dat ethisch beginsel dan op zichzelf beschouwd.
De bedoeling van ds. M. is dan nader : om geen synthetische soepelheid aan den dag te leggen ; want afgezien van de vraag, of dat mag, staat dit voor hem vast, dat „we onze jongeren nooit kunnen winnen door eene bijzondere mate van synthese-soepelheid en toegeeflijkheid ten opzichte van andersdenkenden aan den dag te leggen. We moeten met beslistheid optreden. We hebben hieraan vast te houden, dat de gereformeerde Waarheid de meest zuivere vertolking is van de kennisse Gods, en dat wij, natuurlijk menschelijk en ten deele, DE Waarheid hebben." (Dr. K. Dijk in zijn „het dogmatisch indifferentisme onder de jongeren.") Zullen we echter met bewuste klaarheid voor onze gereformeerde beginselen uitkomen, dan moeten we ze kennen. Dat kennen brengt ook mee, het kennen en schiften van andersoortige beginselen.
Onder die andersoortige beginselen behoort ook het ethische. Het ethische niet het minst.
Het ligt niet — aldus ds. M. — in mijn plan grof te trappen op het werk, laat staan op de ziel van christenen, die wij, gereformeerden, om huns persoons en werks wil respecteeren en wien wij, voorzoover zij hun eenigen troost in den Heere Jezus Christus zoeken, de rechterhand der broederlijke gemeenschap niet weigeren.
Het is mij er alleen om te doen vooral onzen jongeren aan te wijzen wat ongeveer het ethisch beginsel is en welke gevaren het uitwisschen der grenzen naar die zijde meebrengt.
Is het wel noodig, zoo kan men vragen, in onzen tijd de tegenstellingen te onderstrepen, de scheidingslijnen diep in te kerven ? Moeten we niet veeleer saambinding en samenwerking zoeken met christenen van allerlei schakeering om een eenheidsfront te vormen tegen de vijanden van het koninkrijk Gods ? ......... doen, als we, inplaats van gescheiden op te trekken, in gesloten phalanx gingen. Laat ieder zijn eigen uniform, zijn eigen kerkelijke kokarde behouden, het is toch ten slotte één strijd voor één Koning. Wat verdeelt is bijkomstig, wat samenbindt hoofdzaak.
Ik antwoord, daarop, dat naar mijn vaste overtuiging saamwerking op velerlei gebied mogelijk, noodig en wenschelijk is tusschen alle oprechte belijders van Christus, omdat wij vast gelooven, dat er gemeenschap der heiligen is, en deze dus ook beoefend moet worden ; en de grenzen der gemeenschap niet saamvallen met de kerkmuren. Maar vast staat niet minder, dat van die samenwerking nooit iets terecht komt, wanneer over en weer de grenzen uitgedoezeld worden, maar alleen wanneer men als mannen van beginsel weet wat men aan elkaar heeft. Uit transigeeren is nooit kracht geboren.
De tweede vraag is : hebben wij ino nzen eigen kerkelijken tuin niet genoeg te wieden, dat wij over de schutting moeten kijken naar buurmans erf ? En, kan er van de ethischen niet een zekere weldadige invloed op ons uitgaan ? Feit is toch, dat wij de religie wel eens te veel van den begripmatigen kant bekeken hebben.
Het verwijt dat het warme, het innige, het teedere, het mystieke, het subjecieve bij ons wel ontbrak, kunnen we niet geheel ontgaan. Daarin had dr. Van der Vaart Smit toch wel gelijk : „Wij hebben het accent te veel gelegd op het uitwendige, het voorwerpelijke, het vorelijke, het organisatorische, en te weinig op het inwendige, het onderwerpelijke, het waarlijk geestelijke, het christelijk persoonlijke".
Ook is er onder ons wel eens al te scholastisch geredeneerd alsof het hebben van een bepaald leerstelsel zou zijn het leven in de waarheid.
Ik bedoel dit. Iemand kan zich vreeselijk druk maken over de juiste definitie van de rechtvaardigmaking en over elke afwijking van de zuivere voorstelling met hand en tand te keer gaan, terwijl hij zelf nog in zijn zonde ongerechtvaardigd voortleeft.
Een ander kan met machtig vertoon van bezieling strijden voor het onfeilbaar gezag der Heilige Schrift als het Woord Gods, maar zijn eigen Bijbel ligt onder het stof. Bovendien, men kan schijnbaar o zoo rechtzinnig zijn met de leer, en toch zoo koud en zoo dor in zijn leven, zoo zonder een sprankel van waarachtige liefde, en er een levenswandel op na houden, waardoor de naaste voor de wereld in plaats van voor Christus gewonnen wordt.
In niet-gereformeerde kringen werkt men veel met dit cliché als het „calvinisten" geldt.
Maar dat zijn dan toch een heel treurig soort van calvinisten ! De religie van zulke menschen doet mij altijd denken aan de meccanodoos van onze jongens, 't Is maar speelgoed. Men moet echter het goede merk hebben. En dan werkt men naar het voorbeeldenboek. IJzeren plaatjes, spijltjes en raadjes worden met klemmetjes en koperen schroefjes ineengezet. Zoo zit de godsdienst van deze pseudo-christenen in elkaar geschroefd.
Schiet er ergens een moertje los, dan rammelt het geheele ijzeren geraamte in elkaar.
Het leeft niet in hun hart; hun belijdenis is de mechanische opstal van hun leven.
En nu nóg een vraag. Loont het eigenlijk wel de moeite om zich over „ethisch" nog druk te maken ? Is het niet een uitstervend beginsel ?
Toen dr. Kuyper het eenmaal zoo machtige modernisme teekende als een fata morgana op christelijk gebied, weigerde men geloof te hechten aan zijn woorden. Wie tegenwoordig de jammerklachten beluistert, die uit de ruïnen van den eertijds trotschen tempel der modernen opgaan, erkent almeer de waarheid dezer profetie. Zoo schreef 't Weekblad van de Vrijzinnig Hervormden (15 Dec. '21) : „De geschiedenis der laatste vijftig jaar is daar om er op te wijzen, dat de vrijzinnige richting niet inslaat en gedoemd is te verdwijnen, en op te gaan in orthodoxie voor de meerderheid, en atheïstische clubs voor het overige deel."
Hoe staat het in dit opzicht met de Ethischen ?
Mogen we de Woordvoerders dezer richting gelooven — die het toch wel 't beste weten zullen — dan is het met hen niet veel beter gesteld. Welk een pijnlijke tegenstelling met den tijd van opkomst en eersten bloei der Ethische Theologie !
Toen scheen het alsof zij het verlossend woord zou spreken, dat de deuren der toekomst kon openen.
Toen prof. Valeton twee maanden na den dood van Van Oosterzee zijn colleges aan de Utrechtsche Hoogeschool heropende, droeg zijn rede den veelbetekende............., Daar ruischte door zijn woorden een verkwikkend optimisme, zooiets als wat Gorter later noemen zou : „een nieuwe lente en een nieuw geluid."
Nu zou het pas goed worden. Op den inhoud dier rede ga ik nog niet in, doch wijs alleen op de verwachtingen, die ze wekte.
En nog in 1912 schreef dr. Gerritsen in zijn brochure : Het goed recht der Ethische richting: „Naar mijn innige overtuiging is het ethische standpunt 't eenige, dat in onzen tegenwoordigen moeilijken tijd uitkomst kan schenken. Alleen door het ethisch beginsel kan het Christendom zooals het zich tot heden in de historie heeft geopenbaard, worden gehandhaafd. Alleen langs den weg, door het ethisch beginsel aangewezen, kan worden bewaard wat de grootste schat is voor dfe menschheid, de opstanding van Christus."
Dr. Gerritsen was een ernstig man met een warm hart, maar men zou toch geneigd zijn te vragen hoe het negentien eeuwen goed gegaan is, terwijl dit ethisch ei van Columbus nog niet op zijn punt was gezet.
Toch scheen het reeds in 1912 voor vele ethischen niet meer zoo héél zeker, dat de steen der wijzen werkelijk gevonden was. Wel overtuigden zij elkander steeds opnieuw, dat ze hem hadden, maar ze lieten hun steen zelf in het kunstig philosophisch etui. Tenminste die zelfde dr. Gerritsen uitte die klacht: „Bij sommige ethische theologen krijgt men den indruk, dat zij zich geen rekenschap durven geven van hetgeen zij gelooven, dat zij bevreesd zijn, dat, als zij zich rekenschap geven van wat de eigenlijke inhoud van hun geloof is, zij daarmede hun geloof zouden verliezen.
Men leeft in den schemer, omdat men in het halfduister van de gevoelssfeer nog vasthouden kan, wat men in het volle daglicht misschien zou moeten loslaten.
Somtijds zou men meenen, dat het den ethischen ontbreekt aan geloof in wat zij gelooven.
En nu zijn we weer een achtste eeuw verder. Hoe staat het thans met het ethisch beginsel ?
De Decembernummers van „Bergopwaarts" 1921 bevatten eenige zeer interessante artikelen van ds. W. A. Hoek, over de Ethischen ten plattenlande. De hoofdgedachte daarvan is eigenlijk, dat het met de Ethischen heel snel bergafwaarts gaat en alleen past de vraag : zullen we nog trachten te remmen of ons ineens laten glijden tot we beneden zijn?
„Onze toestand — schrijft ds. Hoek — is weinig moedgevend, zoowel in de steden als ten plattenlande. Over hetzelfde eentonige en bijna met mathematische zekerheid verloopend proces." Vooral ligt die achteruitgang daarin, dat volgens den schrijver het ethisch beginsel volstrekt geen aansluiting vindt bij de boerenbevolking ten plattenlande, ofschoon, zegt hij, „de boer toch volstrekt niet grof is, en er vele zuivere geestesaristocraten onder schuilen."
Is er nog wat aan te verhelpen ? Eerst had ds. Hoek beloofd een recept te zullen schrijven en met een plan de campagne te komen. Later belijdt hij, dat hij dat niet kan. Wel moet men de zieke aanpakken, maar 't zal niet baten. Ze gaat toch dood. En hij eindigt zijn neerdrukkend betoog met een sombere profetie betreffende den tragischen ondergang der ethischen.
Wat baat de diagnose van een stervende ?
Zouden we dus niet verstandiger doen buiten te wachten tot de gordijnen worden neergelaten in het ethische huis ?
Ik geloof van niet. ? Want de ervaring heeft geleerd, dat er zieken zijn, die, niettegenstaande de stellige, voorspelling der doktorren, dat zij spoedig den laatsten adem zullen uitblazen, nog vele jaren leven.
Voorts gaat het hier over een beginsel als zoodanig, afgezien van de practijk dergenen, die het aanhangen en los van kerkelijke partijgroepeeringen.
En dan, voor jonge menschen in de periode van zoeken en vragen gaat er van het ethisch beginsel nog vaak een wondere bekoring uit.
De laatste jaren hebben bovendien hier en daar getoond tot hoe groote krachtsontwikkeling dit zoogenaamd uit stervend beginsel nog in staat Is.
Trouwens, reeds in 1860 meende dr. Sepp in zijn Proeve eener pragmatische geschiedenis der Theologie in Nederland, dat hij de doodsklok over de Ethische richting kon luiden.
Hij hield zelfs een grafrede en zeide : ., Ruste zij in vrede. Van den beginne aan heeft haar iets flauws aangekleefd, en heeft zij thetisch niet veel gedaan en nagelaten."
Dit leek wel op Allard Pierson, die de geheele Dogmatiek dood verklaarde in zijn Godsartikel: Ter uitvaart.
Beide begrafenisondernemers hadden iets te vroeg aangebeld. De patiënten waren nog niet overleden.
Stelt men daartegenover hoe sterke vitaliteit aan het Calvinisme wordt toegeschreven, dan zou men er bijna overmoedig bij worden, en de elenctiek gaan verwaarloozen.
Te meer waar zelfs tegenstanders er op wijzen hoezeer de gereformeerde religie past bij de mentaliteit van het Nederlandsche volk.
Schreef niet de „N. Rott. Courant" in haar Ochtendblad van 15 Dec. '21 : „Wie het hedendaagsch Calvinisme aanschouwt in de monumentale werken van Kuyper en Bavinck, hervindt den eerbied voor een brok nationale cultuur, dat in ongebroken kracht de traditie der zeventiendeëeuwsche kopstukken bestendigt. De Nederlandsche volksziel vindt in de uiterlijke stelselmatigheid en in de innerlijke soepelheid van het op Oud-Hollandschen bodem gewonnen Calvinisme nog altijd niet te verwaarloozen voorwaarden voor haar ontwikkeling."
En naar aanleiding van prof. Anema's geschrift : „Onze tijd en onze roeping" verklaarde diezelfde „N. Rott. Courant" (het kwam toen natuurlijk niet van „gereformeerde zijde" !) : „Dit nobel en eerlijk betoog is gesproten uit denzelfden geest, die de frissche, stijlvolle kerkgebouwen schept, die op de Gereformeerde volksgroep, te midden van velerlei slappe recht-en vrijzinnigheid het karakter van gaafheid en klaarheid en het stempel van het waarlijk modern strevende leven drukt."
Juist in dergelijke getuigenissen zie ik dte noodzakelijkheid, dat wij ons opnieuw oriënteeren.
Lof moet waakzaam maken. Trouwens, deze oplossing van het probleem : „ethisch of gereformeerd" ? zou al een zeer goedkoope zijn !
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 1924
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's